ECLI:NL:RBNHO:2017:3770 Rechtbank Noord-Holland , 03-05-2017 / AWB - 17 _ 1684

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/1684

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] e.a. (zie de bijlage bij deze uitspraak), te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: mr. A.R. Klijn).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het “Aanwijzings- en uitvoeringsbesluit parkeerbelastingen 2017” vastgesteld.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Enkele van verzoekers zijn verschenen, namens wie [verzoeker] het woord heeft gevoerd, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N.B. Speksnijder, G. Koolen, N. Rood, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder - op grond van de artikelen 2 en 9 van de Verordening Parkeerbelastingen 2017 (hierna: de Verordening) en onder intrekking van het “Aanwijzings- en uitvoeringsbesluit parkeerbelastingen 2016-2017” - het “Aanwijzings- en uitvoeringsbesluit parkeerbelastingen 2017” (hierna: het Aanwijzingsbesluit) vastgesteld, dat in werking is getreden op 3 april 2017. In onderdeel A5 van dit besluit is - voor zover hier relevant - bepaald dat parkeren op de vermelde dagen en tijdstippen op het [straatnaam] , aan de noordzijde van de kerk tussen de [straatnaam] en [straatnaam] [nummer] , slechts is toegestaan tegen betaling van parkeerbelasting, onder maximale betaling en telkens voor een half uur parkeertijd.

3. Verzoekers zijn omwonenden van het [straatnaam] en ondernemers die aan of in de directe nabijheid van het [straatnaam] zijn gevestigd. Nu onder het ingetrokken “Aanwijzings- en uitvoeringsbesluit parkeerbelastingen 2016-2017” tevens een ander gedeelte van het [straatnaam] , namelijk aan de zuidzijde van de kerk tussen de [straatnaam] en [straatnaam] , als gebied van betaald parkeren werd aangewezen en dit onder het bestreden besluit niet langer het geval is, menen verzoekers dat uit het Aanwijzingsbesluit moet worden afgeleid dat als gevolg van dat besluit 50 van de bestaande 60 betaald parkeerplaatsen aan het [straatnaam] worden opgeheven. Zij kunnen zich daarmee niet verenigen. De ondernemers vrezen vooral voor omzetderving als gevolg van het verdwijnen van de betreffende parkeerplaatsen en stellen dat hun bedrijf als gevolg hiervan minder goed bereikbaar wordt en dat zij daarom klanten verliezen. De omwonenden stellen dat zij veel parkeeroverlast ervaren van bezoekers die zonder vergunning parkeren in de vergunningenzone of op andere wijze fout parkeren en dat daar te weinig op wordt gecontroleerd. De parkeerdruk en -overlast die al bestond wordt volgens de omwonenden alleen maar groter als gevolg van het opheffen van de bedoelde 50 parkeerplaatsen. Volgens verzoekers blijkt uit het grote aantal bezwaarmakers dat er geen maatschappelijk draagvlak is voor deze ontwikkeling. Er heeft bij de totstandkoming van het Aanwijzingsbesluit geen deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden, aldus verzoekers.

4. De in geding zijnde 50 parkeerplaatsen zijn inmiddels feitelijk opgeheven. Door het plaatsen van bloembakken, bankjes en terrassen is het fysiek niet meer mogelijk om aldaar te parkeren.

5. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen allereerst verdeeld zijn over de vraag of het Aanwijzingsbesluit kan worden aangemerkt als een appellabel besluit. Door verweerder is gesteld, onder verwijzing naar diverse rechterlijke uitspraken, dat het Aanwijzingsbesluit een algemeen verbindend voorschrift betreft, waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Samengevat is daarvoor voor verweerder redengevend dat in de Verordening zelf, namelijk in artikel 9, is bepaald dat verweerder de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling mag worden geparkeerd aanwijst. Het Aanwijzingsbesluit betreft derhalve zelfstandige normstelling door verweerder en maakt als zodanig integraal onderdeel uit van de Verordening en is daarvan een wezenlijk bestanddeel, zo stelt verweerder. In dat verband heeft verweerder er op gewezen dat het toepassingsbereik van de Verordening (het gebied waarvoor deze geldt) reeds in de Verordening zelf is neergelegd, zodat nadere concretisering in de vorm van een concretiserend besluit van algemene strekking in dit geval niet aan de orde is. Verzoekers stellen daarentegen, eveneens onder verwijzing naar diverse uitspraken, dat het Aanwijzingsbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking, omdat het Aanwijzingsbesluit de in de Verordening gegeven algemene norm naar tijd en plaats nader invult.

6.2.

Gelet op de door partijen gegeven toelichting, en met name de door verweerder aangehaalde jurisprudentie, lijkt het er voorshands op dat sprake is van een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen bezwaar mogelijk is. Een definitief oordeel hierover acht de voorzieningenrechter thans echter niet wenselijk. Het gaat hier immers om de beantwoording van een vraag van principiële aard en daarvoor leent zich in beginsel niet een procedure in het kader van een voorlopige voorziening. Dat geldt te meer nu de onderliggende procedure een bezwaarprocedure betreft. In dat stadium is het primair aan partijen om in het kader van de bezwaarprocedure het debat hierover te voeren.

7. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat er gerede twijfel bestaat over de vraag of het opheffen van de in geding zijnde 50 betaald parkeerplaatsen aan het [straatnaam] als een (rechts)gevolg van het bestreden Aanwijzingsbesluit kan worden aangemerkt. Het Aanwijzingsbesluit betreft immers uitsluitend de (plaats, tijdstip en wijze van) heffing van parkeerbelasting en bepaalt enkel dat (nog slechts) voor een deel van het [straatnaam] parkeerbelasting dient te worden betaald. Of het feitelijk niet langer beschikbaar stellen van 50 betaald parkeerplaatsen op het [straatnaam] ook als een gevolg van het Aanwijzingsbesluit kan en moet worden beschouwd, zal in de bezwaarprocedure nader moeten worden onderzocht.

8. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de aan de zijde van verzoekers aanwezige belangen niet zodanig zwaarwegend zijn dat de beslissing op bezwaar, die zoals ter zitting door verweerder is gesteld over ongeveer zes weken kan worden verwacht, niet zou kunnen worden afgewacht. Een financieel belang levert volgens vaste jurisprudentie op zichzelf genomen geen spoedeisend belang op dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu bij gebleken onrechtmatige besluitvorming zo nodig compensatie achteraf kan plaatsvinden. Daarbij komt dat de omvang van de gestelde omzetderving niet concreet is onderbouwd. Evenmin is voorshands vast komen te staan dat deze omzetderving overwegend het gevolg is van het opheffen van de 50 parkeerplaatsen aan het [straatnaam] . De gestelde toename van de parkeerdruk- en overlast betreft voorts vooral een handhavingskwestie en kan aldus in deze procedure niet leiden tot het aannemen van een spoedeisend belang op grond waarvan een voorlopige voorziening zou moeten worden getroffen.

9. Onder voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.