ECLI:NL:RBNHO:2016:11428 Rechtbank Noord-Holland , 21-07-2016 / 228946

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/228946 / HA ZA 15-466

Vonnis van 21 juni 2017 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.J. KOMEN EN ZONEN BEHEER HEERHUGOWAARD B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres,

advocaat mr. B.J.H. Kesnich te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. rechtspersoon naar Belgisch recht ALLIANZ BENELUX N.V.,

tevens h.o.d.n. ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING,

gevestigd te Rotterdam,

3. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Komen en de verzekeraars genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 2 november 2016

-

het proces-verbaal van comparitie van 7 juni 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Komen is eigenaar van een winkelpand aan de Beertsterweg in Winschoten. Huurder van dat pand is Ahold. Op 19 augustus 2013 is het dak van het winkelpand gedeeltelijk ingestort. Op die dag had het hard en langdurig geregend.

2.2.

Komen heeft door tussenkomst van makelaar AON een Nederlandse Beurspolis voor Uitgebreide Gevaren gesloten. HDI-Gerling is daarin leidend verzekeraar met een aandeel van 18% en Allianz en Delta Lloyd hebben een aandeel van 15% in de verzekering. Op de verzekering zijn de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Uitgebreide Gevarenverzekering (NBUG 2006, hierna: “NBUG”) van toepassing.

2.3.

Komen heeft A. Harder BV Adviesbureau voor draagconstructies ingeschakeld om de oorzaak van het bezwijken van het dak te onderzoeken. Dat bureau heeft een statische berekening gemaakt van de bestaande dakconstructie van het winkelpand.

Conclusie uit die statische berekening:

“De intacte en niet anderszins overbelaste dakconstructie was in staat de belasting door wateraccumulatie op te nemen.” (pag. 4)

Gebleken is echter dat er ten behoeve van airco-apparatuur twee sparingen in het dak zijn aangebracht, in het rapport schematisch weergegeven:

“een doorsnede getekend waarin is aangegeven welk deel van de plaat verwijderd is.”

De deskundige heeft dat gegeven ook meegenomen in het onderzoek en komt dan tot de volgende conclusie:

“De oorzaak van het bezwijken is naar mijn mening een verzwakking van de dakplaten door de sparingen die in de dakplaten zijn gezaagd zonder dat er een raveelconstructie is aangebracht. Hierbij moet bedacht worden dat op de verzwakte platen ook nog de belasting uit de airco units aanwezig was. Het wegnemen van meer dan een plaatbreedte uit de doorsnede heeft in de naast de sparing gelegen dakplaten geleid tot een concentratie van spanningen en het toenemen van de doorbuiging waardoor nog meer hemelwater is gaan toestromen met als gevolg meer doorbuiging en hogere spanningen waardoor uiteindelijk de momentcapaciteit van de plaatdoorsnede is overschreden en bezwijken is opgetreden. Aan weerszijden van de sparing is een deel van het dak meegetrokken. De naastgelegen platen waren immers door de hoge waterstand ook al maximaal belast, al is het gezien de grote lokale verzwakking van het dak door de in de platen gezaagde sparingen zeer de vraag of de waterstand de dakrandhoogte benaderd heeft.”

2.4.

Adviesbureau ir. J.G. Hageman BV heeft op verzoek van de verzekeraars ook onderzoek gedaan naar de oorzaak van de gedeeltelijke dakinstorting.

In de onderzoeksresultaten wordt onder meer het volgende vermeld:

(opmerking rechtbank: met “wateropvoerende capaciteit” wordt de waterstand bedoeld, die een constructie kan weerstaan.)

“4.2 Wateropvoerende capaciteit dakplaten en de reguliere situatie

(…)

De dakconstructie is in staat om de waterstand op te voeren tot boven de dakrand.

4.3

Wateropvoerende capaciteit dakplaten nabij sparingen

(…)

Uit de wateraccumulatieberekening blijkt, dat het maximaal opneembare moment in het veld van de dakplaten naast de sparingen bij een berging van circa 1,4 m3 water wordt overschreden. Bij een geborgen hoeveelheid water van 1,4 m3, is de maximale waterstand op het dakvlak (ter plaatse van de gevel op as 8) gelijk aan ca. 155 mm. Deze waterstand is lager dan de hoogte van de dakrand. Na het bereiken van het maximaal opneembare moment in de dakplaten zal de constructie plastisch vervormen en zal het accumulatieproces zich sneller voortzetten ten gevolge van het verlies van stijfheid door de plastische vervorming. De dakconstructie zal uiteindelijk bezwijken.

(…)

6. Verklaring van de schade

(…)

“In hoofdstuk 4 zijn berekeningen beschreven, waar het fysische gedrag van de constructie bij een belasting door regenwater is beschouwd. Hierbij is gekeken naar het accumuleren van regenwater. Uit de berekeningen blijkt, dat de dakconstructie niet specifiek gevoelig is voor wateraccumulatie. De sterkte van de stalen dakplaten is bepalend voor de wateropvoerende capaciteit. Uit de berekening, waarbij geen rekening is gehouden met de aanwezige sparingen in het dakvlak ten behoeve van de airco-units, volgt dat de dakconstructie in staat zou moeten zijn om het regenwater over de dakrand af te voeren.

In het bezweken dakgedeelte zijn twee sparingen ten behoeve van de airco-units in de dakplaten aanwezig. Deze sparingen hebben een breedte van circa 1,0 m en een lengte van circa 0,5 m. Bij de sparingen in de dakplaten zijn geen aanvullende versterkende constructies aangebracht. Vanwege het ontbreken van versterkingen zullen de dakplaten over de breedte van de aanwezige sparingen niet in staat zijn de belasting direct af te dragen op de dakliggers. De belasting op deze dakplaten zal naar de naast gelegen dakplaten worden afgedragen. Ook voor de platen naast de sparingen is een wateraccumulatieberekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat de dakplaten naast de dakplaten met sparingen ten gevolge van de belastingafdracht uit de onderbroken dakplaten, onvoldoende wateropvoerende capaciteit hebben om het regenwater over de dakrand af te voeren. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de gedeeltelijke dakinstorting. Het bezwijken van de dakconstructie zal zich hierbij hebben ontwikkeld door het ontstaan van plastische vervormingen ter plaatse van de ribben in de dakplaten.

(…)

7. Samenvatting en conclusies

(…)

Indien de sparingen in het bezweken dakgedeelte niet aanwezig zouden zijn of de effecten met deugdelijke constructieve maatregelen waren ondervangen, dan zou de dakconstructie wel in staat zijn geweest om het water over de dakrand af te voeren.”

2.5.

Brands Bouw- en Onderhoud Groningen BV (hierna: Brands) heeft herstelwerkzaamheden verricht aan het winkelpand. De kosten daarvan heeft Brands aan Komen in rekening gebracht. Het totaal gefactureerde bedrag is € 213.102,67. Komen heeft daarvan een bedrag van € 140.000,- voldaan, maar geweigerd het restant van € 73.102,67 te voldoen. Nadien is een creditfactuur door Brands verzonden voor een bedrag van € 3.265,14.In een procedure bij deze rechtbank (de hoofdzaak) is Komen bij vonnis van 13 april 2016 veroordeeld om aan hoofdsom een bedrag van € 69.837,53 aan Brands te voldoen. Daarnaast werd Komen onder meer veroordeeld om de wettelijke handelsrente tot 13 april 2016 te voldoen (€ 379,59), alsmede de buitengerechtelijke kosten (€ 1.473,38) en de proceskosten (€ 4.204,52).De onderhavige procedure is de vrijwaringszaak.

2.6.

AON heeft als verzekeringsmakelaar aan Komen laten weten dat de verzekeraars zich op het standpunt stellen dat de polis geen dekking biedt omdat het dak is bezweken door een constructiefout.

3 De vordering

3.1.

Komen vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gelijktijdig met het te wijzen vonnis in hoofdzaak:

  1. HDI-Gerling veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan Komen te betalen datgene waartoe Komen als gedaagde in hoofdzaak jegens Brands mocht worden veroordeeld, voor het percentage van dit bedrag waarvoor HDI-Gerling in de co-assurantie is betrokken;

  2. HDI-Gerling veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Komen het percentage van € 140.000,- te betalen waarvoor HDI-Gerling in de co-assurantie is betrokken, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

  3. Allianz veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het ten dezen te wijzen vonnis, aan Komen te betalen datgene waartoe Komen als gedaagde in hoofdzaak jegens Brands mocht worden veroordeeld, voor het percentage van dit bedrag waarvoor Allianz in de co-assurantie is betrokken;

  4. Allianz veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Komen het percentage van € 140.000,- te betalen waarvoor Allianz in de co-assurantie is betrokken, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede Justitie vermeent te behoren;

  5. Delta Lloyd veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan Komen te betalen datgene waartoe Komen als gedaagde in hoofdzaak jegens Brands mocht worden veroordeeld, voor het percentage van dit bedrag waarvoor Delta Lloyd in de co-assurantie is betrokken;

  6. Delta Lloyd veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Komen het percentage van € 140.000,- te betalen waarvoor Delta Lloyd in de co-assurantie is betrokken, althans een zodanig bedrag als uw Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

  7. Gedaagden veroordeelt om binnen 8 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis de nakosten te betalen en - voor het geval de nakosten niet binnen de gestelde termijn voor voldoening plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekening vanaf genoemde termijn voor voldoening;

  8. Gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

Komen legt aan deze vorderingen ten grondslag dat de huurder sparingen in het dak heeft aangebracht als gevolg waarvan het dak is ingestort. De verzekering biedt daarvoor dekking. Daarom dienen verzekeraars de schade aan Komen te vergoeden.

3.3.

De verzekeraars hebben verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Als meest verstrekkend verweer hebben de verzekeraars zich op het standpunt gesteld dat het winkelpand in Winschoten geen verzekerd gebouw betreft in de zin van de polis, gelet op de Lijst van Lokaties, die bij de polis behoort. Op die lijst staat namelijk vermeld dat de verzekerde locatie zich op het adres Beertsterweg 2 bevindt, terwijl het winkelpand als adres Beertsterweg 1D heeft.

Dat verweer wordt verworpen. Vast staat dat het hier om een winkelpand gaat en dat Komen dat via zijn makelaar ook als zodanig aan de verzekeraars heeft opgegeven. Ingevolge artikel 5.2 van de NBUG worden de verzekeraars geacht bekend te zijn met de ligging van het verzekerde object. Ter zitting konden de verzekeraars ook niet aangeven, op welk object de door Komen betaalde jaarpremie van € 3.419,82 dan betrekking zou moeten hebben gehad, indien het niet om dit pand van Komen ging.

De rechtbank is van oordeel dat het hier om een kennelijke verschrijving gaat. Het feit dat Komen dat desgevraagd niet eerder aan de verzekeraars heeft meegedeeld kan daar niet aan afdoen; het gaat hier immers om een kennelijke verschrijving.

4.2.

Ten tweede hebben de verzekeraars aangevoerd dat Komen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hier gaat om een verzekerd evenement. Komen heeft in de dagvaarding niet toegelicht waarom sprake zou zijn van een “gebeurtenis” in de zin van de polis, aldus de verzekeraars.

4.3.

In artikel 2 NBUG wordt de dekking van de polis omschreven.

Artikel 2.1 luidt als volgt:

“Verzekerd wordt het zakelijk belang tegen schade indien en voor zover de schade het gevolg is van een gebeurtenis waarvan voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit voor verzekerde schade was ontstaan dan wel nog zou ontstaan.

Onder schade wordt verstaan:

schade aan of verlies van de op het polisblad genoemde verzekerde gevaarsobjecten die is veroorzaakt door de in dit artikel genoemde gevaren/gebeurtenissen, ongeacht of deze gevaren/gebeurtenissen zijn veroorzaakt door de aard of een gebrek van de verzekerde gevaarsobjecten.”

Om te bepalen of er sprake is van een gedekte schade in de zin van deze polisbepaling, dient te worden vastgesteld welke “gebeurtenis” die schade heeft veroorzaakt. Daartoe is weer van belang wat de oorzaak is van de schade.

4.4.

Hiervoor zijn in dit vonnis onder 2.3 en 2.4 relevante onderdelen weergegeven van rapportages, die zijn opgesteld door onderzoekers, die door partijen zijn ingeschakeld. Harder door Komen en Hageman door de verzekeraars. De conclusies van deze deskundigen komen overeen en komen neer op het volgende.

Als er geen sparingen in het dak zouden zijn aangebracht, dan was de dakconstructie voldoende om overvloedige regenval te kunnen weerstaan. In dat geval zou het – iets op afschot aangelegde – dak zover zijn volgelopen, dat het waterniveau tot de rand van de laagst gelegen dakrand zou zijn gestegen. De constructie was zodanig, dat het water vervolgens over de dakrand zou stromen, zonder gevolgen voor het dak.

Nu er sparingen waren aangebracht in het dak, had dat effect op het dragend vermogen van het dak, vooral van de dakplaten rond de aangebrachte sparingen. Uit de berekeningen in beide rapportages wordt duidelijk dat het dak al zou bezwijken, voordat het water het niveau van de dakrand had bereikt. Dat is feitelijk ook gebeurd.

De oorzaak van het bezwijken van het dak is dus het aanbrengen van de sparingen in het dak. Dat komt ook overeen met het standpunt van Komen, zoals ter zitting toegelicht.

4.5.

Het aanbrengen van sparingen in het dak is echter geen gebeurtenis, die wordt beschreven in de artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.25 van de NBUG, ook niet als de inhoud van die bepalingen ruim zou worden uitgelegd. Het standpunt van de verzekeraars is dus juist en dat betekent dat de verzekering geen dekking biedt voor de door Komen gestelde schade. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.6.

Wat partijen over en weer nog meer naar voren hebben gebracht, kan gelet op dit oordeel verder onbesproken blijven.

4.7.

Komen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de verzekeraars worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,-

-salaris advocaat € 1.788,- (2 punten × tarief € 894,-)

Totaal € 3.697,-.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Komen in de proceskosten, aan de zijde van de verzekeraars tot op heden begroot op € 3.697,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt Komen in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Komen niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.1

Voetnoten

1
LJS/ST