ECLI:NL:RBNHO:2017:5520 Rechtbank Noord-Holland , 29-06-2017 / 16/4464

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4464

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: Y. Lokhoff),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 194,00.

Bij besluit van 9 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 388,00.

Bij besluit van 24 december 2015 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 29 januari 2016 (het primaire besluit 4) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 27 februari 2016 (het primaire besluit 5) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 25 maart 2016 (het primaire besluit 6) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 29 april 2016 (het primaire besluit 7) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit 8) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 24 juni 2016 (het primaire besluit 9) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Bij besluit van 29 juli 2016 (het primaire besluit 10) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van een OV-schuld is veranderd vanwege onterecht gebruik van een studentenreisproduct. Het betreft een OV-schuld van € 582,00.

Op 16 augustus 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser voor zover dat is gericht tegen de primaire besluiten 1 tot en met 9 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit 10 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser betoogt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat toen hij zijn studiefinanciering heeft stopgezet, hiermee eveneens zijn studentenreisproduct was stop gezet. Eiser ontving meerdere schriftelijke betalingsherinneringen. Op die herinneringen stond dat het ging om “te laat stopzetten van het studentenreisproduct”. Door die zinssnede dacht eiser dat het wel was stopgezet, maar te laat. De gehele periode dat eiser ten onrechte reisrecht was toegekend, heeft hij geen enkele keer daarvan gebruik gemaakt. Eiser heeft PDD-NOS, waardoor hij beperkt wordt in zijn functioneren. Zo kan hij moeilijk administratieve werkzaamheden verrichten en gaat communicatie hem eveneens moeilijk af. Eiser stelt dat door de PDD-NOS hem de OV-schuld niet toegerekend kan worden.

2. Verweerder betoogt dat het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct eiser wel moet worden toegerekend. Het wel of niet gebruiken van het studentenreisproduct speelt geen rol bij de OV-schuld. Verweerder stelt dat hij niet alleen betalingsverzoeken heeft gestuurd, maar ook de daaraan ten grondslag liggende besluiten. Voorts is eiser, gelet op de door eiser overgelegde brief van de psychiater waarin de diagnose PDD-NOS wordt gesteld, al vanaf 2005 bekend met deze aandoening. Hierdoor had eiser, dan wel de ouders van eiser, maatregelen moeten treffen om problemen te voorkomen. Nu deze maatregelen niet zijn getroffen, dienen de gevolgen voor rekening en risico van eiser te blijven.

3. Tegen de primaire besluiten 1 tot en met 9 heeft eiser niet binnen de termijn van zes weken bezwaar gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op een verschoonbare termijnoverschrijding voor het maken van bezwaar tegen deze primaire besluiten. Niet aannemelijk is geworden dat eiser niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Uit de overgelegde verklaring van eiser, waarin de diagnose PDD-NOS is gesteld, blijkt dat niet. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser voor zover dat is gericht tegen de primaire besluiten 1 tot en met 9 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4. Vervolgens dient de rechtbank het gedeelte van het bestreden besluit te beoordelen, voor zover dat is gericht op het bezwaar tegen het primaire besluit 10. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het niet tijdig beëindigen van het reisrecht eiser niet kan worden toegerekend. In de brief van 3 oktober 2015 waarbij de studiefinanciering werd beëindigd, is vermeld dat het studentenreisproduct apart moest worden stopgezet bij een ophaalautomaat. Ook op de website van verweerder was dat te lezen. Omdat eiser dat niet had gedaan, heeft hij niet mogen denken dat het studentenreisproduct wel was stopgezet. Dat eiser niet van het studentenreisproduct gebruik heeft gemaakt, maakt niet dat de OV-schuld hem niet toegerekend kan worden. Uit de diagnose PDD-NOS en de door eiser overgelegde verklaring kan de rechtbank niet afleiden dat eiser niet in staat was het studentenreisproduct stop te zetten. Het is immers ook gelukt het er op te zetten. Voorts is er over een lange periode berichtgeving van verweerder geweest, dat het studentenreisproduct niet was stopgezet. Eiser heeft er zelf voor gekozen niet op deze berichten te reageren. Hierdoor is het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aan eiser toerekenbaar. Verweerder heeft op goede gronden een OV-schuld vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.