ECLI:NL:RBNHO:2017:3587 Rechtbank Noord-Holland , 24-04-2017 / 16/3572

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/3572

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2017 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder (gemachtigde: mr. A. van Fulpen).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam] B.V. (vergunninghouder) een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor het verplaatsen van een lichtreclame van de achtergevel naar de voorgevel op de locatie [adres] .

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2017.

Eiser en verweerder hebben zich elk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 990,00.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend en dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.

2. In artikel 6:7, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de termijn met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt aanvangt.

In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen geschied, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), is bepaald dat het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis geeft van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.

In artikel 3.9, eerste lid en onder a, van de Wabo, is bepaald dat het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning beslist binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

3.1.

De rechtbank gaat ervan uit dat het primaire besluit op 4 maart 2016 is verzonden aan vergunninghouder en dat dit besluit daarmee op die dag overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, is de bezwaartermijn derhalve op 5 maart 2016 aangevangen. De laatste dag van de bezwaartermijn was 15 april 2016. Het bezwaarschrift, met dagtekening 18 april 2016 en op dezelfde dag door verweerder ontvangen, is, gelet op artikel 6:7 van de Awb, niet tijdig ingediend.

3.2.

De rechtbank moet beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3.3.

In de kennisgeving van verlening van de omgevingsvergunning staan, voor zover van belang, de volgende passages:

“Verleende omgevingsvergunning, (…), het verplaatsen van een lichtreclame van de achtergevel naar de voorgevel, 08-03-2016, zaak 309061 (verleend op 04-03-2016).

Bezwaar

Als u belanghebbende bent bij het besluit, kunt u binnen zes weken na de dag van bekendmaking daarvan een bezwaarschrift indienen bij (…).”

3.4.

In de kennisgeving is geen datum van bekendmaking opgenomen. De verlening van de vergunning is gepubliceerd op 8 maart 2016. De mededeling in de publicatie wekt door haar bewoordingen de indruk dat de bezwaartermijn liep van 9 maart 2016 tot en met 19 april 2016. Er is dientengevolge sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4631.

3.5

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten wegens het mogelijk ontbreken van belanghebbendheid aan de zijde van eiser bij het primaire besluit, omdat daarvoor een feitelijke beoordeling nodig is waarvoor in het dossier onvoldoende informatie voorhanden is.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank heeft verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep veroordeeld en op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1), zijnde de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand .

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.