ECLI:NL:RBMNE:2017:2461 Rechtbank Midden-Nederland , 18-05-2017 / 16/994037-13 (ontneming)

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994037-13 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 mei 2017

in de ontnemingszaak tegen


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1949] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] [woonplaats] .

(hierna te noemen: [verdachte] ).

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

-

de schriftelijke vordering van de officieren van justitie, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

-

het strafdossier onder parketnummer 16/994037-13, waaruit blijkt dat [verdachte] bij vonnis van 18 mei 2017 van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van onder meer niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen;

-

de overige stukken,

en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20, 21 en 22 maart 2017. De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen [verdachte] , bekend onder hetzelfde parketnummer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat [verdachte] en zijn raadslieden, mr. J.T.C. Leliveld en mr. R.J.F. ten Ham, naar voren hebben gebracht.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officieren van justitie

De schriftelijke vordering van de officieren van justitie strekt tot het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 837.152,00 (exclusief btw).

Ter terechtzitting hebben de officieren van justitie gevorderd de ontnemingsvordering voor [verdachte] af te wijzen, nu alle betalingen zijn binnengekomen op de rekening van [bedrijfsnaam] en het voordeel dient te worden ontnomen bij degene bij wie het voordeel gevallen is.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de ontnemingsvordering.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnissen van deze rechtbank van 18 mei 2017 zijn [verdachte] en zijn vennootschap [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ) veroordeeld ter zake van onder meer valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. [verdachte] is bovendien veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en/of zijn vennootschap door middel van en/of uit de baten van deze feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen, zijnde de gefactureerde en ontvangen betalingen.

Daadwerkelijke ontvanger
De betalingen zijn gefactureerd en ontvangen door de vennootschap van [verdachte] . Gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel is het uitgangspunt dat bij de bepaling van het voordeel aangesloten wordt bij welk voordeel de veroordeelde in de concrete omstandigheden daadwerkelijk heeft genoten. De rechtbank is daarom, met de officieren van justitie, van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen dient te worden bij [bedrijfsnaam] .

Conclusie

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] zelf geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en wijst zij de (schriftelijke) ontnemingsvordering af.

3 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van de officieren van justitie af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, mrs. V. van Dam en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2017.