ECLI:NL:RBNNE:2017:1869 Rechtbank Noord-Nederland , 11-05-2017 / AWB - 16 _ 3434

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/3434

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2017 in de zaak tussen


[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. J. de Vries)

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 28 juli 2016 op het bezwaarschrift van eiseres tegen de voldoening op aangifte van de omzetbelasting over het tweede kwartaal 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mw. A.M. Hennephof en mr. E.J.Th. Zuidhof.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiseres te vergoeden.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Ontvankelijkheid beroep

2. Verweerder heeft zich in de beroepsfase op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is aangezien er geen besluit - uitspraak op bezwaar - is van verweerder waartegen zij kon opkomen. De brief van 28 juli 2016 is geen uitspraak op bezwaar. Sterker nog, ten tijde van het schrijven van het verweerschrift had verweerder nog geen uitspraak op bezwaar - in de vorm van een beschikking vanuit Apeldoorn - gedaan. Dat laatste is pas op 23 december 2016 gebeurd. Verweerder heeft verwezen naar een tweetal arresten van de Hoge Raad van 27 november 1996, nr. 31.691, ECLI:NL:HR:1996:AA1759 en 7 juni 2002, nr. 37.216, ECLI:NL:HR:2002:AE3840.

3.1

De rechtbank verwerpt dit standpunt van verweerder en acht eiseres ontvankelijk in haar beroep. Naar het oordeel van de rechtbank moet de brief van verweerder van 28 juli 2016 worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar. Het opschrift geeft aan dat het onderwerp het bezwaar van eiseres betreft, refereert aan het ingediende bezwaarschrift, het bevat een beslissing van de inspecteur op dat bezwaar (te weten: niet-ontvankelijk), gevolgd door de mededeling dat een ambtshalve beoordeling heeft plaatsgevonden. Bovendien staat zowel in de brief als in de bijlage een rechtsmiddelenverwijzing. De door verweerder aangehaalde arresten acht de rechtbank niet relevant, omdat de rechtbank van oordeel is dat verweerders standpunt berust op een verkeerde lezing van de door hem genoemde arresten. In het ene geval is de volgorde van poststukken precies andersom (de crux is niet dat de beschikking uit Apeldoorn de enige ware uitspraak op bezwaar zou zijn, maar dat het in het daar berechte geval de eerste en dus de enige was), terwijl in het andere geval slechts een aankondiging van de uitspraak op bezwaar was verzonden.

3.2

Aan de op 23 december 2016 genomen beschikking uit Apeldoorn komt in dit verband geen betekenis toe, nu het niet mogelijk is om een tweede uitspraak op bezwaar te doen.

Inhoudelijk

4. Het bezwaar van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de termijn in bezwaar te komen. Eiseres heeft zich blijkens de gronden van haar beroep op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om aan te geven waarom het bezwaar te laat is ingediend. De rechtbank vat deze beroepsgrond op als de stelling dat er sprake is van schending van de hoorplicht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in het geval van een kennelijk niet-ontvankelijk beroep niet hoefde worden gehoord.

5. De rechtbank stelt, met partijen, vast dat het bezwaar te laat is ingediend, aangezien de zeswekentermijn ook bij de systematiek voldoening op aangifte geldt en het bezwaar buiten die termijn is ingediend. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres’ aangevoerde grond, dat zij door verweerder in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord, slaagt. De rechtbank wijst er daarbij op dat voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het bestuursorgaan belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Ingevolge paragraaf 9, eerste lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) ligt het initiatief voor het horen (in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) bij de inspecteur. Artikel 7:3, aanhef en letter a, van de Awb bepaalt dat van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Verweerder vindt in die laatste bepaling steun voor zijn stelling dat hij eiseres niet hoefde te horen. De rechtbank wijst verweerder erop dat het enkele feit dat er sprake is van een termijnoverschrijding nog niet de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar, omdat er nu juist sprake kan zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, hetgeen slechts bij een volwaardige bezwaarfase (zijnde een integrale heroverweging) aan de orde kan komen (vgl. ook paragraaf 9, vierde lid, van het BFB), nog daargelaten dat de uitspraak op bezwaar het woord 'kennelijk' niet bevat. De rechtbank merkt hierbij op, dat mede gelet op de arresten van de Hoge Raad van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3441 en ECLI:NL:HR:2014:3510, ook in het geval er sprake is van voldoening op aangifte, zoals in het geval van eiseres, bijvoorbeeld een beroep op verschoonbaarheid kan worden gedaan vanwege het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing. Ook daaruit volgt dat het bezwaar in ieder geval niet zonder nader onderzoek kennelijk niet-ontvankelijk was.

6. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welke gevolgen aan de schending van de hoorplicht dienen te worden verbonden. De rechtbank kan in beginsel oordelen dat aan dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij kan worden gegaan, indien de belanghebbende daardoor niet in zijn belangen zou zijn geschaad. In verband met de wezenlijke betekenis van het horen voor de bezwaarfase is daarvan niet snel sprake. Ook in het onderhavige geval ziet de rechtbank voor een dergelijk oordeel, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding. Daarbij weegt mee dat het hier een ontvankelijkheidskwestie betreft, en dat het oordeel omtrent de ontvankelijkheid - gelet op de specifieke merites van deze casus - ook de afloop van het materiële geschil volledig bepaalt. Bovendien heeft eiseres zelf verzocht om (alsnog) te worden gehoord, waarmee het belang dat zij daar aan hecht, gegeven is. Ten slotte biedt hetgeen eiseres ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht, mogelijke aanknopingspunten voor verschoonbaarheid, zodat ook om die reden niet kan worden volstaan met een onvolkomen bezwaarfase.

7. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op het bezwaarschrift vernietigen en de zaak terugwijzen naar verweerder met de opdracht eiseres alsnog op het bezwaarschrift te horen. Hierna zal verweerder opnieuw op het bezwaarschrift uitspraak moeten doen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Deze uitspraak is op 11 mei 2017 gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Verder lezen