ECLI:NL:RBNNE:2017:1685 Rechtbank Noord-Nederland , 09-05-2017 / AWB - 15 _ 3662

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 15/3662 en 13/3663

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 mei 2017 in de zaak tussen


[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigden: [gemachtigden] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister van Veiligheid en Justitie, de Minister.

Procesverloop

Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 aan eiseres met dagtekening 27 november 2014 een naheffingsaanslag Loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 75.361. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 4.919 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 7.536.

Voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 heeft verweerder met dagtekening 27 november 2014 aan eiseres een naheffingsaanslag Loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 104.831. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 3.709 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 10.483.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 juli 2015 heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard en de bezwaren gericht tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de boetebeschikkingen vernietigd.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep betreffende het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 geregistreerd onder het zaaknummer 15/3662 en het beroep betreffende het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 onder het zaaknummer 15/3663.

Verweerder heeft voor beide zaken één verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mrs. [naam] en [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres is een besloten vennootschap, waarvan de aandelen in het bezit zijn van [Y] GMBH. Eiseres’ feitelijke werkzaamheden bestaan uit de winning, verwerking en verkoop van kali- en steenzouten.

1.2.

In 2012 en 2013 heeft de Stichting Beroepsopleiding Procesindustrie (BEPRO) een tweetal veiligheidsopleidingen verzorgd bij eiseres, te weten:

- de opleiding “Basisveiligheid” (VVI-I) voor de operators en laboranten, en

- de opleiding “Veiligheid voor leidinggevenden” (VVI-II).

BEPRO is een niet bekostigde, door het Ministerie van OC&W erkende, onderwijsinstelling die her-, om- en bijscholingsactiviteiten verzorgt voor uitvoerend personeel in de procesindustrie. BEPRO maakt onderdeel uit van de zogenoemde VAPRO (Stichting Vakopleiding Procesindustrie)-groep.

1.3.

Beide voormelde opleidingen waren eindtermgerichte opleidingen die bestonden uit een beroepsinhoudelijk deel (Deelkwalificatie “Basisveiligheid” of “Veiligheid voor leidinggevenden”) en een generiek deel (bestaande uit Nederlands en rekenen).

1.4.

VAPRO heeft op 10 juli 2012 ter zake van de bij 1.2 bedoelde twee veiligheidsopleidingen (de veiligheidsopleidingen) een offerte uitgebracht aan eiseres. In de offerte staat onder meer vermeld:

Wil [eiseres] gebruik maken van de WVA vergoeding dan dienen de deelnemers vóór 1 augustus 2012 bij BEPRO ingeschreven te staan. Ná 1 augustus 2012 kan VAPRO niet meer op deze MBO opleiding inschrijven. Deze komt namelijk door wettelijke wijzigingen te vervallen. Een conceptplan op hoofdlijnen kan er als volgt uitzien.

Concept planning

Activiteiten weeknummers

Voorstel goedkeuren 28

Deelnemers informeren 29

Inschrijving BEPRO incl. ID bewijs uiterlijk week 30

(…)”.

Eiseres’ directeur heeft met als documentdatum 26 juli 2012 een bestelling geplaatst bij VAPRO met als omschrijving “Zoals besproken met [G] een opdracht voor een [eiseres] brede veiligheidsopleiding”.

1.5.

Bij e-mailbericht van 18 juli 2012 deelt [E] , verbonden aan eiseres, aan [F] , projectassistent VAPRO, mee:

Als bijlage de opgave kandidaten.”.

Hierop antwoordt [F] aan [E] bij e-mailbericht van 19 juli 2012:

Bedankt voor het toesturen van de inschrijvingslijst en de ID-bewijzen. Kunt u de nog ontbrekende ID-bewijzen toesturen? Wij zullen de werknemers in ieder geval inschrijven voor de opleiding.”.

1.6.

Bij brief van 30 juli 2012 deelt mr. [H] , directeur BEPRO, aan eiseres het volgende mee:

Hiermede bevestigen wij dat uit onze administratie blijkt dat BEPRO overeenkomsten zijn afgesloten volgens het bijgevoegde overzicht. De overeenkomst loopt van ‘startdatum overeenkomst’ tot diplomering of schriftelijke opzegging. De inschrijving geldt voor de duur van de opleiding en wordt per jaar gefactureerd. Zonder schriftelijke opzegging wordt de inschrijving dus jaarlijks stilzwijgend verlengd en gefactureerd.

Voor het meedelen van de behaalde cijfers voor VAPRO tentamens zijn aan de deelnemers EXAMENNUMMERS toegekend. Deze examennummers vindt u in de meest linkerkolom van het overzicht.

De praktijkovereenkomsten zullen wij binnenkort toesturen. Deze overeenkomsten dienen nog te worden ondertekend door de deelnemer van het leerbedrijf.”.

1.7.

Bij brief van 2 februari 2017 heeft eiseres als bijlage 9 een van BEPRO afkomstige lijst overgelegd met als titel “Status BEPRO overeenkomsten”. Hierop staan 88 namen van deelnemers aan de veiligheidsopleidingen vermeld. De lijst is opgemaakt in tabelvorm. De tweede rij vermeldt het volgende:

DeelnemerOpleiding, overeenkomst, (…) (…)Status

aanvang

Cursistnr.

Naam:

Geb.dat.:

Geb.pl.:

CT051461


[naam]


[dd-mm] -1964


[plaats]

Overeenkomstnr.: OVK14337

Onderwijsovereenkomst volledige

Kwalificatie

Start: 31-7-2012

Volgende factuurdatum: 30-7-2013

opleiding: VVI-II Veiligheid

operationeel leidinggevenden

(…)

(…)

Ingeschreven t/m 30-7-2013

De weggelaten gegevens in de zojuist geciteerde eerste rij van de tabel betreffen in de derde kolom de naam van het BPV Bedrijf”, zijnde “ [eiseres] / [Y] ” en in de vierde kolom de naam van de Onderwijsuitvoerder”, zijnde “VAPRO Den Haag”.

De overige rijen in de tabel vermelden, behoudens de naam van de deelnemer, het cursistnummer en het overeenkomstnummer, dezelfde gegevens, met dien verstande dat in plaats van de opleiding “VVI-II Veiligheid operationeel leidinggevenden” ook de opleidingen “VVI-I Basisveiligheid” en “VVI-I Basisveiligheid laboratoriumtechniek” voorkomen. Alleen bij de in de eerste rij vermelde deelnemer is onder status vermeld “Ingeschreven t/m 31-7-2012”.

1.8.

Volgens een factuur met als datum 28 november 2012 van VAPRO gericht aan eisers zijn ten aanzien van 92 deelnemers onderwijsovereenkomsten aan eiseres in rekening gebracht.

1.9.

De zogenoemde kick off voor de veiligheidsopleidingen heeft op 8 oktober 2012 plaatsgevonden. De eerste twee groepen operators zijn gestart met de daadwerkelijke scholing op 31 oktober 2012. De andere twee groepen operators zijn gestart op 2 november 2012 en de laatste twee groepen operators zijn begonnen op 8 november 2012. De laboranten zijn met de daadwerkelijke scholing gestart op 13 december 2012 en de leidinggevenden op 14 november 2012.

1.10.

Vanaf oktober 2012 zijn door alle bij de veiligheidsopleidingen betrokken partijen praktijkovereenkomsten ondertekend. Volgens deze praktijkovereenkomsten zal de beroepspraktijkvorming starten op 31 juli 2012 en eindigen op 31 juli 2013.

1.11.

Aan de werknemers van eiseres die hun opleiding met voldoende resultaat hebben afgerond, is door BEPRO een MBO-diploma “Basisveiligheid” of “Veiligheid voor leidinggevende” uitgereikt.

1.12.

Eiseres heeft over de periode 1 augustus 2012 tot en met 31 juli 2013 in haar aangiften loonheffingen de afdrachtvermindering onderwijs toegepast ter zake van het volgen door haar werknemers van de veiligheidsopleidingen.

1.13.

Verweerder heeft op 3 december 2013 een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van eiseres over de periode 1 januari 2008 tot en met 8 september 2013. Het onderzoek heeft zich alleen gericht op de juistheid van de op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (WVA) geclaimde afdrachtvermindering onderwijs. In het rapport is ten aanzien van de veiligheidsopleidingen geconcludeerd dat deze cursussen met name gericht zijn op het geven van voorlichting en bieden van onderricht aan werknemers op het gebied van veiligheid. Het betreft volgens verweerder een interne bijscholingscursus en geen volledige beroepspraktijkvorming. Volgens verweerder is daarom voor de veiligheidsopleidingen ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs toegepast. Verweerder stelt vast dat door eiseres over 2012 € 75.361 en over 2013 een bedrag van € 104.831 teveel is geclaimd.

1.14.

Verweerder heeft naar aanleiding van het bij 1.13 bedoelde rapport naheffingsaanslagen, beschikkingen belastingrente en boetebeschikkingen aan eiseres opgelegd. Bij de bestreden uitspraken op eiseres’ bezwaren heeft verweerder de naheffingsaanslagen en beschikkingen belastingrente gehandhaafd. De boetebeschikkingen heeft verweerder vernietigd.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of, en zo ja in hoeverre, eiseres ten aanzien van de veiligheidsopleidingen terecht de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast.

3. Het geschil richt zich in de eerste plaats op het antwoord op de vraag of de in artikel IV van de Wet van 7 november 2011 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (de Wijzigingswet) opgenomen overgangsbepaling (de overgangsbepaling), van toepassing is op de door de werknemers van eiseres gevolgde veiligheidsopleidingen.

Wettelijk kader

4.1

In artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WVA is bepaald dat de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing is met betrekking tot:

de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven;” (hierna: WVA BBL).

4.2

In artikel 7.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) is een omschrijving opgenomen van het begrip beroepsopleiding. Deze omschrijving is gewijzigd bij de Wijzigingswet en luidt sinds 1 januari 2012 als volgt:

Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.”

4.3

In artikel IV van de Wijzigingswet staat het volgende:

1. De artikelen 1.4.1, 2.1.1 en 7.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel en de eindtermen die zijn vastgesteld voor de inwerkingtreding van dit artikel blijven van toepassing op

a. beroepsopleidingen die voor de inwerkingtreding van dit artikel op basis van artikel 2.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, voor zover het deelnemers betreft die voor de desbetreffende opleiding staan ingeschreven in het studiejaar waarin de in de aanhef bedoelde dag valt,

b. beroepsopleidingen waarvoor voor de inwerkingtreding van dit artikel op basis van artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, diploma-erkenning is gegeven, voor zover het deelnemers betreft die voor de desbetreffende opleiding staan ingeschreven in het studiejaar waarin de in de aanhef bedoelde dag valt en

c. beroepsopleidingen waarvoor voor de inwerkingtreding van dit artikel op basis van artikel 1.6.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een recht tot examinering is gegeven, voor zover het deelnemers betreft die voor de desbetreffende opleiding staan ingeschreven in het studiejaar waarin de in de aanhef bedoelde dag valt.”.

4.4

In artikel VI van de Wijzigingswet staat het volgende:

“Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012 en is voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar 2012–2013. Indien deze wet na 31 december 2011 in het Staatsblad wordt geplaatst, treedt zij in werking met ingang van 1 augustus volgend op de datum waarop zij in het Staatsblad wordt geplaatst of, indien dat eerder is, 1 januari volgend op de datum waarop zij in het Staatsblad wordt geplaatst en is voor het eerst van toepassing op beroepsopleidingen in het studiejaar volgend op de datum waarop zij in het Staatsblad wordt geplaatst.”.

De Wijzigingswet is gepubliceerd in het op 2 december 2011 uitgegeven Staatsblad, jaargang 2011, nummer 560.

4.5

Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onderdeel r, van de WEB wordt verstaan onder studiejaar: "het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar”.

4.6

Artikel 8.1.1, eerste lid, van de WEB bepaalt dat een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, zich door het bevoegd gezag als deelnemer dient te laten inschrijven. In artikel 8.1.1a van de WEB staat welke gegevens op welke wijze bij de inschrijving moeten verstrekt.

4.7

Ingevolge artikel 8.1.3, eerste lid, van de WEB ligt aan de inschrijving een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag. Deze overeenkomst wordt, ingevolge het tweede lid van artikel 8.1.3 van de WEB, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgesteld model, schriftelijk aangegaan. De overeenkomst wordt gesloten voor de duur van de opleiding dan wel voor het deel van de opleiding waarop de inschrijving betrekking heeft.

Overgangsbepaling van toepassing?

5.1

Eiseres stelt dat haar werknemers per 31 juli 2012 daadwerkelijk stonden ingeschreven voor de veiligheidsopleidingen. Dit volgt volgens eiseres uit de bij 1.5 tot en met 1.7 vermelde vaststaande feiten. Gelet op de overgangsbepaling, bleef het wettelijke regime voor eindtermgerichte opleidingen volgens eiseres van toepassing gedurende de gehele periode van deze inschrijving.

5.2

Verweerder stelt dat eiseres’ werknemers niet vóór 1 augustus 2012 zijn ingeschreven voor de veiligheidsopleidingen. Verweerder wijst er hierbij op dat de artikelen 8.1.1 en 8.1.3 van de WEB de wijze van inschrijving bepalen. Volgens deze artikelen moet er sprake zijn van een schriftelijke overeenkomst tussen de deelnemer en het bevoegd gezag (de onderwijsinstelling). Verweerder acht niet aannemelijk dat in dit geval de onderwijsovereenkomsten vóór 1 augustus 2012 door de deelnemende werknemers zijn ondertekend. Uit de bij 1.5 tot en met 1.7 vermelde feiten volgt slechts dat sprake is van een aanmelding van door de werkgever voor de veiligheidsopleidingen opgegeven werknemers. Om die aanmelding een formele inschrijving te laten zijn, moet die aanmelding door de deelnemende werknemers zelf bekrachtigd worden door middel van een ondertekening op de onderwijsovereenkomst. Nu de onderwijsovereenkomsten pas op 28 november 2012 zijn gefactureerd (zie bij 1.8) en er vanuit moet worden gegaan dat pas op 31 oktober 2012 met de opleiding is gestart (zie bij 1.9), acht verweerder het onaannemelijk dat die ondertekening reeds vóór 1 augustus 2012 heeft plaatsgevonden.

5.3

Uit de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen leidt de rechtbank af, dat eindtermgerichte opleidingen voor het laatst gedurende het studiejaar 2012-2013 hebben gegolden als beroepsonderwijs waarvoor de WVA BBL kon worden geclaimd. Gelet op het overgangsrecht was dan vereist dat de deelnemers uiterlijk 31 juli 2012 voor die opleidingen stonden 'ingeschreven' in de zin van de WEB. Toegepast op de door de werknemers van eiseres gevolgde veiligheidsopleidingen maakt de rechtbank uit hetgeen bij 4.3 tot en met 4.7 is vermeld voorts het volgende op. Wil de overgangsbepaling van toepassing zijn op de veiligheidsopleidingen, moeten de deelnemers in ieder geval uiterlijk 31 juli 2012 voor de veiligheidsopleidingen moeten hebben staan ingeschreven. Aan inschrijving ligt volgens de WEB een schriftelijke overeenkomst (onderwijsovereenkomst) tussen de deelnemer en het bevoegd gezag ten grondslag. Voor het kunnen toepassen van de overgangsbepaling moet er dus in ieder geval tussen eiseres’ werknemers, zijnde de deelnemers aan de veiligheidsopleidingen, en het bevoegd gezag uiterlijk op 31 juli 2012 een schriftelijke onderwijsovereenkomst zijn gesloten.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, op wie tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat tussen de deelnemers aan de veiligheidsopleidingen en het bevoegd gezag uiterlijk op 31 juli 2012 onderwijsovereenkomsten zijn gesloten. De rechtbank wijst eiseres erop dat uit de bij 1.5 bedoelde e-mails enkel valt af te leiden dat eiseres in juli 2012 aan BEPRO gegevens heeft verstrekt ten behoeve van de inschrijving van de aan de veiligheidsopleidingen deelnemende werknemers (als bedoeld in artikel 8.1.1a van de WEB). Verder volgt uit de bij 1.6 bedoelde brief en de kennelijk daarbij behorende bij 1.7 bedoelde van BEPRO afkomstige lijst, slechts dat BEPRO de desbetreffende werknemers heeft geregistreerd als deelnemer voor een bepaalde veiligheidsopleiding met als startdatum 31 juli 2012. Hoewel in de lijst van BEPRO per deelnemer melding wordt gemaakt van een overeenkomstnummer (gevolgd door 'Onderwijsovereenkomst volledige kwalificatie'), volgt hieruit op geen enkele wijze dat tussen de deelnemers zelf en het bevoegd gezag uiterlijk op 31 juli 2012 schriftelijke onderwijsovereenkomsten zijn gesloten, zoals vereist op grond van artikel 8.1.3 van de WEB. Nu laatstgenoemd artikel vereist dat aan de inschrijving een dergelijke, schriftelijke overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag ligt, kunnen de betreffende lijsten evenmin als bewijs van de feitelijke inschrijving dienen, althans niet zonder dat tevens de onderliggende onderwijsovereenkomsten worden getoond. Het voorgaande geldt evenzeer voor de Bijlagen 1 en 2 bij eiseres' pleitnota: ook deze bijlagen betreffen weliswaar opgaven, lijsten en correspondentie omtrent de aan te leveren (ID-)gegevens, maar behelzen niet de onderwijsovereenkomsten als zodanig en geven ook geen blijk van het (hebben) bestaan daarvan. Het had op eiseres’ weg gelegen om deze onderwijsovereenkomsten, zo deze bestaan, in het geding te brengen. Het spreekt in dit verband naar het oordeel van de rechtbank voor zich, dat de eis van de schriftelijke vorm juist is opgenomen om bewijsproblemen te voorkomen.

Voor zover de praktijkovereenkomsten (zie 1.10) tevens zouden kunnen worden aangemerkt als onderwijsovereenkomst in de zin van de WEB, zou ook dat eiseres niet baten, nu deze praktijkovereenkomsten pas in de loop van oktober 2012 zijn ondertekend (zie ook de slotzin van de bij 1.6 bedoelde brief). De rechtbank gaat dan ook voorbij aan eiseres’ bewijsaanbod om al deze praktijkovereenkomsten alsnog in het geding te brengen.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiseres aldus niet aannemelijk gemaakt dat uiterlijk op 31 juli 2012 was voldaan aan alle voorwaarden die de WEB aan het ingeschreven staan stelt.

5.5

Reeds nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen de deelnemers aan de veiligheidsopleidingen zelf en het bevoegd gezag uiterlijk op 31 juli 2012 sprake was van een schriftelijk gesloten onderwijsovereenkomst, is, gelet op hetgeen de rechtbank bij 5.3 heeft overwogen, de overgangsbepaling niet van toepassing. De rechtbank verwerpt daarom eiseres’ stelling dat het regime voor eindtermgerichte opleidingen haar gelding heeft behouden voor de veiligheidsopleidingen die door haar werknemers zijn gevolgd (zie 1.9 en 1.10).

5.6

Nu de overgangsbepaling niet van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheidsopleidingen niet kwalificeren voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WVA. De veiligheidsopleidingen, zijnde eindtermgerichte opleidingen, vallen niet onder de bij 4.2 bedoelde, per 1 januari 2012 gewijzigde, omschrijving van het begrip beroepsopleiding. Hieraan doet niet af dat de veiligheidsopleidingen geen deelkwalificaties betreffen en dat de werknemers die de veiligheidsopleidingen met goed gevolg hebben afgerond, van BEPRO een MBO-diploma hebben gekregen. De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres ten onrechte voor de veiligheidsopleidingen de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast. Haar beroepsgronden gericht tegen de naheffingsaanslagen treffen dus geen doel.

6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente.

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Eiseres heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. De rechtbank constateert dat in deze zaken de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar is overschreden. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift voor beide zaken door verweerder (12 december 2014) en de uitspraak van de rechtbank bedraagt circa twee jaar en vijf maanden. Uitgaande van dit tijdsverloop, is de standaard redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar dus met circa vijf maanden overschreden, dit wordt afgerond op halve jaren naar boven, dus op één half jaar. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de rechtbank, ondanks dat de vertraging ook voor een deel in de beroepsfase is ontstaan, uit praktische overwegingen kan overgaan tot veroordeling van verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 500, nu de vertraging voor het grootste gedeelte in de bezwaarfase is ontstaan. De rechtbank ziet echter grond om hiervan af te wijken, nu inmiddels in de beroepsfase een langere vertraging is ontstaan dan op de zitting was te voorzien. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zowel verweerder als de Minister te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade tot ieder een bedrag van € 250. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

9. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder en de Minister aan eiseres ieder de helft van het door haar betaalde griffierecht vergoedt, omdat eiseres’ verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder en de Minister in verband met de toewijzing van eiseres’ verzoek om immateriële schadevergoeding in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt deze twee zaken vanwege de samenhang als één zaak voor de proceskostenveroordeling. Nu eiseres vóór de uitspraken op bezwaar niet heeft verzocht om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van de bezwaren zijn gemaakt, kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verweerder niet veroordelen in de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten. De rechtbank zal verweerder en de Minister per zaak elk voor de helft in de proceskosten veroordelen.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen ongegrond;

-

veroordeelt verweerder voor beide zaken tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van in totaal € 250;

-

veroordeelt de Minister voor beide zaken tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van in totaal € 250;

-

draagt verweerder op de helft van het voor elk van deze zaken betaalde griffierecht van € 331, ofwel in totaal (0,5 * € 662=) € 331 aan eiseres te vergoeden;

-

draagt de Minister op de helft van het voor elk van deze zaken betaalde griffierecht van € 331, ofwel in totaal (0,5 * € 662=) € 331 aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt verweerder in de helft van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 247,50 per zaak, ofwel in totaal € 495;

-

veroordeelt de Minister in de helft van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 247,50 per zaak, ofwel in totaal € 495.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, mr. A.M.A.M. Kager en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.

w.g griffier

w.g voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.