ECLI:NL:RBNNE:2017:1945 Rechtbank Noord-Nederland , 01-06-2017 / 18/930313-16

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930313-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.F. Severs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging- ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 september 2015,

te of bij Beilen, (in elk geval) in de gemeente Midden-Drenthe,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N381,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden,

doordat verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl het zicht ter plaatse en/of het

uitzicht van verdachte niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig niet voortdurend zijn aandacht

bij de weg en/of het verkeer heeft gehouden en/of

(daarbij) niet, in elk geval in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

weggedeelte van die en het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten

en/of

in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met zich voor hem, verdachte, op

die weg bevindende (andere) stilstaande motorrijtuigen die alarmlichten en/of

waarschuwingslichten voerden en/of

(daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in

staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij die weg kon overzien en waaover deze vrij was

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig aangereden

of opgebotst tegen die zich voor hem op die weg bevindende motorrijtuigen

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood, in elk geval zodanig

(zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dat die daaraan is overleden,

en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel (te weten zes gebroken ribben en/of gekneusde longen) werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 september 2015,

te of bij Beilen, (in elk geval) in de gemeente Midden-Drenthe,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

N381,

tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig niet voortdurend zijn aandacht

bij de weg en/of het verkeer heeft gehouden en/of

(daarbij) niet, in elk geval in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

weggedeelte van die en het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten

en/of

in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met zich voor hem, verdachte, op

die weg bevindende (andere) stilstaande motorrijtuigen die alarmlichten en/of

waarschuwingslichten voerden en/of

(daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in

staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij die weg kon overzien en waaover deze vrij was

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig aangereden

of opgebotst tegen die zich voor hem op die weg bevindende motorrijtuigen

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat de gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ter zake van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 18 mei 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 25 september 2015 reed ik met mijn personenauto, een Landrover voorzien van het kenteken [kenteken] , op de N381 bij Beilen. Ik was onderweg naar Assen. Ik had haast want in Assen wachtte iemand op mij met wie ik een afspraak had. Die afspraak was ik vergeten. Ik voelde me daar schuldig over en was met mijn gedachten bij die afspraak. U houdt mij voor dat in mijn telefoon is gezien dat ik tijdens het rijden om 10:21 uur heb uitgebeld naar een collega en dat dit gesprek duurde tot 10:22 uur. Dat klopt. Ik heb die collega handsfree gebeld en gesproken over de door mij vergeten afspraak. Ook heb ik om 10:24 uur een WhatsApp-bericht verstuurd met de tekst: "Ja". Direct daarna ging het mis en botste ik tegen de achterste auto van een rij stilstaande auto's op. Ik zag de file te laat. Ik heb niet geremd maar heb geprobeerd uit te wijken naar de berm. Ik raakte een verkeersbord, ben terug de weg opgereden en heb daar een auto geraakt. Ik denk dat ik ongeveer 90 à 100 kilometer per uur reed.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse van Politie Noord-Nederland d.d. 27 oktober 2015, proces-verbaal nummer 25091509301112, opgenomen op pagina 31 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 25 september 2015 hebben wij een onderzoek ingesteld naar een verkeersongeval op de N381 tussen Westerbork en Beilen. Tijdens het technisch onderzoek van de betrokken voertuigen zijn er door ons geen gebreken aangetroffen die eventueel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van deze aanrijding. Gelet op en rekening houdende met de gehele aangetroffen sporen en situatie heeft het volgende plaatsgevonden. De primaire aanrijding had plaats tussen de langzaam rijdende dan wel stilstaande Volkswagen Golf ( [kenteken] ) en de achterop komende Landrover ( [kenteken] ). Om technisch niet te achterhalen reden is de Landrover met de linker voorzijde op de rechter achterzijde van de Volkswagen gebotst. Deze aanrijding had plaatsgevonden met een groot snelheidsverschil. De Volkswagen roteerde hierdoor naar links en nam een deel van de voorwaartse energie van de Landrover over en schoot hierdoor zijwaarts met de rechterzijde van het voertuig tegen de voor hem staande Peugeot Partner aan. Vervolgens schoot de Volkswagen door over de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer en via de berm in de linker sloot.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een verslag betreffende het niet natuurlijke overlijden van [slachtoffer 3] , d.d. 27 september 2015 opgemaakt door P.H. Voskuil (arts), inhoudende:

Het betreft het plotseling overlijden van een 74-jarige vrouw, die voordien gezond was. Ze is overleden aan zuurstoftekort aan de hersenen, als gevolg van verbloeding in de buikholte en als gevolg van het verminderd vermogen van de longen om zuurstof op te nemen in verband met uitgebreide ribbreuken. De wonden zijn ontstaan, nadat de auto, waar mevrouw in zat, is aangereden op de N381.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 8 oktober 2015 opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op vrijdag 25 september 2016 bestuurde ik mijn Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] . Mijn moeder zat op de passagiersplek. We reden via de N381 in de richting van Drachten. Ergens in de buurt van Westerbork moest ik stoppen. Voor mij stond een hele rij auto's. Ik remde af en deed de gevarenverlichting aan. Ik was de laatste in de rij. Op een gegeven moment zag ik in mijn achteruitkijkspiegel een grote auto aan komen rijden. Ik zag hem met hoge snelheid op ons afkomen. Op dat moment werden we ook al geraakt. Ik ben naar het ziekenhuis in Groningen gebracht. Ook mijn moeder is daar naartoe gebracht en is daar uiteindelijk overleden. Mijn eigen letsel bestond onder andere uit zes gebroken ribben en gekneusde longen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 25 september 2015 opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik reed op 25 september 2015 in een Volvo met kenteken [kenteken] op de N381. Ik zag dat bij de auto die voor mij reed de gevarenlichten aan gingen en dat deze tot stilstand kwam. Hierop deed ik mijn gevarenlichten ook aan en kwam eveneens tot stilstand.

Bewijsoverweging ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Om tot een veroordeling op grond van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” in het kader van de WVW houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (HR 5 april 2011, NJ 2011/172). Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, NJ 2005/253).

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft met zijn auto, met een vermoedelijke snelheid van in ieder geval 90 tot 100 km per uur gereden op de N381. Verdachte was onderweg naar een afspraak die hij was vergeten. Tijdens het rijden heeft verdachte handsfree een telefoongesprek gevoerd, waarna hij nog een WhatsApp-bericht heeft gelezen en beantwoord. Verdachte heeft hierdoor zijn aandacht gedurende langere tijd, in ieder geval langer dan een enkel ogenblik, onvoldoende bij het verkeer gehouden, waardoor hij een voor hem op zijn weghelft ontstane file niet tijdig heeft opgemerkt en zonder te remmen is opgebotst tegen de achterste auto van die file. Ten gevolge hiervan is de bijrijdster van deze auto dusdanig ernstig gewond geraakt dat zij enige tijd later in het ziekenhuis aan haar verwondingen is overleden. De bestuurder van de auto heeft ten gevolge van deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval om meer dan een enkel moment van onoplettendheid in het verkeer (onder meer HR 17 februari 2009, VR 2009/102 en HR 14 april 2009, NJ 2009/197). Verdachte was met zijn gedachten bij de vergeten afspraak, hij heeft gebeld en geappt. Uit de omstandigheid dat om 10.21 uur is uitgebeld en het ongeval om 10.26 uur ter kennis van verbalisanten kwam, leidt de rechtbank af dat verdachte gedurende langere tijd zijn aandacht niet bij het verkeer heeft gehad. Daardoor heeft verdachte gebeurtenissen die zich op de weg voor hem afspeelden - stilstaande auto’s waarvan enkele met alarmlichten aan - niet gezien, die hij evident had moeten zien en die andere weggebruikers voor hem wel hebben gezien.

Het verkeersgedrag van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank van zodanige ernst dat dit niet anders te kwalificeren is dan zeer onvoorzichtig en onoplettend. Daarbij is de rechtbank niet gebleken van feiten en/of omstandigheden waaruit valt af te leiden dat verdachte ook bij normaal rijgedrag en oplettendheid de file niet had kunnen opmerken.

Verdachte wordt derhalve op grond van bovenstaande bewijsmiddelen schuldig bevonden aan het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 25 september 2015,

bij Beilen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N381,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden,

doordat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl het zicht ter plaatse

en het uitzicht van verdachte niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd,

tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig niet voortdurend zijn aandacht

bij de weg en het verkeer heeft gehouden en

(daarbij) niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten en

in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met zich voor hem, verdachte, op

die weg bevindende stilstaande motorrijtuigen die alarmlichten of

waarschuwingslichten voerden en

(daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in

staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig aangereden

of opgebotst tegen die zich voor hem op die weg bevindende motorrijtuigen

waardoor een ander genaamd [slachtoffer 1] zodanig (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dat die daaraan is overleden en

waardoor een ander genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten zes gebroken ribben en gekneusde longen) werd toegebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair overtreding van artikel 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde, daarbij uitgaande van zeer onvoorzichtig en onoplettend, wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een rijontzegging wordt opgelegd voor de duur van 18 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om verdachte geen (on)voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en een eventueel op te leggen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen in duur zo beperkt mogelijk te houden, gelet op het belang dat verdachte heeft bij het behoud van zijn rijbewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan de bestuurder van de door hem aangereden personenauto zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de bijrijdster, moeder van de bestuurder, dusdanig zwaar gewond is geraakt dat zij aan haar verwondingen is overleden.

Door voornoemd verkeersgedrag is aan zowel de bestuurder als aan de overige nabestaanden van het dodelijke slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht, welk leed ter terechtzitting indringend door de bestuurder onder woorden is gebracht middels het voorlezen van een slachtofferverklaring. Daarnaast blijkt uit de slachtofferverklaring dat de bestuurder nog dagelijks lichamelijke beperkingen als gevolg van het ongeval ondervindt.

De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan en overweegt dat een dergelijk feit het opleggen van een substantiële straf zonder meer rechtvaardigt, waarbij zij zich realiseert dat geen enkele straf het veroorzaakte leed ongedaan kan maken. Daarbij dient evenmin uit het oog te worden verloren dat ook verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag voor anderen niet heeft gewild en deze ten zeerste betreurt.

In het nadeel van verdachte betrekt de rechtbank bij de straftoemeting dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank is, alles overziend, van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur van 240 uren passend en geboden is. Daarnaast legt de rechtbank - gezien de ernst en gevolgen van het ongeval voor de slachtoffers en/of nabestaanden - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaren. Ook zal de rechtbank ter bescherming van de verkeersveiligheid aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank legt een deel van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijden te besturen voorwaardelijk op, nu verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs en hij door de ontzegging zwaarder dan gemiddeld genomen wordt getroffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Voorts:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de tijd van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter, mr. P.H.M. Tapper-Wessels en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2017.

Mr P.H.M. Tapper-Wessels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.