ECLI:NL:RBNNE:2017:1877 Rechtbank Noord-Nederland , 25-04-2017 / 18/930263-16

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930263-16

vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling zaaknummer: 99.000449-31

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 mei 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte


[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] ,

thans verblijvende te PI [naam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 januari, 11 april en 9 mei 2017.

De verdachte is telkens verschenen en werd bijgestaan door mr. S. Boufadiss, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 december 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning/atelier aan/nabij de [straatnaam] heeft weggenomen - een of meer schilderijen en/of - een of meer stukken Chinees porselein, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- na het aanbellen bij die woning en nadat die [slachtoffer 1] had opengedaan die woning zijn/is binnengedrongen en/of binnengelopen en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar polsen hebben/heeft vastgepakt en/of hebben/heeft vastgehouden en/of - een vitrinekast hebben/heeft kapotgeslagen en/of

- de alarmknop van die [slachtoffer 1] hebben/heeft afgepakt en meegenomen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 27 december 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning/atelier aan/nabij de [straatnaam] hebben/heeft weggenomen

- een of meer schilderijen en/of

- een of meer stukken Chinees porselein,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of die ander(en) en/of aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte] of die ander(en),

- na het aanbellen bij die woning en nadat die [slachtoffer 1] had opengedaan die woning zijn/is binnengedrongen en/of binnengelopen en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar polsen hebben/heeft vastgepakt en/of hebben/heeft vastgehouden en/of

- een vitrinekast hebben/heeft kapotgeslagen en/of

- de alarmknop van die [slachtoffer 1] hebben1heeft afgepakt en meegenomen,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 27 december in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door het ter beschikking stellen van een auto aan die [medeverdachte] en/of die ander(en) en/of het overhandigen van het adres van die [slachtoffer 1] aan die [medeverdachte] en/of die ander(en) en/of het ophalen en/of verbergen van de buit;

2.

hij op of omstreeks 27 december 2015 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen en/of te laten komen met enig brandbaar/ontvlambaar onderdeel van een aan/nabij de [straatnaam] staande auto ( [automerk] ), ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer op korte afstand van die auto staande andere auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 december 2015 tot en met 14 december 2015 te Enkhuizen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto [automerk] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

4.

hij op of omstreeks 24 december 2015 te Den Oever, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (motor)brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 23 november 2015 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (motor)brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

hij op of omstreeks 23 november 2015 te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen kentekenplaten ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde kan worden bewezen. De officier van justitie heeft verwezen naar de betreffende aangiftes en de belastende verklaringen van [medeverdachte] en [getuige] .

De officier van justitie heeft geen waarde toegekend aan de verklaring van verdachte dat een onbekend gebleven persoon de overval op mevrouw [slachtoffer 1] met [medeverdachte] heeft gepleegd. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig mede nu verdachte nagenoeg geen informatie over deze persoon heeft gegeven terwijl verdachte -naar zijn zeggen- ruim drie uren met deze onbekend gebleven persoon in een auto heeft doorge-bracht. Verdachte is volgens zijn verklaring immers met [medeverdachte] en die onbekend gebleven persoon vanuit zijn woonplaats [woonplaats] in een auto naar Harderwijk gereden om daar de buit van de overval uit de bij de overval gebruikte auto op te halen. Verdachte is vervolgens met [medeverdachte] en die onbekend gebleven persoon teruggereden en heeft de buit in zijn woning opgeborgen.

Verdachte dient van de feiten 2 en 6 te worden vrijgesproken nu het wettige bewijs daartoe ontbreekt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft daartoe betoogd dat verdachte blijft bij zijn ontkenning de overval op mevrouw [slachtoffer 1] te hebben gepleegd ondanks de voor hem belastende verklaringen van [medeverdachte] en [getuige] .

De raadsvrouw acht de verklaring van [medeverdachte] onbetrouwbaar. [medeverdachte] heeft geen of vage herinneringen aan wat kort voor de overval of kort daarna is gebeurd. De herinneringen die [medeverdachte] wel heeft komen naar haar oordeel uit het dossier en zijn bovendien niet onderbouwd met enig objectief bewijs. Ook de omstandigheid dat [medeverdachte] zwaar onder invloed was van middelen maakt zijn verklaring onbetrouwbaar. De verklaring van [medeverdachte] kan daarom niet bijdragen aan de overtuiging dat verdachte het hem onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Ook de verklaring van [getuige] moet worden uitgesloten van het bewijs nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld deze getuige vragen te stellen. De verklaring van

[getuige] is ‘sole or decisive’-bewijs voor een bewezenverklaring omdat [getuige] ook heeft verklaard over punten waar [medeverdachte] geen herinnering aan heeft. Voorts zijn er geen compenserende factoren aanwezig voor de inbreuk op het ondervragingsrecht inzake [getuige] . De raadsvrouw stelt zich daarom op het standpunt dat er sprake is van schending van het ondervragingsrecht ex artikel 6 lid 3 van het EVRM.

De raadsvrouw heeft er voorts op gewezen dat aangeefster de persoon die haar bij haar polsen heeft vastgepakt omschrijft als een iele jongeman tussen de 1,60 en 1,70 meter die ABN spreekt. Dit signalement past niet bij verdachte omdat hij 1,80 meter is en geen ABN spreekt en redelijk grof gebouwd is.

Verdachte dient van de feiten 2 en 6 te worden vrijgesproken omdat het wettige bewijs daartoe ontbreekt.

Voor de feiten 3, 4 en 5 kan een bewezenverklaring volgen nu verdachte die feiten heeft erkend.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging het onder 2 en 6 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Feit 1 primair

De rechtbank acht het onder 1 primair wettig en overtuigend bewezen.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij met verdachte de woning van mevrouw [slachtoffer 1] is binnengedrongen en daar porselein heeft weggenomen. [medeverdachte] heeft op de terechtzitting van 9 mei 2017 in vergelijkbare bewoordingen verklaard en heeft volhard in de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. Ook heeft [medeverdachte] op de terechtzitting verklaard dat hij geen rancune heeft jegens of een conflict heeft met verdachte of diens broer [getuige] .

Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] zich, over hetgeen zich voor en na de overval heeft afgespeeld niet (opmerkelijk) vager heeft uitgelaten dan bij de politie. Over de overval zelf is hij in zijn verklaring ter zitting weliswaar niet heel gedetail-leerd, maar over zijn eigen aandeel (“Ik maakte de vitrines stuk en pakte het porselein.”) en zijn mededader (“Ik was met [verdachte] .”), is hij naar het oordeel van de rechtbank stellig en geloofwaardig.

Naast de verklaring van [medeverdachte] is de bewezenverklaring mede gestoeld op de aangifte van mevrouw [slachtoffer 1] en het aangetroffen DNA van verdachte op de hengsels van de tas en de tape die in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] na de overval zijn achtergebleven.

De rechtbank zal de verklaring van [getuige] niet voor het bewijs bezigen. Hetgeen de raadsvrouw daarover heeft opgemerkt kan daarom onbesproken blijven.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat een onbekend gebleven persoon de overval op mevrouw [slachtoffer 1] met [medeverdachte] heeft gepleegd onaannemelijk. Bovendien wordt zijn verklaring niet ondersteund door te verifiëren concrete feiten of omstandigheden. Ook de door verdachte gestelde reis-bewegingen die [medeverdachte] en de onbekende derde na de overval zouden hebben ondernomen (Hoogkarspel-Harderwijk-Hoogkarspel) en die zouden zijn gemaakt om de buit van de overval uiteindelijk in zijn, verdachte ‘s, woning onder te brengen acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

De rechtbank past met betrekking tot feit 1 primair de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 december 2015, opgenomen op pagina 483 ev van het dossier met nummer 2016289918 d.d. 26 oktober 2016, inhoudende als verklaring van: [slachtoffer 1] .

Ik woon aan de [straatnaam] te [pleegplaats] .

Vanmiddag hoorde ik rond 13.00 uur dat de deurbel ging.

Ik opende de voordeur en zag dat er een jongen voor de deur stond.

Ik hoorde dat deze jongen (1) aan mij vroeg of hij naar het toilet mocht. Ik zei tegen de jongen (1) dat dat niet mocht. Ik zag toen dat de jongen (1) naar binnen stapte en mij vastpakte bij mijn polsen. Op dat moment zag ik dat er nog een tweede jongen naar binnen kwam.

Ik zag dat deze jongen (2) een zwarte sporttas en een gele boodschappentas van de Jumbo bij zich had. Ik zag dat deze jongen (2) door de benedenverdieping van mijn woning liep en overal rond keek.

Ik zag dat de jongen (2) naar het atelier was gelopen. Hier hangen heel veel schilderijen. Ook bevinden zich hier andere kunststukken. In deze ruimte staat achterin een glazen vitrinekast vol met onder andere Chinees porselein uit de zestiende eeuw.

Ik zag en hoorde dat de jongen (2) de vitrinekast stuk maakte. Ik hoorde allemaal glasgerinkel. Ik zag dat hij Chinees porselein uit de vitrine haalde en in een zwarte sporttas stopte. De jongen (1) hield mij nog steeds met zijn handen bij mijn beide polsen vast. Ik voelde dat de jongen (1) mij stevig vasthield. Ik heb mij verzet en probeerde los te komen. Ik droeg een alarmknop om mijn hals. Ik probeerde de alarmknop in te drukken zodat mijn buren gewaarschuwd zouden worden. De jongen (1) zag dat ik dit wilde doen en trok de alarmknop van mijn nek. Deze alarmknop is later door de jongens meegenomen.

De jongen (1) bleef mij vasthouden. De andere jongen(2) was inmiddels via de doorgang van het atelier naar de woonkamer gelopen en ik hoorde dat hij de vitrinekast die daar stond ook stuk maakte.

De jongen (1) liet mij ineens los. Ik zag dat de jongens richting de voordeur liepen. Ik zag dat de jongens tijdens het weglopen nog wat dingen pakten. Later zag ik dat er een schilderij uit de hal en een schilderij uit het atelier zijn weggenomen.

Uit beide vitrinekasten zijn verschillende porseleinen schalen, borden en kannen/kruiken weggenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 15 september 2016, opgenomen op pagina 707 ev van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] .

[verdachte] kwam met een auto bij me. Toen zijn we naar de camping gereden en hebben we een adres gekregen. Dat was het idee van [verdachte] .

Toen stopten we ergens bij een huis en daar zouden we een inbraak gaan doen.

We zijn uit de auto gestapt en stonden voor een deur. Een heel oud teder vrouwtje deed open.

Toen stapte [verdachte] naar binnen.

[verdachte] pakte haar bij de armen vast. Met zijn twee handen.

[verdachte] zei naar binnen en zei: ”Pak zoveel als je kan”. Ik ben toen naar binnen gegaan en ben naar het porselein gelopen, dat heb ik gepakt.

Het stond in de vitrine en die heb ik opengetrokken en toen knapte het raam.

Toen heb ik spulletjes eruit gepakt en die heb ik in een zwarte sporttas gedaan.

We liepen met de tassen naar de woning toe.

Nadat de spullen uit de vitrine in de tas waren gedaan heb ik die tas in de kofferbak gelegd.

[verdachte] is de hele tijd bij die mevrouw gebleven.

Ik heb alleen maar porselein gepakt.

Er is een tas achtergebleven dat klopt.

Ik heb gewoon roekeloos iets gepakt, in de tas gedaan en de woning verlaten.

3. De door [medeverdachte] ter terechtzitting van 9 mei 2017 als getuige afgelegde verklaring zakelijk weergegeven inhoudende dat hij volhardt bij zijn bij de politie afgelegde verklaring en dat hij de overval met [verdachte] heeft gepleegd.

4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer OZ-PL0100/2015379822, d.d. 11 oktober 2016, opgemaakt door [naam] , dat onder meer het volgende inhoudt.

Rapport aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in [pleegplaats] op 27 december 2015.

In de aanvraag onderzoek van 25 september 2016 van de Politie Eenheid Noord-Nederland is verzocht om de DNA-profielen van [verdachte] RAAN5212NL (geboren op [geboortedatum] 1986) en [medeverdachte] RAAU0608NL (geboren op [geboortedatum] ) te vergelijkend met de DNA-meng-profielen van het celmateriaal in de onderstaande bemonsteringen:

AAJE2380NL#01 Bemonstering van een hengsel van een Jumbo tas AAJE2384NL

AAJE2381NL#01 Bemonstering van een hengsel van een Jumbo tas AAJE2384NL

AAJE2195NL#01 bemonstering van de zijkanten van een rol tape

AAJE2195NL#02 bemonstering van de rugzijde van de eerste wikkel tape van een rol tape

Resultaten vergelijkend DNA onderzoek.

AAJE2380NL#01: DNA-mengprofiel van minimaal zeven personen.

* [getuige] , [verdachte] en minimaal vijf onbekende personen.

AAJE2381NL#01: DNA-mengprofiel van minimaal vijf personen.

* [verdachte] en minimaal vier onbekende personen.

AAJE2195NL#01: DNA-mengprofiel van minimaal zes personen.

* [getuige] , [verdachte] en minimaal vier onbekende personen.

AAJE2195NL#02: DNA-mengprofiel van minimaal drie personen.

* [verdachte] en minimaal twee onbekende personen.

Feiten 3, 4 en 5

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. De bekennende verklaring door verdachte afgelegd op de terechtzitting van 11 april 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Holland d.d. 14 december 2015, opgenomen op pagina 923 ev van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Holland d.d. 28 december 2015, opgenomen op pagina 961 ev van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] , namens [slachtoffer 3] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 november 2015, opgenomen op pagina 719 ev van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] , namens [slachtoffer 4] te Hoogeveen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 december 2015 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning/atelier aan de [straatnaam] heeft weggenomen

- schilderijen en

- stukken Chinees porselein,

toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader

- na het aanbellen bij die woning en nadat die [slachtoffer 1] had opengedaan die woning zijn binnengedrongen en

- die [slachtoffer 1] bij haar polsen hebben vastgepakt en hebben vastgehouden en

- een vitrinekast hebben kapotgeslagen en

- de alarmknop van die [slachtoffer 1] hebben afgepakt;

3.

hij in de periode van 13 december 2015 tot en met 14 december 2015 te Enkhuizen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto ( [automerk] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

4.

hij op 24 december 2015 te Den Oever, gemeente Hollands Kroon, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (motor)brandstof, toebehorende aan [slachtoffer 3] ;

5.

hij op 23 november 2015 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (motor)brandstof, toebehorende aan [slachtoffer 4] ;

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

4. Diefstal.

5. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft verwezen naar de ernst van met name feit 1 en de impact van de overval op het slachtoffer. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de documentatie van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak van de feiten 1 primair, 2 en 6 en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank aangaande de feiten 3, 4 en 5. De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met mededader [medeverdachte] het alleenwonende vrouwelijke slachtoffer in haar eigen woning overvallen. Ten tijde van de overval was het slachtoffer 93 jaar. Verdachte en [medeverdachte] zijn, nadat het slachtoffer op aanbellen de deur had geopend, haar woning binnengedrongen, waarna zij porselein en schilderijen hebben weggenomen. Verdachte heeft gedurende de overval het slachtoffer steeds stevig vastgehouden aan haar polsen, hetgeen letsel heeft veroorzaakt. [medeverdachte] heeft het porselein uit de vitrinekasten gehaald. Bij het verlaten van de woning zijn schilderijen meegenomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat woningovervallen een zeer grote impact op slachtoffers hebben. In onderhavig geval is dat niet anders. Verdachte en [medeverdachte] hebben door hun handelen een grove inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van het slachtoffer, temeer nu het gaat om een slachtoffer van 93 jaar. Zij hebben het gevoel van het veilig moeten kunnen wonen in de eigen woning, in hoge mate aangetast. De rechtbank rekent verdachte dat in hoge mate aan en dat leidt er toe dat in gevallen als deze een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

De landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting geven aan dat als uitgangspunt voor een woningoverval waarbij sprake is van licht geweld, kan gelden een gevangenisstraf van 3 jaren. De rechtbank neemt deze straf als uitgangspunt.

Het (langdurig) vasthouden van het slachtoffer waardoor zij in haar vrijheid wordt belemmerd acht de rechtbank straf verhogend.

Voorts blijkt uit de documentatie dat verdachte op 22 mei 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren voor onder meer het plegen van afpersing in vereniging en diefstal met geweld en bedreiging met geweld, derhalve vergelijkbare delicten als in onderhavige zaak. Voorts is verdachte in op 6 juni 2012, 15 augustus 2016 en op 17 februari 2017 tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld.

De rechtbank is op grond van voormelde ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen van oordeel dat de door de officier van justitie geformuleerde eis dient te worden gevolgd.

Benadeelde partij


[slachtoffer 4]
heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit, alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat eerst dient te worden uitgezocht of de vordering inmiddels is voldaan door [getuige] nu deze een boete heeft betaald die op onderhavig feit betrekking heeft.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de raadsvrouw dat de vordering reeds is voldaan door [getuige] niet is onderbouwd zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Benadeelde partij


[slachtoffer 2]
heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar met uitzondering van de post ‘inventaris’ nu deze post onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich achter het standpunt van de officier van justitie gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de post ‘inventaris’ onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Voor het overige is de vordering niet betwist en derhalve voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Benadeelde partijen

De benadeelde partijen [naam] en [naam] hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting in het strafproces gevoegd.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partijen zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen en zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling zaaknummer: 99.000449-31

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van verdachte toe te wijzen. Het betreft een periode van 812 dagen. Verdachte heeft zich binnen de v.i.-periode schuldig gemaakt aan strafbare feiten en heeft daardoor de algemene voorwaarden overtreden.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd omtrent de vordering van de officier van justitie. Wel dient een toewijzing van de vordering gerelateerd te worden aan hetgeen bewezen wordt geacht.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is bij uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest ter zake het plegen van onder meer een woning overval en bij uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 juni 2012 tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest.

Over deze straffen is op 31 augustus 2015 v.i. verleend over een detentieperiode van 819 dagen, welke beslissing op 25 augustus 2015 aan verdachte is betekend. Na de gedeeltelijke herroeping door de politierechter in de Rechtbank Noord-Nederland bij uitspraak van 15 augustus 2016 bedraagt de duur van de v.i.-periode thans nog 812 dagen.

Naast een aantal bijzondere voorwaarden is als algemene voorwaarde bij de v.i. gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. De vordering die de officier van justitie op 16 januari 2017 bij de rechtbank heeft ingediend, strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in verband met de onder parketnummer 18.930263-16 ten laste gelegde feiten.

Gebleken is dat verdachte zich binnen 4 maanden na ingang van de proeftijd en derhalve voor het einde van voornoemde proeftijd aan ernstige strafbare feiten (te weten het opnieuw plegen van een woning overval) heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Verdachte heeft zich niets gelegen laten liggen aan de wetenschap dat bij overtreding van de voorwaarden waaronder hij in vrijheid werd gesteld

-zoals het hernieuwd plegen van een ernstig misdrijf- hem een detentie van substantiële duur boven het hoofd hing. De rechtbank ziet hierin aanleiding de voorwaardelijke invrijheidstelling in zijn geheel te herroepen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15g, 15i, 27, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 6 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 103,56 (zegge: éénhonderd drie euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 103,56 (zegge: éénhonderd drie euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 8109,56 (zegge: achtduizendhonderdnegen euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer


[slachtoffer 2]
te betalen een bedrag van € 8109,56 (zegge: achtduizendhonderdnegen euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 2015,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling onder nummer

99-000449-31

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast alsnog de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat door toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling nog niet is ten uitvoer gelegd, te weten:

812 dagen gevangenisstraf
.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2017.

Mr. Läkamp en mr. Blom zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.