ECLI:NL:RBNHO:2017:4817 Rechtbank Noord-Holland , 26-04-2017 / 5381432 CV EXPL 16-7617

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5381432 / CV EXPL 16-7617 (SK)

Uitspraakdatum: 26 april 2017

Vonnis in de zaak van:


[opposant]

wonende te [woonplaats]

opposant

hierna te noemen: [Opposant]

gemachtigde: mr. Chr. F. Kroes

tegen

de stichting Woningstichting Van Alckmaer voor Wonen

gevestigd te Alkmaar

geopposeerde

verder te noemen: Van Alckmaer

gemachtigde: mr. A.J. van der Veen-Janz

1 Het procesverloop

1.1.

Van Alckmaer heeft bij dagvaarding van 14 maart 2016 een vordering tegen [Opposant] ingesteld. Bij op 20 april 2016 tussen partijen uitgesproken verstekvonnis onder zaak/rolnummer: C15/240831/HA ZA 16/179 is de vordering van Van Alckmaer toegewezen.

1.2.

[Opposant] is bij dagvaarding van 30 mei 2016 in verzet gekomen tegen dit verstekvonnis en heeft tegen de vordering van Van Alkcmaer verweer gevoerd. Van Alckmaer heeft hierop schriftelijk gereageerd.

1.3.

Bij vonnis in het incident van 24 augustus 2016, onder zaak/rolnummer C/15/245369/HA ZA 16-411 is de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de sectie Kanton van deze rechtbank.

1.4.

Op 22 december 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [Opposant] op 16 december 2016 een akte met nadere producties ingediend. Na de zitting hebben Van Alckmaer en [Opposant] op 24 januari 2017 en op 21 maart 2017 nog nadere aktes ingediend.

2 De feiten

2.1.

[Opposant] is van 1 februari 1999 tot en met 31 december 2013 als statutair bestuurder in dienst geweest van Van Alckmaer. Vanaf 23 januari 2013 was [Opposant] arbeidsongeschikt. Op 10 april 2013 hebben [Opposant] en Van Alckmaer, na gerezen verschil van inzicht over de wijze waarop de werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd, overeenstemming bereikt over de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst. Deze overeenstemming is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst d.d. 11 april 2013. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:“(…)1. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst1.1. De arbeidsovereenkomst tussen Partijen zal per 31 december 2013 (de “Beëindigingsdatum”) op initiatief van Werkgever eindigen met wederzijds goedvinden.1.2. Door ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst verklaart Werkneemster jegens Werkgever per direct terug te treden als bestuurder van Werkgever. (…)(…)1.3. Voor zover Werkneemster nog ziek zou zijn voorafgaande aan de Beëindigingsdatum, zal zij zich tijdig voor Beëindigingsdatum hersteld melden. (…) Indien en zodra Werkneemster voor de Beëindigingsdatum hersteld is gemeld, zal zij zijn vrijgesteld van het verrichten van arbeid.(…)2. Financiële vergoeding bij beëindigingWerkgever zal Werkneemster wegens het door Werkneemster gederfde en/of te derven loon compenseren door betaling van een vergoeding van € 75.000,- bruto (de “Vergoeding”). De Vergoeding zal binnen 14 dagen na de Beëindigingsdatum worden uitbetaald aan Werkneemster.3. Continuering arbeidsvoorwaarden en eindafrekening3.1. Tot de Beëindigingsdatum heeft Werkneemster aanspraak op continuering van alle arbeidsvoorwaarden (waaronder de vaste representatievergoeding van € 420 bruto per maand), tenzij in deze Vaststellingsovereenkomst anders is bepaald.(…)”

2.2.

Op 8 juli 2013 heeft [Opposant] zich hersteld gemeld. Vanaf het moment van hersteld melding, is [Opposant] vrijgesteld van werkzaamheden tot en met de einddatum van het dienstverband, 31 december 2013, waarbij Van Alckmaer salaris en onkostenvergoeding aan haar heeft doorbetaald. Daarnaast heeft Van Alckmaer in verband met de beëindiging van het dienstverband aan [Opposant] een vergoeding betaald van € 75.000,- bruto.

3 Het geschil

3.1.

Van Alckmaer vordert [Opposant] te veroordelen tot betaling van € 102.584,31 te vermeerderen met de wettelijke rente en tot veroordeling van [Opposant] in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente daarover.

3.2.

Van Alckmaer legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de bezoldiging die zij aan [Opposant] heeft uitgekeerd in strijd is met artikel 1.6 lid 3 jo. artikel 2.10 lid 3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Van Alckmaer vordert hetgeen zij teveel heeft betaald op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) terug van [Opposant]. Van Alckmaer is tot terugvordering gehouden, omdat zij op haar beurt door de Inspectie Leefomgeving en Transport, Autoriteit Woningcorporaties is gesommeerd om hetgeen is betaald in strijd met de WNT van [Opposant] terug te vorderen. Voor zover [Opposant] een beroep doet op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is deze, voor zover deze voorziet in een beëindigingsvergoeding hoger dan toegestaan volgens de WNT, nietig wegens strijd met de openbare orde (art. 7:902 BW jo. art. 3:40 lid 1 BW).

3.3.

Bij verzetdagvaarding van 30 mei 2016 vordert [Opposant] het verstekvonnis te vernietigen en de vorderingen van Van Alckmaer alnog af te wijzen, met veroordeling van Van Alckmaer in de kosten van de verzetprocedure. [Opposant] voert – samengevat – het volgende aan. Van toepassing is de WNT zoals bekend gemaakt in Stb. 2012/583 (WNT 2012). [Opposant] was echter in de periode van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 niet meer aan te merken als topfunctionaris in de zin van artikel 1.1 sub 5 onder 5 WNT. [Opposant] is op 11 april 2013 teruggetreden als statutair bestuurder van Van Alckmaer en dus niet langer lid van het hoogste uitvoerende (of toezichthoudende) orgaan van Van Alckmaer. Zij was aan te merken als een “eenvoudige” werknemer met ziekteverlof. Voor zover [Opposant] moet worden aangemerkt als topfunctionaris, voert [Opposant] subsidiair aan dat de WNT, na inwerkingtreding van de Reparatiewet op 28 november 2014 (Stb. 2014/446), geen grondslag biedt voor een terugvordering op grond van onverschuldigde betaling. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is evenmin in strijd met de openbare orde, in de zin van artikel 7:902 BW, aangezien het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 WNT 2012 na inwerkingtreding van de Reparatiewet niet langer de strekking heeft de geldigheid van een daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten. Meer subsidiair voert [Opposant] aan dat Van Alckmaer heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Van Alckmaer had haar na de betermelding in de gelegenheid moeten stellen haar (aangepaste) werkzaamheden te hervatten, nu artikel 2.10 lid 3 WNT 2012 niet toelaat dat partijen het dienstverband op een later tijdstip laten eindigen dan het tijdstip waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt. Voorts heeft Van Alckmaer te lang gewacht met het instellen van een vordering op grond van de WNT. Hiermee is [Opposant] de mogelijkheid ontnomen om rechtsmiddelen in te stellen. Daarnaast acht [Opposant] het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) onaanvaardbaar dat Van Alckmaer hetgeen zij tussen 8 juli 2013 en 31 december 2013 op grond van de arbeidsovereenkomst aan [Opposant] heeft voldaan als onverschuldigd betaald, terugvordert. Uiterst subsidiair betwist [Opposant] de hoogte van het terug te vorderen bedrag en stelt zij dat zij op grond van artikel 6:204 BW redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden met terugbetaling. De beëindigings- vergoeding heeft zij aangewend om te voorzien in haar levensonderhoud. [Opposant] kan dan ook niet aan de vordering tot terugbetaling voldoen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter gaat er vanuit dat tijdig verzet is ingesteld, nu feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de zaak opnieuw zal worden beoordeeld.

4.2.

Kern van het geschil betreft de vraag of [Opposant] op grond van de WNT gehouden is een deel van de betalingen die zij ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst d.d. 11 april 2013 heeft ontvangen, als onverschuldigd terug te betalen. Tussen partijen staat vast dat Van Alckmaer is aan te merken als rechtspersoon waarop de WNT van toepassing is. [Opposant] heeft echter betwist dat zij, in de periode waarop de vordering van Van Alckmaer ziet (8 juli 2013 tot en met 31 december 2013) als topfunctionaris in de zin van de WNT aangemerkt zou moeten worden. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. [Opposant] was, ook na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, nog steeds in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst in de functie van statutair bestuurder. Dat zij feitelijk als bestuurder is teruggetreden, kan hieraan niet afdoen. Door een lange vrijstelling van werkzaamheden zouden partijen immers kunnen bereiken dat [Opposant] bij wijze van beëindigingsvergoeding meer zou ontvangen dan het op grond van de WMT geldende maximum bedrag. Dit zou leiden tot het omzeilen van de maximering van de vergoeding/bezoldiging op grond van de WMT. De uitleg van het begrip topfunctionaris zoals door [Opposant] naar voren gebracht, is dan ook strijdig met de WMT. De kantonrechter is van oordeel dat [Opposant], ondanks het feitelijk neerleggen van taken en werkzaamheden, tot aan de einddatum van het dienstverband, 31 december 2013, is aan te merken als topfunctionaris.

4.3.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor, of de aan [Opposant] verrichte betalingen (deels) zijn aan te merken als onverschuldigd in de zin van de WNT. Beide partijen gaan er in het kader van deze vraag vanuit dat (in beginsel) van toepassing is de tekst van de WNT, zoals bekend gemaakt in Stb. 2012/583 (WNT 2012). Deze wettelijke bepalingen waren van toepassing ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Artikel 1.6 lid 3 WNT, volgens de tekst van WNT 2012 bepaalt:Een beding in strijd met artikel 2.10, derde lid, of artikel 3.7, derde lid, is nietig. Bezoldigingen die zijn betaald over een periode dat de topfunctionaris zijn opgedragen taken niet meer vervult, zijn onverschuldigd betaald.Artikel 2.10 lid 3, WNT 2012 bepaalt:Partijen komen niet overeen het dienstverband op een later tijdstip te beëindigen dan het tijdstip waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt. heeft nog betoogd dat, met de inwerkingtreding van de Reparatiewet WNT, in werking getreden op 28 november 2014, artikel 1.6 lid 3 WNT is komen te vervallen. Dit kan er echter naar het oordeel van de kantonrechter niet toe leiden dat een beding in een vaststellingsovereenkomst, dat is overeengekomen voor de inwerkingtreding van de Reparatiewet WNT, niet langer nietig zou zijn. Vóór inwerkintreding van de Reparatiewet gold immers de bepaling van artikel 1.6 lid 3 WNT in samenhang met artikel 2.10 lid 3 WNT. De vraag of Van Alckmaer aan [Opposant] in de periode van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 betalingen heeft verricht, in strijd met de WNT, dient op basis van dit samenstel van wettelijke bepalingen te worden beoordeeld. Voor het stellen van prejudiciële vragen ten aanzien van dit punt, zoals door [Opposant] betoogd, ziet de kantonrechter dan ook geen aanleiding.

4.4.

[Opposant] heeft, conform de vaststellingsovereenkomst, over de periode 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 salaris ontvangen en heeft daarnaast een beëindigingsvergoeding ontvangen van € 75.000,-. Partijen hebben in strijd met artikel 2.10 lid 3 WNT (2012) het dienstverband op een later tijdstip laten eindigen dan het tijdstip waarop [Opposant] de uitoefening van haar taken heeft beëindigd. Evenals is overwogen in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 mei 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:3211, is de kantonrechter van oordeel dat, gelet op het systeem van de WNT en de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet, vaststellingsovereenkomsten waarmee wordt beoogd hogere beëindigingvergoedingen te betalen dan het vastgestelde maximum, in strijd zijn met de openbare orde (art. 7:902 BW jo. art. 3:40 lid 1 BW). Dit leidt er op grond van artikel 1.6 lid 3 WNT (2012) toe dat betalingen die over de periode van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 zijn verricht, de periode waarin [Opposant] was vrijgesteld van werkzaamheden, onverschuldigd zijn betaald. Dit betekent dat [Opposant] in beginsel gehouden is, hetgeen zij over deze periode aan (loon)betaling heeft ontvangen, aan Van Alckmaer terug te betalen.

4.5.

[Opposant] heeft voorts betoogd dat Van Alckmaer niet als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW heeft gehandeld, omdat zij [Opposant], na de hersteldmelding, niet in de gelegenheid heeft gesteld om in aangepaste werkzaamheden te hervatten. De kantonrechter stelt voorop dat onbetwist is dat beide partijen geen invulling meer wilden geven aan de arbeidsovereenkomst. Onder deze omstandigheden strekt het vereiste van goed werkgeverschap niet zover, dat Van Alckmaer [Opposant] had moeten wijzen op de mogelijke gevolgen van een vrijstelling van werkzaamheden en haar een aangepaste, tijdelijke functie had moeten aanbieden. Hierin acht de kantonrechter dan ook geen omstandigheid gelegen die maakt dat [Opposant] het door Van Alckmaer onverschuldigd betaalde loon niet hoeft terug te betalen.

4.6.

De aangevoerde omstandigheden leveren evenmin strijd op met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Uit het systeem van de WNT volgt, dat een onafhankelijk registeraccountant verplicht is melding te doen van vergoedingen, die het in de WNT bepaalde maximumbedrag overschrijden. Hierop volgt een verplichte terugbetaling van de onverschuldigd verrichte betalingen. Dat bij het aangaan van de overeenkomst onzekerheid bestond over het tijdstip waarop [Opposant] zich hersteld zou melden, is geen omstandigheid die maakt dat terugvordering van op grond van de vaststellingsovereenkomst betaalde bedragen, in strijd zou komen met de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is sprake van de situatie dat Van Alckmaer [Opposant] de mogelijkheid heeft ontzegd om de wijze van beëindiging van het dienstverband ter toetsing aan de rechter voor te leggen. [Opposant] had immers ten allen tijde de mogelijkheid om niet in te stemmen met een beëindigingsovereenkomst en het voorgenomen ontslag ter toetsing aan de rechter voor te leggen. Een beroep op artikel 6:204 BW kan haar in dit verband evenmin baten. De verplichting tot terugbetaling van hetgeen op grond van de WNT is ontvangen vloeit immers rechtstreeks en dwingend voort uit de bepalingen van artikel 1.6 lid 3 en 2.10 lid 3 WNT 2012, waarbij de omstandigheid of partijen een terugvordering al dan niet behoefden te verwachten, geen rol speelt.

4.7.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor, welk bedrag [Opposant] als onverschuldigd betaald terug moet betalen. Van Alckmaer heeft bij akte na comparitie aangevoerd dat de vordering niet ziet op sociale verzekeringspremies die niet op de beloning zijn ingehouden, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 sub f WNT. Zij stelt dat de vordering ziet op de sociale verzekeringspremies die (wel) op de beloning zijn ingehouden en verwijst daartoe naar salarisstroken over de maanden juli 2013 tot en met december 2013, de jaaropgave van 2013 en een jaarstaat 2013. Ten aanzien van de pensioenpremie stelt Van Alckmaer dat over het jaar 2016 (ktr.: kennelijk bedoelt Van Alckmaer het jaar 2013, zoals ook bovenaan het overzicht vermeld staat) ter zake van “beloningen betaalbaar op termijn” in de zin van artikel 1.1 sub e WNT, een bedrag van € 45.760,76 aan SPW is voldaan. Over de in het geding zijnde periode, 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013, bedraagt dit volgens Van Alckmaer, € 22.051,38.

4.8.

[Opposant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Ten aanzien van de terugvordering van sociale verzekeringspremies voert zij aan dat de uitleg die Van Alckmaer geeft aan artikel 1.1. sub f WNT, ertoe leidt dat wel op de beloning ingehouden sociale verzekeringspremies afzonderlijk als onverschuldigd betaald kunnen worden teruggevorderd. Dit leidt volgens [Opposant] echter tot een dubbeltelling, omdat het begrip “beloning” ziet op het brutoloon en Van Alckmaer ook dat brutoloon over de periode van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 terugvordert. De sociale verzekeringspremies maken immers onderdeel uit van het brutoloon. Daarnaast voert [Opposant] aan dat de premies, zoals opgenomen in het overzicht van de vordering, inzake “ afdracht WW, WAO, WAO dif, ZVW en WGF ww” juist betreffen de door werkgevers verschuldigde, niet op de beloning ingehouden sociale verzekeringspremies. Ter betwisting van de terugvordering inzake pensioenpremie voert [Opposant] aan dat ten onrechte ook de premies inzake WIA excedent, WIA plus en FLOW worden teruggevorderd. Deze premies zijn niet aan te merken als premie voor beloningen, betaalbaar op termijn in de zin van artikel 1.1 onder e WNT en kunnen daarom niet worden teruggevorderd op grond van de WNT. [Opposant] betwist eveneens dat de premiebetalingen voor de zogenaamde vroegpensioenregeling (VP/VPL en OVP) zien op beloningen betaalbaar op termijn. De terugvordering kan, aldus [Opposant], alleen zien op de kale pensioenpremie, die over de in het geding zijnde periode van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013, € 17.707,31 bedraagt.

4.9.

De kantonrechter oordeelt ten aanzien van de terugvordering van sociale verzekeringspremies, als volgt. In artikel 1.1 sub f WNT wordt het begrip beloning gedefinieerd als:de som van periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen, met uitzondering van belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en met uitzondering van door werkgevers wettelijk of krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde niet op de beloning ingehouden sociale verzekeringspremies.Tussen partijen is niet in geschil dat uit deze begripsbepaling volgt dat bij een onverschuldigde betaling op grond van de WNT, het brutoloon tot uitgangspunt wordt genomen. Van Alckmaer verwijst in dit verband ook naar de loonspecificaties van [Opposant] over de periode juli 2013 tot en met december 2013. Hieruit blijkt dat het bruto maandsalaris € 10.719,00 bedraagt. Dit bruto maandsalaris wordt, blijkens de specificatie van de vordering, teruggevorderd onder de post salaris: € 61.983,78. Hierin zijn de sociale verzekeringspremies opgenomen; deze premies worden immers op het brutoloon in mindering gebracht, om tot een netto-uitbetaling te komen. Voor zover Van Alckmaer naast de terugvordering van het brutoloon nog een afzonderlijke vordering heeft ingediend ter zake van op het brutoloon ingehouden sociale verzekeringspremies (de posten 6018, 6022, 6122, 6180 en 6218) zal deze vordering van in totaal € 4.433,06, dan ook worden afgewezen. Hetgeen [Opposant] hieromtrent bij wijze van verweer nog heeft aangevoerd, behoeft geen nadere bespreking.

4.10.

[Opposant] heeft gemotiveerd betwist dat het totaal aan premies dat Van Alckmaer over de in het geding zijnde periode aan SPW heeft afgedragen, voor terugvordering in aanmerking komt. De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 1.1 sub e WNT wordt het begrip bezoldiging als volgt gedefinieerd:de som van de beloning, de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en de beloningen betaalbaar op termijn (…)De kantonrechter is met [Opposant] van oordeel dat de premies ter zake van WIA excedent, WIA plus, OVP en FLOW niet zijn aan te merken als premies in verband met een pensioenvoorziening. Dit zijn immers premies ter dekking van het risico van arbeidsongeschiktheid. Een bijdrage aan een opleidingsfonds (FLOW) kan evenmin als een bijdrage voor een pensioenvoorziening worden aangemerkt. Eveneens heeft [Opposant] voldoende gemotiveerd betwist, dat de afdracht aan SPW terzake van de vroegpensioen- regeling als premie voor een pensioenvoorziening kan worden aangemerkt, nu niet zonder meer kan worden aangenomen dat deze regeling nog op [Opposant] van toepassing is. De WNT biedt voor terugvordering van deze premiebedragen dan ook geen grondslag. Dit leidt er toe dat de vordering ten aanzien van pensioen wordt toegewezen tot het bedrag van € 17.707,31.

4.11.

In zoverre is het verzet gegrond en dient het verstekvonnis te worden vernietigd, met inbegrip van de uitgesproken proceskostenveroordeling.

4.12.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, in de procedure aangespannen door Van Alckmaer, nu voor het aannemen van een eerdere verzuimdatum onvoldoende is gesteld of gebleken.

4.13.

De proceskosten komen voor rekening van [Opposant], omdat zij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld. Daarbij wordt [Opposant] ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door Van Alckmaer worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart het verzet gegrond en vernietigt het vonnis op 20 april 2016 ten aanzien van [Opposant] bij verstek gewezen, met inbegrip van de bij voorraad uitvoerbare veroordeling in de proceskosten;

Opnieuw rechtdoende:

5.2.

veroordeelt [Opposant] tot betaling aan Van Alckmaer van € 93.807,18 te vermeerderen met de wettelijke rente over vanaf 14 maart 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt [Opposant] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Van Alckmaer tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 80,80

griffierecht € 941,00

salaris gemachtigde € 1.200,00vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.4.

veroordeelt [Opposant] tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door Van Alckmaer worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter