ECLI:NL:RBNHO:2017:5228 Rechtbank Noord-Holland , 16-06-2017 / 16/4845

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: 16/4845

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2017 in de zaak tussen


[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: R. Nietzman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

[jw.sys.1.proc_jaar]/[jw.sys.1.proc_vnr]

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 26 november 2015 aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 34.794. Tegelijk met het vaststellen van de aanslag heeft verweerder een beschikking genomen waarbij belastingrente is vastgesteld op € 114.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 24 augustus 2016, de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017, alwaar zijn verschenen eiser, vergezeld van [A] , partner van eiser, en zijn gemachtigde, alsmede namens verweerder D.A. van Rijn en mr. Z.C. Hidding.

Overwegingen

Feiten

1. Bij akte van 21 juli 2006, ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op 24 juli 2006, is het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de eerste en tweede verdieping, plaatselijk bekend [b] (hierna: de bovenwoning), geleverd aan eiser. Bij akte van dezelfde data van opmaak en inschrijving is het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning met berging en tuin op de begane grond, plaatselijk bekend [c] (hierna: de benedenwoning) geleverd aan [A] .

De boven- en benedenwoningen maken respectievelijk 165/285 en 120/285 aandeel uit in de gemeenschap waartoe beide woningen behoren. Eiser en [A] hebben ten behoeve van de aankopen afzonderlijke hypothecaire geldleningen afgesloten.

2. De bovenwoning en de benedenwoning beschikken in 2013 ieder over een eigen aansluiting op de nutsvoorzieningen, die op naam van respectievelijk eiser en [A] zijn gesteld. Beide woningen beschikken voorts over een eigen wc, badkamer en keuken en over een eigen voordeur. Voor de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn de bovenwoning en de benedenwoning in 2013 afzonderlijk afgebakend. Beide woningen beschikken over een eigen gemeentelijke adresaanduiding. In de basisregistratie personen is eiser met ingang van 23 februari 2006 ingeschreven als bewoner van de bovenwoning en is [A] met ingang van 16 februari 2006 ingeschreven als bewoner van de benedenwoning. Zij zijn ongehuwd en zijn geen notarieel samenlevingscontract aangegaan. Zij hebben beide woningen gedurende een aantal jaren in fasen verbouwd, waarbij zij steeds hebben gewoond in delen van beide woningen die op dat moment niet werden verbouwd. Op de zolder bevindt zich thans de gezamenlijke slaapkamer en de gezamenlijke badkamer. De gezamenlijke keuken is op de eerste verdieping geplaatst. In de bovenwoning is een nieuwe centrale verwarming aangelegd. Op tot de stukken behorende foto’s van de benedenwoning zijn onder meer te zien een bakfiets, racefietsen, een kinderwagen en een ruimte waarin de wasmachine staat en een toegangsdeur naar de tuin is te zien.

3. Op [d] is het eerste kind van eiser en [A] geboren.

4. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2013, door verweerder ontvangen op 26 november 2014, heeft eiser [A] aangemerkt als zijn fiscale partner, € 36.686 aangegeven als loon uit dienstbetrekking, € 330.000 aangegeven als eigen woningschuld en rente ad € 9.656 en € 5.882 over twee hypothecaire leningen van respectievelijk € 200.000 en € 130.000 in aftrek gebracht op de aangegeven inkomsten uit eigen woning ad € 2.100, per saldo € 13.438. In de aangifte is een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) aangegeven van € 23.248.

5. In de bezwaarfase heeft A.R. Stolker, als taxateur onroerende zaken werkzaam bij de Belastingdienst Midden- en Kleinbedrijf te Amsterdam, de benedenwoning en de bovenwoning bezocht. Bij e-mailbericht van 20 juni 2016 heeft Stolker als volgt aan Van Bruggen, medewerker van verweerder, gerapporteerd:

“Zoals zojuist met jou besproken doe ik je hierbij mijn bevindingen toekomen m.b.t. het gebruik van bovenvermeld woonobject.

Geschiedenis: Op de aankoopdatum door [eiser] en mevrouw [A] is het pand juridisch gesplitst tot 2 woonappartementen waarna [eiser] en mevrouw de bovenverdiepingen (1e en 2e) zijn gaan verbouwen tot een moderne en luxe woning en de op dat moment al bestaande eenvoudige benedenwoning zijn gaan bewonen. (…)

De gemeente heeft op verzoek van [eiser] en mevrouw [A] besloten tot een splitsing in twee afzonderlijke WOZ objecten (woningen).

Totaal heeft de verbouwing 6 jaar geduurd en kon men in november 2012 de ‘verbouwde’ bovenwoning betrekken.

Feitelijk en fysiek is er sprake van 2 afzonderlijk te gebruiken /bewonen woningen met gescheiden nutsvoorzieningen met beide een keuken en douchevoorziening.

Totdat de gemeente de situatie niet opheft door samenvoeging van de twee WOZ objecten tot 1 woning zullen wij de situatie als 2 woningen fiscaal moeten blijven volgen.

Ik heb [eiser] het advies gegeven een verzoek tot samenvoeging bij de gemeente [Z] in te dienen.”

6. In de motivering van de uitspraak op bezwaar van 28 juli 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de inkomsten uit arbeid van eiser € 42.459 bedragen en dat de bovenwoning in box 1 en de benedenwoning in box 3 in aanmerking dient te worden genomen, zodat de aftrek eigen woning € 8.577 en het box 3 inkomen € 1.366 bedraagt. Verweerder heeft geconcludeerd dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

Geschil

7. In geschil is of de benedenwoning en de bovenwoning tezamen moeten worden aangemerkt als eigen woning van eiser in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001.

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bovenwoning en de benedenwoning gezamenlijk als één woning zijn ingericht en worden gebruikt en dat deze daarom tezamen moeten worden aangemerkt als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en vermindering van de aanslag.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bovenwoning en de benedenwoning zelfstandige woningen zijn en daarom niet tezamen als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

10. Blijkens het bepaalde in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder eigen woning verstaan, voor zover van belang:

“(…) een gebouw (…) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat;”

11. Nu de Wet IB 2001 geen nadere bepalingen voor de afbakening van de eigen woning bevat en daarin evenmin een verwijzing is opgenomen naar de objectafbakeningsregels van de Wet WOZ of naar in enige basisregistratie vastgelegde gegevens, zal de rechtbank bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval betrekken.

12. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende aangevoerd. Reeds voorafgaand aan de aankoop in 2006 voerden hij en [A] een gezamenlijke huishouding. Deze huishouding is sinds de aankoop gevoerd in beide woningen. Ten tijde van de aankoop was onvoldoende duidelijk hoe zijn relatie met [A] zich zou ontwikkelen en daarom hebben zij gekozen voor het aankopen van twee afzonderlijke appartementsrechten zodat zij bij het verbreken van de relatie relatief gemakkelijk uit elkaar zouden kunnen gaan. Aangezien een vergunning tot samenvoeging van beide woningen erg kostbaar bleek is er uiteindelijk van afgezien die vergunning aan te vragen. De verbouwing heeft vanaf de aankoop tot in 2013 plaatsgevonden. Tijdens de verbouwing van de eerste verdieping werd geleefd op de begane grond en de zolder en tijdens de verbouwing van de zolder werd geleefd op de begane grond en de eerste verdieping. De wc, badkamer en keuken in de benedenwoning zijn zeer gedateerd.

Na afronding van de verbouwing zijn deze niet meer gebruikt en is de begane grond alleen gebruikt voor de wasmachine en de droger, als hobbyruimte, voor opslag en als stalling voor fietsen, de kinderwagen, et cetera. De tuin kan alleen via de benedenwoning worden bereikt. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat in 2012 een niet-afsluitbare verbindingsdeur in de muur tussen de gang van de benedenwoning en de opgang naar de bovenwoning is aangebracht en dat in 2013 de buitendeur van de benedenwoning is vastgezet en om die reden niet meer wordt gebruikt.

13. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de splitsing in appartementsrechten, op de objectafbakening voor de Wet WOZ, op het feit dat de woningen beide over eigen voorzieningen beschikken en voorafgaand aan de aankoop door eiser en [A] ook afzonderlijk bewoond zijn geweest. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat geen bouwtechnische aanpassingen bekend zijn die tot de conclusie nopen dat de woningen naar aard en inrichting één eigen woning vormen.

13. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft met zijn algemene opmerking dat het aan eiser is om te onderbouwen dat de situatie die uit de overgelegde foto’s kan worden afgeleid zich ook in 2013 voordeed onvoldoende betwist dat dit het geval is. De rechtbank acht eiser - gelet op zijn uitvoerige toelichting en op de overgelegde stukken - erin geslaagd aannemelijk te maken dat de benedenwoning en de bovenwoning gedurende het gehele jaar 2013 gezamenlijk als één woning werden gebruikt voor het gezamenlijke huishouden van eiser en [A] . Hieruit valt immers af te leiden dat de zolderverdieping een was- en slaapfunctie, de eerste etage een kook- en verblijfsfunctie en de begane grond een opslagfunctie heeft gekregen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het schilderwerk blijkens de overgelegde stukken in 2013 heeft plaatsgevonden, zodat de verbouwingswerkzaamheden die voormelde functiescheiding hebben mogelijk gemaakt (grotendeels) voorafgaand aan het jaar 2013 moeten zijn uitgevoerd. Dat de werkzaamheden aan het dak pas in 2013 zijn afgerond acht de rechtbank in dit verband van ondergeschikt belang. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat - naar verweerder onvoldoende heeft weersproken - de niet-afsluitbare verbindingsdeur tussen de benedenwoning en de bovenwoning reeds in 2012 is aangebracht, zodat de voor het aanmerken als één woning noodzakelijke eenheid reeds voorafgaand aan het jaar 2013 haar beslag heeft gekregen. Hetgeen door verweerder is aangevoerd kan in de gegeven omstandigheden niet tot een andere conclusie dan de navolgende leiden.

13. De benedenwoning en de bovenwoning moeten tezamen als één eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001 worden aangemerkt. Nu tussen partijen niet in geschil is dat overigens aan de voorwaarden voor aftrek van hypotheekrente is voldaan dient het beroep gegrond te worden verklaard. Eiser heeft de juistheid van het door verweerder in aanmerking genomen inkomen uit werk niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan (€ 42.459). Nu verweerder overigens in het ongelijk is gesteld, dient het saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning zoals vermeld in de aangifte te worden gevolgd (€ 13.438). De aanslag dient daarom te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.021.

Proceskosten

16. Bij deze uitkomst van de procedure ziet de rechtbank reden verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte kosten van bezwaar en beroep.

17. Eiser verzoekt om vergoeding van de factuur van haar gemachtigde tot een bedrag van € 1.080. Eiser stelt dat hij zich heeft gestoord aan de handelwijze van verweerder, naar de rechtbank begrijpt met name aan de communicatie in de bezwaarfase.

Hoewel de rechtbank met eiser van oordeel is dat deze communicatie onzorgvuldig is geweest, is er geen sprake van een zo vergaande onzorgvuldigheid dat deze grond oplevert voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht die een vergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen rechtvaardigt. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat dit wel het geval is, verwerpt de rechtbank die stelling.

18. De kosten stelt de rechtbank derhalve vast met toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht op de door een derde beroepsmatig verleende bijstand in de bezwaarfase op € 246 (1 punt voor het maken van bezwaar met een waarde per punt van € 246 en een wegingsfactor 1) en die in de beroepsfase op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). In totaal komen de kosten daarmee op € 990 en € 246 = € 1.236.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning

van € 29.021;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten ad € 1.236;

- gelast verweerder het griffierecht ad € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.G. van der Laan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2017.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.