ECLI:NL:RBNNE:2017:2022 Rechtbank Noord-Nederland , 02-06-2017 / 18/830259-16

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830259-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

2 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

19 mei 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. K. Post.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2014 tot en met januari 2016 op diverse data en tijdstippen, te

[pleegplaats] (gemeente Oldambt), althans in Nederland, meermalen althans eenmaal, met zijn minderjarig stief- of pleegkind [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2003), althans met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2003), ontucht heeft gepleegd door het "vingeren" althans aanraken van de vagina van die [slachtoffer] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 5 februari 2015 tot en met januari 2016 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] , hebbende verdachte

-zijn vinger(s) in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht en/of

-zijn penis tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht en/of

-haar vagina gestreeld en/of

-haar borsten gestreeld/betast en/of

-zijn penis door haar laten betasten;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 5 februari 2015 tot en met januari 2016 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind en/of (als verzorger) met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003, immers heeft hij

-haar vagina gestreeld en/of

-zijn penis tegen haar vagina geduwd en/of

-haar borsten gestreeld/betast en/of

-zijn penis door haar laten betasten.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat

op grond van de bewijsmiddelen bewezen kan worden dat verdachte in totaal drie keer seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer. Eén van die keren valt onder het onder 2 primair ten laste gelegde. Dat brengt mee dat de overige twee keren onder het onder 1 ten laste gelegde vallen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte ook die keren de vagina van het slachtoffer heeft betast.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en

2 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Verdachte ontkent dat er sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam en het slachtoffer heeft er geen verklaring over afgelegd. Gelet op de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad levert het enkele aanraken van de clitoris geen seksueel binnendringen op.

Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen slechts bewezen kan worden dat verdachte één keer seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer. Ten aanzien van de andere twee keren, die door de officier van justitie onder feit 1 zijn ten laste gelegd, blijkt onvoldoende concreet waar de handelingen uit bestonden, onder andere door het ontbreken van een verklaring van het slachtoffer hieromtrent. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde derhalve niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 19 mei 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

In november 2015 of december 2015 is er eenmalig sprake geweest van seksuele handelingen tussen [slachtoffer] en mij. [slachtoffer] heeft daarbij ook mijn penis betast.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 januari 2016 opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier met nummer

2016011234 d.d. 30 juni 2016, inhoudende als verklaring van [moeder slachtoffer] :

Ik woon in [pleegplaats] aan de [straatnaam] onder andere met mijn dochter [slachtoffer] . Zij is geboren op [geboortedatum] 2003. [verdachte] heeft mij verteld dat [slachtoffer] en hij aan elkaar hadden gezeten. [verdachte] zei tegen mij dat hij aan de borsten en vagina van [slachtoffer] had gezeten. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] met zijn vingers in haar vagina had gezeten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 7 juni 2016, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

In november of december 2015 lagen [slachtoffer] en ik op bed heel dicht bij elkaar. Toen is het eigenlijk langzamerhand gebeurd. We zijn wat gaan knuffelen en na een tijdje had ik mijn hand in haar broek. Volgens mij heb ik mijn hand op haar vagina gelegd. Ik heb haar clitoris met mijn vinger aangeraakt. Dat is zo een paar minuten geweest. Ze raakte mijn penis aan met haar hand. Ik heb toen mijn penis uit mijn broek gehaald. Ik heb mijn penis tegen haar vagina gehouden. Ik heb toen een condoom gepakt. We lagen weer naast elkaar, eigenlijk achter elkaar. Ik heb liggen frunniken aan haar vagina. Ik deed hetzelfde als voorheen, haar clitoris aangeraakt. Met mijn andere hand heb ik het condoom omgedaan. Toen heb ik mijn penis tegen haar vagina aangehouden, tussen haar benen. Ik heb van voor naar achteren bewogen. Ik heb haar clitoris met mijn penis bevredigd.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij de clitoris van het slachtoffer gedurende een aantal minuten met zijn hand heeft aangeraakt en dat hij zijn penis tegen haar vagina, clitoris, heeft aangehouden en van voor naar achteren heeft bewogen.

Seksueel binnendringen betreft ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking. De grote en kleine schaamlippen vormen een natuurlijke lichaamsopening die kan worden binnengedrongen. Voor het aanraken van de clitoris zal de natuurlijke lichaamsopening van de grote en kleine schaamlippen worden binnengedrongen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de handelingen van verdachte zoals hiervoor omschreven gekwalificeerd kunnen worden als mede bestaand hebbende uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 5 februari 2015 tot en met januari 2016 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] , hebbende verdachte

-zijn vingers tussen haar schaamlippen gebracht en

-zijn penis tussen haar schaamlippen gebracht en

-haar vagina gestreeld en

-haar borsten gestreeld en

-zijn penis door haar laten betasten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. Aan het voorwaardelijke deel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden van een meldplicht bij de reclassering en een behandeling bij de AFPN. Tot slot heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder andere gelet op de geldende richtlijnen van het openbaar ministerie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een (maximale) onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte reeds een behandeling ondergaat bij de AFPN.

Daarnaast blijkt uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport dat het recidivegevaar laag is. Tot slot is verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van het slachtoffer, zijn twaalfjarige stiefdochter. Door zijn handelen heeft verdachte het gevoel van veiligheid en vertrouwen van zijn stiefdochter beschaamd. Verdachte heeft zijn stiefdochter gebruikt voor zijn eigen seksuele gerief. Hij heeft daarbij zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren en heeft daarmee de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn stiefdochter op grove wijze geschonden. De algemene ervaring leert dat de gevolgen van dergelijk misbruik ernstige schadelijke effecten hebben op de ontwikkeling van het slachtoffer en op het vertrouwen dat het slachtoffer in haar omgeving heeft.

Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank er voorts rekening mee gehouden dat verdachte weinig verantwoordelijk neemt voor het door hem gepleegde strafbare feit.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en dat hij vrijwillig hulp heeft gezocht naar aanleiding van het door hem gepleegde feit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur de enige passende sanctie is. De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie.

Van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank een deel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank doet dit om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte een gebrek aan inzicht in zijn problematiek en in zijn motieven heeft, hetgeen door de reclassering als een risicofactor wordt geduid. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf de door de reclassering in het rapport van 10 maart 2017 geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, nu de rechtbank behandeling door de AFPN passend acht en het gegeven dat deze behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, een goed verloop van het behandelproces kan bevorderen. Op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Nu uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport blijkt dat er weliswaar sprake is van een risicofactor, zoals hiervoor is weergegeven, maar dat uit Static '99 blijkt dat het risico op recidive laag is, zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht niet bevelen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt wanneer hij uitgenodigd wordt bij Reclassering Nederland, locatie Groningen. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering Groningen bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering Groningen gedurende deze periode nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

2. dat de veroordeelde een ambulante (dag-)/deeltijdbehandeling volgt bij de AFPN of vergelijkbare instelling in het forensisch circuit, gericht op mogelijke delict scenario's, zijn eigen handelen, seksualiteit en eigen beperkingen binnen de relaties zolang de AFPN of vergelijkbare instelling dit noodzakelijk acht. Ook werkt betrokkene mee aan de vervolgbegeleiding indien dit noodzakelijk wordt geacht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mrs. M.J. Oostveen en O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2017.