ECLI:NL:RBMNE:2017:3336 Rechtbank Midden-Nederland , 06-07-2017 / 16/659919-16 (P)

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659919-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2017

in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats] (Kameroen)

wonende te [adres] [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. A.L. Mr. Rinsma, advocaat te Utrecht, alsmede het slachtoffer [slachtoffer] en diens echtgenote [belanghebbende] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 8 juli 2016 te Utrecht als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, na voorafgaand gebruik van alcohol en terwijl verdachte niet over een geldig rijbewijs beschikte, door op de Nedereindseweg op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] , die hem tegemoet kwam, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

dan wel

subsidiair op dezelfde dag en plaats met genoemde handelingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

Feit 2: op 8 juli 2016 te Utrecht een personenauto heeft bestuurd terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed bij onderzoek 2,05 milligram bleek te zijn en terwijl verdachte niet beschikte over een geldig rijbewijs.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Wat betreft het onder 1 ten laste gelegde heeft zij zich op het standpunt gesteld dat hoewel zij roekeloosheid niet bewezen acht, wel sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag dat grenst aan roekeloosheid. Dit gelet op drie verwijten die verdachte kunnen worden gemaakt, te weten het ontbreken van een geldig rijbewijs, zijn aanzienlijke alcoholinname en het (blijven) rijden op de verkeerde weghelft.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft evenals de officier van justitie vrijspraak bepleit van de onder 1 mede ten laste gelegde roekeloosheid als mate van schuld. Voor wat betreft de overige onder 1 ten laste gelegde schuldvormen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het onder 2 ten laste gelegde kan volgens de raadsman worden bewezen, zij het dat sprake is van eendaadse samenloop met het onder 1 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

Gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2
1

Het ongeval

Op 8 juli 2016 omstreeks 18:35 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] de melding te gaan naar een aanrijding tussen een motor en een personenauto op de Nedereindseweg. Ter plaatse zag de verbalisant dat een man in de sloot lag. Hij zag dat omstanders de man boven water probeerden te houden. Hij zag dat de man een helm op had. De man had een bebloed gezicht en bewoog niet. De verbalisant zag aan de overkant van de sloot een motorfiets op de kant liggen. Op een afstand van ongeveer twintig meter van deze motorfiets zag hij een grijze Mitsubishi in de sloot staan.2 De bestuurder van de grijskleurige Mitsubishi personenauto met kenteken [kenteken] bleek te zijn genaamd [verdachte] .3

Het andere voertuig dat bij de aanrijding betrokken was betreft een motorfiets die werd bestuurd door [slachtoffer] .

De locatie van het ongeval is nader aangeduid op het adres Nedereindseweg 582 te (3546 PV) Utrecht. Verdachte reed over de Nedereindseweg, komend uit de richting van De Meern en gaande in de richting van Nieuwegein.4

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bestuurder van de grijze Mitsubishi met kenteken [kenteken] is geweest en dat hij in slaap was gevallen achter het stuur. Hij hoorde een knal en zag daarna dat zijn auto in het water stond.5

Het ongeval is audiovisueel vastgelegd door getuigen die op dat moment achter de door verdachte bestuurde personenauto (in het proces-verbaal aangeduid als: auto 2) reden. Uit het proces-verbaal van uitkijken videofilm (totale duur van 7 seconden) volgt dat verdachte reed op een weg met grijskleurig asfalt met aan beide zijden een strook roodkleurig asfalt met op de scheidingsrand een onderbroken streep. Achtereenvolgens werd door de verbalisant het volgende waargenomen en gerelateerd:

 de weg ging over in een flauwe bocht naar rechts;

 auto 2 reed richting de links gelegen rode asfaltstrook;

 de motor was in direct zicht van auto 2;

 de motor reed op de linker onderbroken streep van de weg;

 auto 2 reed met beide linker wielen geheel op de linker rode asfaltstrook in de richting van de naastgelegen berm;

 de motor reed met beide wielen op de linker rode asfaltstrook en had dus bijgestuurd in de richting van de berm;

 tot dat moment werden geen remlichten van auto 2 waargenomen;

 beide voertuigen kwamen met elkaar in botsing;

 auto 2 reed zonder verandering van rijrichting de linker berm in;

 de motorrijder werd over auto 2 heen gelanceerd, ging over de kop, vloog tussen twee bomen door en kwam daarachter neer.6

Rijden onder invloed van alcohol

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard voorafgaand aan het ongeval alcoholhoudende drank te hebben gedronken. Verdachte reed terug van een feestje op zijn werk. Hij heeft verklaard op dat feestje twee flesjes Heineken bier te hebben gedronken, gevolgd door één of twee glazen rum die hij door zijn collega aangeboden had gekregen. Vervolgens heeft hij nog rum bij zichzelf ingeschonken en opgedronken.7

Op 8 juli 2016 om 21:20 uur is bij verdachte bloed afgenomen ten behoeve van toxicologisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut naar de ethanolconcentratie in het afgenomen bloed.8 Het resultaat van dat onderzoek bedroeg een ethanolconcentratie van 2,05 mg/ml.9

Rijden zonder rijbewijs

Verdachte beschikte over een, inmiddels ingevorderd, Kameroens rijbewijs. Dit rijbewijs was afgegeven op 19 mei 2011 en geldig tot 19 mei 2021. Uit navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam is gebleken dat aan verdachte nooit een (Nederlands) rijbewijs is afgegeven.10

De gevolgen

Over de gevolgen van het ongeval en de medische toestand van [slachtoffer] heeft L.T.H. Smeenk, huisarts, op 24 januari 2017 onder meer geschreven dat als gevolg van het ongeval sprake was van een subarachnoïdale bloeding (in de hersenvliezen), een subdurale bloeding (tussen het harde hersenvlies en spinnenwebvlies) en een contusiehaard (kneuzing). Daarnaast was er – onder meer – sprake van letsel aan de pees van zijn linkerhand en een gecompliceerde bovenbeenbreuk. Na de ziekenhuisopname is [slachtoffer] opgenomen in een revalidatiekliniek. Er was toen sprake van verminderde mobiliteit, blindheid in een gedeelte van zijn gezichtsveld, verminderde waarneming, afasie (woordvindingstoornis), milde apraxie en cognitieve problemen. Na ontslag uit de kliniek werd nog verminderde kracht rond de linker heup en bekken gevonden alsmede gezichtsvelduitval, afasie en cognitieve stoornissen.

Smeenk kon op het moment van schrijven geen uitspraken doen over prognose of herstel.11

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Schuld

Om tot een veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is ten laste gelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam gedragen.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) komt het bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Er moet, minst genomen, sprake zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. In gevallen van grove schuld wordt verdachte een ernstiger verwijt gemaakt dan in geval van aanmerkelijke schuld.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zijn auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed verkeerde van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol. Ook beschikte verdachte niet over een geldig Nederlands rijbewijs.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet wist dat hij met een Kameroens rijbewijs niet in Nederland mocht rijden. Hij gebruikte zijn rijbewijs al 14 jaar en hem is nooit verteld, ook niet bij controles door de politie, dat zijn rijbewijs niet geldig was. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Uit de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, volgt immers ook dat hij op enig moment vóór het ongeval bij de gemeente en het CBR heeft geïnformeerd naar de status van zijn Kameroense rijbewijs en de mogelijkheden om een Nederlands rijbewijs te verkrijgen. Aan verdachte is toen verteld dat hij zijn Kameroense rijbewijs niet kon inwisselen, maar dat hij ter verkrijging van een Nederlands rijbewijs (opnieuw) een theorie- en praktijkexamen zou moeten afleggen. Gelet hierop wist verdachte in ieder geval vanaf dat moment, althans had hij moeten begrijpen, dat zijn Kameroense rijbewijs niet geldig was.

Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden en op enig moment op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Verdachte heeft vervolgens de uit tegengestelde richting komende motor van slachtoffer [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt.

De combinatie van verkeersfouten, te weten het rijden onder invloed van alcohol, het rijden op de weghelft bestemd voor tegemoetkomend verkeer en het rijden zonder geldig Nederlands rijbewijs, brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Daarmee is sprake van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte roekeloos heeft gereden. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde.

4.3.3

Te bespreken standpunten

Eendaadse samenloop

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, leveren de bewezen te verklaren feiten geen eendaadse samenloop op in de zin van artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan worden gemaakt (ECLI:NL:HR:2017:1111). Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake. De gedraging waar het hier om gaat, te weten het rijden onder invloed, levert op zichzelf immers geen overtreding op van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, maar vormt hiervan slechts een onderdeel.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

op 8 juli 2016 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Nedereindseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten ((deels) blijvend) hersenletsel (te weten gezichtsvelduitval en cognitieve stoornissen: geheugenproblemen en woordvindingsproblemen) en een gecompliceerde beenbreuk en peesletsel aan de hand werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit dat verdachte:

- zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en

- terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van het bewuste motorrijtuig benodigd rijbewijs,

- in vorenbedoeld motorrijtuig heeft gereden over de Nedereindseweg, komende uit de richting van de Meerndijk en gaande in de richting van Nieuwegein en

- vervolgens is gaan en blijven rijden op de voor hem, verdachte, linker weghelft van voornoemde Nedereindseweg, die bestemd was voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer en

- vervolgens, toen voornoemde [slachtoffer] hem, verdachte, naderde vanuit hem, verdachte, tegengestelde richting op de voor hem, verdachte, linker weghelft, niet is teruggekeerd naar de voor hem, verdachte, rechter weghelft en

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] met zijn, verdachtes, motorrijtuig heeft aangereden,

door welk gedrag aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,

terwijl hij, verdachte,

- zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven, een motorrijtuig bestuurde voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is en

- blijkens een onderzoek als bedoeld in artikel 8 derde lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, verkeerde in een toestand als bedoeld in dat artikel, immers was blijkens vorenbedoeld onderzoek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 2,05 milligram alcohol per milliliter bloed;

2.

hij op 8 juli 2016 te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,05 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994

feit 2:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou verdachte en zijn kwetsbare gezin onevenredig hard raken. Verdachte is enige kostwinner en werkt lange dagen om zijn gezin te kunnen onderhouden. Twee van zijn kinderen hebben speciale zorgbehoeften, waardoor zijn vrouw niet kan werken. De raadsman heeft gesteld dat de jurisprudentie in soortgelijke zaken ruimte biedt ten gunste van verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten, en heeft daarom de rechtbank verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is op 8 juli 2016 met zijn auto tegen een tegemoetkomende motor gereden. Als gevolg van deze aanrijding is de bestuurder van die motor, [slachtoffer] , zwaar lichamelijk gewond geraakt. Dat het door de schuld van verdachte veroorzaakte fysieke en ook psychische leed groot is, blijkt mede uit de ter terechtzitting door [slachtoffer] en zijn echtgenote afgelegde verklaringen. [slachtoffer] is na een periode van revalidatie nog altijd herstellende, terwijl geen duidelijkheid bestaat over de prognose voor de mate van zijn herstel. [slachtoffer] kan zijn werk en hobby’s niet meer uitvoeren. Ook de toekomstplannen van [slachtoffer] en zijn gezin kunnen niet langer worden ingevuld op de wijze die hem en zijn gezin voor ogen stonden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Vast is komen te staan dat verdachte op het moment van het ongeval niet over een geldig Nederlands rijbewijs beschikte en tevens onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol verkeerde. Het alcoholgehalte in het na het ongeval bij verdachte afgenomen bloed bedroeg ongeveer tienmaal zoveel als voor een beginnend bestuurder – waarmee verdachte op grond van de wet wordt gelijkgesteld - is toegestaan. Verdachte is desondanks gaan rijden en heeft vervolgens onvoldoende rechts gehouden en is in een flauwe bocht op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. Verdachte heeft aldus zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gehandeld.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het veroorzaken van een verkeersongeval verkerende onder invloed van een hoeveelheid alcohol van meer dan 570 µg/l en met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in duur variërend van 7 tot en met 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen in duur variërend van 3 tot en met 4 jaar. De reden voor deze bandbreedte is het onderscheid dat de oriëntatiepunten maken tussen ‘ernstige schuld’ en ‘zeer hoge mate van schuld’, die tezamen de juridische kwalificatie ‘zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam’ omvatten. Bij de categorie ‘zeer hoge mate van schuld’ kan gedacht worden aan gevallen die meer neigen naar of grenzen aan roekeloosheid.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 20 april 2017; en

- een reclasseringsadvies van 11 april 2017, uitgebracht door M. Boender namens Reclassering Nederland.

Uit het uittreksel van verdachte blijkt dat hij niet eerder is met justitie in aanraking is

geweest. Verdachte is een zogenaamde first offender.

In het reclasseringsadvies wordt ingegaan op de tegenslagen die het gezin van verdachte

heeft gekend, zoals de verhoogde zorgbehoefte van twee van zijn vier kinderen en de lange

en grillige asielprocedure. Vanwege de benodigde zorg voor de kinderen is verdachte de

enige kostwinner van het gezin en zijn ook financiële problemen ontstaan. Verdachte heeft

om die reden (eenmalig) zijn toevlucht gezocht in overmatig alcoholgebruik. Hij erkent

verwijtbaar te hebben gehandeld en geeft aan spijt te voelen tegenover het slachtoffer. De

reclassering schat het recidiverisico als laag in en adviseert om verdachte geen

reclasseringstoezicht, gevangenisstraf of financiële maatregel op te leggen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en met het oog op de strafdoelen van vergelding en algemene preventie, niet met een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. De rechtbank is zich bewust van de buitengewoon ingrijpende (sociaal-maatschappelijke) gevolgen van een dergelijke onvoorwaardelijke straf voor verdachte en zijn gezin, maar zij heeft ook daarin geen aanleiding gezien te volstaan met een andere strafmodaliteit. Verdachte is met zijn auto naar een bedrijfsfeestje afgereisd en heeft daar flink gedronken. Voordat verdachte het punt had bereikt waarop hij zijn eigen handelen niet meer goed kon overzien, is er een groot aantal beslismomenten geweest waarop verdachte er bewust voor heeft gekozen om zijn drankgebruik voort te zetten, terwijl hij wist dat hij met de auto naar huis moest en niet naar alternatieven heeft gezocht. De gevolgen van zijn gedrag zijn schrijnend te noemen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat iedere andere strafsoort geen recht doet aan de ontstane situatie.

De rechtbank komt tot een oplegging van een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf is passend en geboden.

In het belang van de verkeersveiligheid zal de rechtbank verdachte overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zijn rijbevoegdheid ontzeggen voor de duur van drie jaar. Eerst na verstrijken van deze periode kan verdachte de benodigde examens afleggen ter verkrijging van een Nederlands rijbewijs.

Met deze strafoplegging wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. De reden daarvoor is dat de rechtbank een lagere mate van schuld aan verdachte bewezen acht dan de officier van justitie. De rechtbank is weliswaar net als de officier van justitie van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen, maar meent, anders dan de officier van justitie, dat dit gedrag niet grenst aan roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvoor zijn andere, bijkomende omstandigheden vereist. De rechtbank merkt daarbij op dat de juridische kwalificatie ‘roekeloosheid’ niet noodzakelijkerwijs correspondeert met de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven.

De reden dat de rechtbank in weerwil van het als laag ingeschatte recidiverisico de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden acht, is gelegen in de bedoeling om verdachte er van te weerhouden in de toekomst motorrijtuigen te besturen op de Nederlandse wegen zolang hij daarvoor geen geldig rijbewijs heeft verkregen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

-

14a, 14b, 14c, 57 van het Wetboek van Strafrecht en

-

175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mrs. Y.N.M. Rijlaarsdam en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Bertels, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juli 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 08 juli 2016 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Nedereindseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten ((deels) blijvend) hersenletsel (te weten gezichtsveld uitval en/of cognitieve stoornissen: geheugenproblemen en/of slaapproblemen en/of woordvindingsproblemen) en/of (een) gecompliceerde beenbreuk(en) en/of peesletsel aan de hand of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, bestaande dat gedrag hieruit dat verdachte:

- roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van het bewuste motorrijtuig benodigd rijbewijs,

- in vorenbedoeld motorrijtuig heeft gereden over de Nedereindseweg, komende uit de richting van de Meerndijk en gaande in de richting van Nieuwegein en/of

- ( vervolgens) is gaan en/of blijven rijden op de voor hem, verdachte, linker weghelft van voornoemde Nedereindseweg, die bestemd was voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer en/of

- ( vervolgens) toen voornoemde [slachtoffer] hem, verdachte, naderde vanuit hem, verdachte, tegengestelde richting op de voor hem, verdachte, linker weghelft, niet (tijdig) is teruggekeerd naar de voor hem, verdachte, rechter weghelft en/of

- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] met zijn, verdachtes, motorrijtuig heeft aangereden,

door welk gedrag aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan/toegebracht, terwijl hij, verdachte,

- zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven, een motorrijtuig bestuurde voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is en/of

- blijkens een onderzoek als bedoeld in artikel 8 derde lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, verkeerde in een toestand als bedoeld in dat artikel, immers was blijkens vorenbedoeld onderzoek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 2,05 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in

dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 4 aanhef en onder a juncto lid 3 aanhef en onder b Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 08 juli 2016, te Utrecht, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Nedereindseweg,

(terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank)

heeft gereden, waarbij hij over voornoemde weg van de rechter weghelft slingerde naar de linker weghelft, die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, en weer terug en/of waarbij hij, verdachte, terwijl hij op de linker weghelft is gaan rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan en/of blijven rijden, in aanrijding/botsing is gekomen met een hem, verdachte, tegemoetkomende motorvoertuig, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 08 juli 2016 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,05 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

Voetnoten

1
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 september 2016, genummerd PL0900-2016211233, opgemaakt door politie Midden-Nederland (ongenummerd). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2
een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 juli 2016 met proces-verbaalnummer PL0900-2016211233-8.
3
een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 juli 2016 met proces-verbaalnummer PL0900-2016211233-5.
4
een proces-verbaal van aanrijding misdrijf van verbalisant [verbalisant 4] van 13 september 2016 met proces-verbaalnummer PL0900-2016211233-1.
5
de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2017.
6
een proces-verbaal van uitkijken videofilm van verbalisant [verbalisant 2] van 9 juli 2016, met bijlagen, genummerd pagina 1 tot 10.
7
de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2017.
8
een geschrift, te weten een aanvraagformulier ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed, d.d. 8 juli 2016.
9
een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 19 juli 2016.
10
een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 14 juli 2016 met proces-verbaalnummer PL0900-2016211233-19.
11
een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van L.T.H. Smeenk, huisarts, d.d. 24 januari 2017.