ECLI:NL:RBMNE:2017:2342 Rechtbank Midden-Nederland , 21-04-2017 / UTR 16/3196

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3196

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen

Adecco Personeelsdiensten B.V., te Zaltbommel, eiseres

(gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A.M. Delfgaauw).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [werknemer] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder de loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) van [werknemer] (werknemer) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vanaf 14 maart 2015 omgezet naar een loonaanvullingsuitkering.

Bij besluit van 24 februari 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet veranderd geacht en meegedeeld dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering hierdoor niet wijzigt.

Bij besluit van 6 mei 2015 (het primaire besluit III) heeft verweerder de WGA-uitkering van werknemer definitief vastgesteld na verrekening met de aan hem toegekende buitenlandse uitkering.

Bij besluit van 24 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Werknemer heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan eiseres, zijn voormalige werkgever. De rechtbank heeft de medische stukken met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen toekomen aan de door eiseres ingeschakelde arts-gemachtigden, drs. H.E. Wonnink en O.E.H. Sartorius, en de gemachtigde van eiseres aan wie bijzondere toestemming is verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van arts-gemachtigde O.E.H. Sartorius. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Zoals hiervoor is vermeld, heeft werknemer geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn voormalige werkgever, eiseres. Om te voorkomen dat deze gegevens alsnog bij eiseres bekend raken, wordt het vermelden van medische gegevens hieronder zo veel als mogelijk vermeden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Werknemer heeft vanaf 14 november 2011 voor 40 uur per week als productiemedewerker gewerkt in dienst van eiseres. Op 14 februari 2012 heeft werknemer zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege medische klachten. Bij besluit van 12 juni 2014 heeft verweerder aan werknemer met ingang van 14 maart 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij bij het einde van de wachttijd 80-100% arbeidsongeschikt is geacht. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt. Bij het primaire besluit I van 17 december 2014 heeft verweerder aan werknemer meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 14 maart 2015 wordt omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Op 20 februari 2015 heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer opnieuw beoordeeld, waarna verweerder het primaire besluit II heeft genomen. Aan werknemer is bij besluit van 22 april 2015 met ingang van 1 december 2013 een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Vervolgens heeft verweerder in het primaire besluit III de WGA-uitkering van werknemer definitief vastgesteld, na verrekening met de aan hem toegekende buitenlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. De primaire besluiten I, II en III zijn voor het eerst op 28 januari 2016 aan eiseres bekend gemaakt, waarna zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit, zoals vermeld onder ‘procesverloop’, genomen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten I, II en III gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat bij werknemer geen sprake is van duurzaamheid van arbeidsbeperkingen.

4. De rechtbank stelt voorop dat het beroep, zoals eiseres ter zitting heeft bevestigd, niet ziet op de definitieve vaststelling van de WGA-uitkering na verrekening met de buitenlandse uitkering van werknemer, zodat dit geen bespreking behoeft.

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat werknemer volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is uitsluitend de vraag of deze volledige arbeidsongeschiktheid van de werknemer duurzaam is.

6. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Dit is bepaald in artikel 4 van de Wet WIA.

De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk

arbeidsgeschikt is wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek waarvan de strekking en vereisten zijn omschreven in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). Dit is bepaald in artikel 6 van de Wet WIA.

7. De rechtbank overweegt dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze rapportages op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapportages en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapportages niet aan de genoemde eisen voldoen of de medische beoordeling onjuist is. Dit volgt uit artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een medicus noodzakelijk. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4449.

8. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:CRVB:2009:BH1896, dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

8.1.

Het Uwv heeft de interne richtlijn ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ ontwikkeld. Ingevolge dit beoordelingskader zijn arbeidsbeperkingen duurzaam als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. In het beoordelingskader is verder een stappenplan opgenomen op grond waarvan de verzekeringsarts zich uitspreekt over de prognose van de arbeidsbeperkingen, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling.

8.2

Het stappenplan in voornoemde richtlijn luidt als volgt:

“Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:

a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of

b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.

Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden, of

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.

Als voor de keuze tussen 2a en 2b doorslaggevende argumenten ontbreken, gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.

Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (2b is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid, of

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks ter verwachten: alle overige gevallen”.

9. Eiseres voert aan dat, zoals ter zitting is toegelicht, de arts bezwaar en beroep de conclusie dat duurzaamheid van arbeidsbeperkingen ontbreekt niet heeft gebaseerd op een inschatting van het resultaat van de medische behandeling, zoals het stappenplan duurzaamheid van arbeidsbeperkingen voorschrijft. Zij heeft werknemer niet zelf onderzocht en uit het rapport van de Duitse verzekeringsarts, waarop zij zich heeft gebaseerd, blijkt niet welke behandelmogelijkheden er nog zijn. De verzekeringsartsen van verweerder mochten hun conclusie, dat geen sprake is van duurzaamheid, dus niet op het Duitse verzekeringsgeneeskundige rapport baseren. Volgens eiseres hadden de verzekeringsartsen nader onderzoek moeten laten verrichten naar de vraag welke behandelmogelijkheden nog aanwezig zouden kunnen zijn.

10. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De primaire verzekeringsarts, [verzekeringsarts 1] , heeft volgens haar rapportage van 20 februari 2015 het expertiserapport van 22 december 2014 opgevraagd bij de Duitse verzekeringsarts. Zij heeft dossierstudie verricht en het expertiserapport betrokken in de medisch beoordeling, waarbij zij zich ervan heeft vergewist dat in het rapport een onafhankelijke medische/verzekeringsgeneeskundige beoordeling is gemaakt en dat het daarmee voldoet aan de kwaliteitseisen die de Wet WIA stelt. De arts bezwaar en beroep, [arts bezwaar en beroep] onder supervisie van verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts 2] , heeft in het kader van de heroverweging volgens haar rapportage van 22 april 2016 opnieuw dossierstudie verricht en zij heeft haar conclusie ook mede op het expertiserapport gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat werknemer niet is gezien door de (verzekerings)artsen van verweerder niet maakt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank acht het hierbij van belang dat zij beschikten over het expertiserapport op basis waarvan zij zich een oordeel hebben kunnen vormen over de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, zodat er geen noodzaak bestond om werknemer, die sinds 2014 in Duitsland woonachtig is, op te roepen voor het spreekuur. Verweerder heeft zijn besluitvorming dus op de medische rapportages mogen baseren.

10.1

De rechtbank is verder van oordeel dat de arts bezwaar en beroep in haar rapportage van 22 april 2016 aan de hand van voornoemd stappenplan voldoende heeft gemotiveerd dat verbetering van de beperkingen van werknemer na het eerstkomende jaar niet is uitgesloten. Zij heeft hierbij toegelicht zich in het standpunt van de primaire verzekeringsarts en de Duitse verzekeringsarts te kunnen vinden dat er nog mogelijkheden zijn voor verdere (intensieve) behandeling en dat werknemer hier ook voor open staat. Zij heeft hierbij vermeld welke intensievere medische behandeling nog mogelijk is en welke klachten en beperkingen van werknemer hierdoor mogelijk nog kunnen verbeteren. De arts bezwaar en beroep heeft haar conclusie welk behandelresultaat nog kan worden bereikt, daarmee inzichtelijk onderbouwd met feiten die op de individuele situatie van werknemer betrekking hebben. Eiseres heeft in beroep geen aanknopingspunten aangedragen voor het oordeel dat verbetering van de belastbaarheid van werknemer met de voorgestelde behandeling niet is te verwachten. Er is dan ook geen reden de beoordeling van de prognose van de functionele mogelijkheden van werknemer door de arts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bij werknemer vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangemerkt als duurzaam in de zin van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA. Verweerder heeft de werknemer dan ook terecht niet voor een IVA-uitkering, maar voor een WGA-uitkering in aanmerking gebracht.

12. Voor het geval geen duurzaamheid wordt aangenomen, voert eiseres aan dat verweerder aan werknemer een maatregel op grond van artikel 88 in combinatie met artikel 29 van de Wet WIA had moeten opleggen. De arts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 22 april 2016 geconcludeerd dat er nog behandelmogelijkheden zijn en werknemer op dat moment niet intensief werd behandeld. Doordat de werknemer deze intensieve behandeling (nog) niet volgt, vindt er geen adequate behandeling plaats. Het herstel wordt hierdoor volgens eiseres belemmerd. Eiseres is geen eigenrisicodrager, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet WIA, waardoor alleen verweerder de mogelijkheid tot het opleggen van een maatregel heeft. Eiseres heeft hierbij financieel belang. Bij een beëindiging van de WIA-uitkering hoeft eiseres de WIA-lasten niet langer te dragen. Verweerder moet bij zijn WIA-beoordelingen dan ook, los van een apart verzoek van eiseres hiertoe, zelfstandig nagaan of sprake is van een situatie van inadequate behandeling, waarvoor een maatregel zou moeten worden opgelegd, aldus eiseres.

13. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of verweerder een maatregel had moeten opleggen buiten de omvang van het door de rechtbank te beslechten geschil valt. Het bestreden besluit, voor zover daarbij de primaire besluiten I en II zijn gehandhaafd, ziet op het ongewijzigd voortzetten van de loongerelateerde WGA-uitkering tot 14 maart 2015 en het vanaf die datum toekennen van een loonaanvullingsuitkering. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. De vraag of verweerder een maatregel had moeten opleggen, maakt dan ook geen onderdeel uit van het door de rechtbank te beslechten geschil. De gronden die eiseres aanvoert met betrekking tot het opleggen van een maatregel op grond van artikel 88 in samenhang met artikel 29 van de Wet WIA vallen dus buiten de omvang van het geding en worden daarom niet inhoudelijk besproken. De beroepsgrond slaagt niet.

14. De rechtbank merkt – ten overvloede – op dat zij wel oog heeft voor de financiële belangen voor een werkgever als eiseres als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava). Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij in de praktijk nagenoeg geen maatregel oplegt ter zake van de verplichting om een medische behandeling te ondergaan. Gelet op de verschillende partijen en belangen die bij de Wet Bezava een rol spelen, is het van belang geworden dat het beleid van verweerder met betrekking tot het (al dan niet bij aanvang van de uitkering) opleggen van verplichtingen en handhaving bij het niet naleven van die verplichtingen, hierop wordt afgestemd. Dit geldt te meer, nu de WIA-uitkering van een verzekerde in het geval van niet nageleefde verplichtingen kan worden beëindigd, waardoor de variabele premies minder lang aan de werkgever, die geen eigenrisicodrager is, worden toegerekend. De vraag of verweerder in dit geval een maatregel had moeten opleggen valt echter buiten de omvang van dit geding.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.