ECLI:NL:RBNHO:2017:4791 Rechtbank Noord-Holland , 14-06-2017 / AWB - 17 _ 1744

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/1744 en HAA 17/2169

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juni 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.E. Bosman),

en

De voorzitter van het College van Bestuur van de Stichting Zaan Primair, verweerder

(gemachtigde: mr. V. Kellenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdelijke dienstverband van verzoeker tussentijds beëindigd per 1 januari 2017.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 21 april 2017

(het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [naam 1] en de gemachtigde, mr. Kellenaar.

Omdat partijen te kennen gaven dat zij, alvorens de voorzieningenrechter uitspraak zal doen, in onderling overleg wilden proberen tot een vergelijk te komen, heeft de voorzieningenrechter de behandeling ter zitting geschorst.

Bij brieven van 24 en 26 mei 2017 hebben partijen de voorzieningenrechter onder meer bericht dat zij geen overeenstemming bereikt hebben. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd uitspraak te doen.

Overwegingen

1.1.

Verweerder heeft in de brief van 24 mei 2017, derhalve ruim na de behandeling ter zitting, erop gewezen dat verzoeker in [woonplaats] woont zodat, gelet op het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet de rechtbank Noord-Holland, maar de rechtbank Gelderland bevoegd is om in eerste aanleg over het geschil te oordelen.

1.2.

Dit betoog is juist. De voorzieningenrechter zal echter, om redenen van proces-economie en gelet op het belang van verzoeker bij een spoedige uitspraak, de zaken niet verwijzen naar de rechtbank Gelderland, maar zelf uitspraak te doen. Partijen hebben desgevraagd schriftelijk te kennen gegeven dat zij zich daar in kunnen vinden.

De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat partijen niet worden benadeeld door het enkele feit dat een onbevoegde rechtbank uitspraak doet.

1.3.

De voorzieningenrechter is tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

De voorzieningenrechter gaat uit van het volgende.

2.1.

Verzoeker is sinds 17 augustus 2015 in dienst van verweerder. Hij is toen aangesteld voor bepaalde tijd, met ingang van 17 augustus 2015 tot en met 16 augustus 2016. Het betreft een proeftijdelijke aanstelling als Teamleider [naam 3] . Deze aanstelling is aan het einde daarvan niet omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd, maar bij besluit van 24 juli 2016 verlengd voor bepaalde tijd, met ingang van 17 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2017. In een aan verzoeker verzonden emailbericht van 22 juni 2016 is toegelicht waarom tot deze verlenging van de tijdelijke aanstelling is besloten. Verzoeker heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

2.2.

Begin 2016 is binnen de afdeling [naam 3] , waar verzoeker leiding aan gaf, een escalatie ontstaan die heeft geleid tot ongenoegen en ziekmeldingen. Verweerder heeft door [naam 4] Consult onderzoek laten doen. Door dat bureau zijn in februari 2016 aanbevelingen gedaan, neergelegd in een onderzoeksverslag.

2.3.

In juni 2016 achtte verweerder het functioneren van verzoeker onvoldoende qua kennis, vaardigheden, houding en resultaten. Verweerder heeft toen besloten de aanstelling bij wijze van proef voor bepaalde tijd te verlengen, omdat verzoeker wegens arbeidsongeschiktheid enige tijd afwezig was geweest en daardoor een deel van de verbeteractiviteiten moesten worden uitgesteld.

2.4.

In de periode juni 2016 tot 17 augustus 2016 hebben verschillende gesprekken tussen de voorzitter van het College van Bestuur (CvB )en verzoeker plaatsgevonden. Daarbij is onder meer de zorg voor een evenwichtige samenwerking tussen de verschillende medewerkers binnen het [naam 3] team aan de orde geweest. Verzoeker is door de voorzitter aangesproken over het in positie zetten van de senior systeem- en netwerkbeheerder. Verzoeker is in die gesprekken meegegeven dat hij onvoldoende oog heeft voor processen en werkverdeling die binnen een afdeling spelen en de wijze waarop hij communiceert en overkomt.

2.5.

Naar aanleiding van de escalatie begin 2016 en in verband met de reeds langer bestaande problemen binnen het team is een teamontwikkelingstraject in gang gezet. Er zijn ook twee tijdelijke uitzendkrachten aan het team toegevoegd. Aan verzoeker is ondersteuning geboden, er is een coach toegewezen om hem te ondersteunen in zijn ontwikkeling.

2.6.

Verzoeker heeft na een periode van arbeidsongeschiktheid na de zomervakantie 2016 zijn werkzaamheden weer gedeeltelijk opgepakt. In oktober 2016 is hij weer volledig aan het werk gegaan.

2.7.

Verweerder heeft bij brief van 28 november 2016 verzoeker laten weten dat hij voornemens is het dienstverband tussentijds te beëindigen en het verbetertraject niet te vervolgen. Verweerder ziet daartoe aanleiding in verzoekers gedrag na zijn werkhervatting. Verweerder noemt in zijn brief vier punten. Het gaat om het, zonder de bestuursvoorzitter daarin te kennen, de afdeling P&O de opdracht gegeven om aan één van zijn medewerkers 320 niet opgenomen verlofuren uit te betalen, verzoekers bereidheid om een declaratie te vergoeden van dezelfde medewerker voor een door hem zonder betaalbewijs en contant aangeschafte mobiele telefoon, en de poging om, in afwijking van het advies van de teamleider P&O, dezelfde medewerker een toelage toe te kennen waarvan de omvang in strijd is met het geldende beloningsbeleid van Zaan Primair. Ook beklagen verschillende medewerkers zich nog steeds over verzoekers wijze van leiding geven. Zij voelen zich hier onplezierig bij en dit leidt tot ziekmeldingen. Volgens verweerder is verzoeker niet te handhaven binnen de organisatie omdat hij geen boodschap heeft aan de spelregels die de organisatie hanteert. Als zijn handelen bij toeval wordt ontdekt en verzoeker daarop wordt aangesproken, probeert hij zich voor zijn onjuiste beslissingen te verschuilen achter andere functionarissen. Verweerder verwijt verzoeker ook dat hij een willekeurig beleid voert waarbij hij één medewerker een voorkeursbehandeling geeft.

2.8.

Deze kwesties zijn in een gesprek op 21 november 2016 aan verzoeker voorgelegd.

Volgens verweerder geeft verzoeker in dat gesprek aan niet in te zien wat hij fout heeft gedaan. Verweerder heeft ook daarom geen vertrouwen meer in verzoeker en acht hem in ernstige mate ongeschikt voor zijn functie. In een vervolggesprek op 25 november 2016 heeft verweerder daarom aangegeven dat verzoekers opstelling, waarin o.a. enige zelfreflectie ontbreekt, verweerder elk vertrouwen in verzoekers functioneren heeft ontnomen.

De besluitvorming

3.1.

Bij het primaire besluit van 21 december 2016 heeft verweerder, nadat verzoeker schriftelijk zijn zienswijze had gegeven, besloten verzoekers dienstverband met ingang van 1 januari 2017 tussentijds te beëindigen. Primair wegens ongeschiktheid voor de functie, subsidiair wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. In dat besluit is verweerder gemotiveerd ingegaan op verzoekers zienswijze.

3.2.

Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft afgezien van een hoorzitting. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers bezwaren ongegrond verklaard. In beroep bestrijdt verzoeker dat hij verwijtbaar of onjuist heeft gehandeld.

Hij wijst er op dat binnen het team onder zijn leiding al verbetering was opgetreden en dat aan verdere verbetering hard werd gewerkt. Hij bestrijdt dat er nog steeds ernstige onvrede over zijn wijze van leidinggeven bestond, in elk geval was hij hier niet mee bekend.

Voor wat betreft de uitbetaling van de overuren, de telefoon en de toelage, stelt verzoeker dat hij is afgegaan op informatie van de daartoe bevoegde collega’s. Verzoeker stelt dat hij steeds binnen zijn mandaat is gebleven.

Beoordeling

4.1.

Uit de bepalingen 3.3. en 4.8. van de Cao Primair Onderwijs (de Cao) volgt dat verweerder bij een tussentijds ontslag in de proeftijd moet kiezen uit één van de gronden van artikel 4.8. van de Cao. Verweerder heeft het onderhavige ontslag primair gebaseerd op artikel 4.8. onder g., subsidiair artikel 4.8. onder k. van de Cao. Dit ontslag moet worden beoordeeld in het licht van de proeftijdsituatie.

4.2.

Voor de primaire ontslaggrond geldt dat bij een tussentijds ontslag uit een tijdelijke proeftijdaanstelling wegens ongeschiktheid voor de functie de rechterlijke toetsing beperkt is tot de vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van de ambtenaar aannemelijk is gemaakt en de ambtenaar een reële kans heeft gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 21 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2821 en 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:532.

4.3.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn formele bezwaren, zoals die tegen de gang van zaken rond de bekendmaking van het rapport van [naam 4] Consult en verweerders verwijzing naar verslagen die geen formele beoordeling of door verzoeker getekende verslagen van functioneringsgesprekken zijn. Dat geen sprake is van een dergelijke formele vaststelling staat er niet aan in de weg dat verweerder zich op dergelijke verslagen kan beroepen. Voorts is de voorzieningenrechter niet gebleken dat partijen in belangrijke mate van mening verschillen over de bevindingen en aanbevelingen van [naam 4] Consult. De voorzieningenrechter ziet voorts in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd op een onvolledig of onzorgvuldig onderzoek. Verzoeker is ook telkens in de gelegenheid geweest zijn standpunten toe te lichten en te verdedigen.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt het dossier ruim voldoende gegevens om de gestelde tekortkomingen in verzoekers functioneren aannemelijk te achten. Vooropgesteld moet worden dat verzoeker als leidinggevende op een afdeling is geplaatst die al langere tijd diverse organisatorische problemen en spanningen in de collegiale verhoudingen kende. Het ontstaan van die problemen is hem niet aan te rekenen, verweerder doet dat ook niet. Verzoeker kan daarentegen wel worden aangerekend dat hij er niet in is geslaagd in deze situatie een relevante en blijvende verbetering te bewerkstelligen, ondanks de intensieve begeleiding van het team en de coaching van verzoeker.

4.5.

Ook uit de wijze waarop verzoeker is omgegaan met de verlof- en overuren van een medewerker, diens declaratie van de aanschaf van een mobiele telefoon zonder aanschafbewijs, en de aan die medewerker toe te kennen toelage, komt naar voren dat verzoeker niet geschikt is voor de hem opgedragen functie. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat gemaakte overuren gecompenseerd of uitbetaald moeten worden.

Verzoeker gaat er echter aan voorbij dat hij heeft geaccordeerd dat één medewerker buitensporig veel overwerk heeft verricht. Verzoeker heeft, in een situatie waarin ter versterking van zijn team extra mensen waren ingehuurd, geen ruggenspraak gehouden over de overuren of daar anderszins openheid in betracht. Verzoeker heeft daarmee weinig blijk van begrip gegeven voor de regels, formeel en informeel, die binnen verweerders organisatie gelden. Voor zover verzoeker meende dat het voor het functioneren van zijn afdeling en het verwerken van alle opdrachten nodig was dat door de betrokken medewerker zoveel overuren gemaakt werden, had hij dat aan de orde moeten stellen in de gesprekken met de voorzitter. Juist ook omdat die gesprekken gingen over het functioneren van de afdeling en verbetering van de situatie waarin de afdeling zich bevond. Dat heeft verzoeker nagelaten. Het overwerk is eerst aan het licht gekomen door de declaratie van de medewerker. Dat, zoals verzoeker stelt, de met het overwerk gemoeide extra kosten binnen het beslismandaat van verzoeker zouden blijven, is daarbij niet van belang.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat hij zich ten aanzien van de declaratie van de aanschaf van een mobiele telefoon en de toekenning van een toelage heeft verlaten op door ter zake deskundige collega’s gegeven adviezen of aanwijzingen. Dat verzoeker over deze kwesties advies heeft ingewonnen en dienovereenkomstig heeft gehandeld, vindt geen steun in de stukken.

De voorzieningenrechter onderschrijft wat verweerder in reactie op verzoekers zienswijze over dit onderwerp in het primaire besluit heeft overwogen. Door verzoekers handelen heeft ook de indruk kunnen ontstaan dat hij de betreffende medewerker een voorkeursbehandeling gaf.

4.7

Het dossier biedt voorts voldoende grond voor verweerders vaststelling dat verzoeker, als hij op zijn feilen wordt aangesproken, zich voor zijn onjuiste beslissingen tracht te verschuilen achter anderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag verweerder van een teamleider op het niveau van verzoeker, een andere reactie verwachten. Anders dan verweerder stelt, aanvaardt verzoeker, zoals de voorzieningenrechter ter zitting ook is gebleken, wel de verantwoordelijkheid voor zijn beslissingen. Verzoeker heeft daarbij echter (te) weinig oog voor zijn positie binnen verweerders organisatie en geeft er weinig blijk van het onjuiste van zijn opstelling en handelen te doorzien. Verweerder heeft daardoor – begrijpelijkerwijs – het vertrouwen in verzoeker verloren, waarmee ook voortzetting van het verbetertraject zinledig is geworden.

4.8.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van verzoeker dat hij niet bekend was met de voortdurende onvrede over zijn wijze van leidinggevende. Vastgesteld kan worden dat ook nadat dit in juli 2016 bij de verlenging van de aanstelling aan de orde is geweest, die onvrede ten tijde van het ontslagvoornemen nog bestond.

4.9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt. Voorts kan worden vastgesteld dat gedurende de gehele tijd van zijn aanstelling met verzoeker voldoende gecommuniceerd is over de problemen binnen de afdeling waaraan hij leiding moest geven en over zijn persoonlijke functioneren daarin. Daarbij is hem ook adequate ondersteuning en begeleiding geboden. Verzoeker heeft een reële kans gekregen zich waar te maken, maar geconcludeerd moet worden dat in het functioneren onvoldoende verbetering is gekomen.

4.10.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om de tijdelijke aanstelling tussentijds te beëindigen wegens ongeschiktheid voor de functie.

4.11.

Nu de primaire ontslaggrond standhoudt, laat de voorzieningenrechter bespreking van de subsidiaire ontslaggrond achterwege.

5.1.

Het beroep is ongegrond.

5.2.

Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

5.3.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.