ECLI:NL:RBNNE:2017:2245 Rechtbank Noord-Nederland , 26-06-2017 / 18/830131-17

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830131-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeijne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 28 maart 2017 in de gemeente Groningen en/of (elders) in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander of anderen, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2000), (telkens) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°)

terwijl die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, (telkens) de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

bestaande die enige handeling(en) en/of dat voordeel trekken hieruit, dat verdachte (telkens)

- die [slachtoffer] (pikante) foto('s) heeft laten maken en/of (vervolgens) advertentie(s) heeft gemaakt/vervaardigd en/of geplaatst en/of laten maken/vervaardigen en/of plaatsen op internetsite(s) (onder meer website "Thuisontvangst.xxx") waarin die [slachtoffer] (onder de naam " [naam] ") werd aangeboden als prostituee, en/of

- die [slachtoffer] in de gelegenheid heeft gesteld om (tegen betaling) seks te hebben met een of meer mannen, en/of (vervolgens) heeft tewerkgesteld, en/of laten werken, als prostituee en/of daartoe afspraken heeft gemaakt, en/of laten maken, met een of meer (potentiële) klanten en/of

- een (werk)kamer/plek en/of huisvesting/onderdak (onder meer [naam hotel] te Zuidbroek, (omgeving) Winschoten, woning [straatnaam] te Zeist, en/of [naam hotel] te Groningen) voor die [slachtoffer] heeft geregeld, en/of laten regelen, en/of ter beschikking gesteld, en/of die [slachtoffer] heeft vervoerd naar en/of van die/dat/een (werk)adres(sen)/plek(ken) en/of woning(en)/verblijfplaats(en) en/of

- zorg heeft gedragen voor controle en/of begeleiding en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of verdiensten en/of afspraken over de uitbetaling van de verdiensten van die [slachtoffer] (onder de naam " [naam] "), en/of

- ( aldus) op 25 maart 2017 die [slachtoffer] heeft vervoerd naar [naam hotel] te Zuidbroek en/of in dat hotel een kamer heeft gehuurd, alwaar die [slachtoffer] telefonisch contact met (een) (potentiële) klant(en) voor seks tegen betaling heeft gehad, en/of op 28 maart 2017 die [slachtoffer] heeft vervoerd naar het [naam hotel] te Groningen, alwaar die [slachtoffer] een afspraak had om met een klant tegen betaling seks te hebben, en/of (vervolgens) die klant daar heeft ontmoet en/of met die klant voor seks tegen betaling naar een hotelkamer is gegaan

- die [slachtoffer] (een gedeelte van) de verdiensten of opbrengsten uit haar prostitutie heeft laten afstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 28 maart 2017 in de gemeente Groningen en/of (elders) in Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens) een ander of anderen, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2000), (telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 2°)

terwijl die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, (telkens) de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

bestaande die enige handeling(en) en/of dat voordeel trekken hieruit, dat verdachte (telkens)

- die [slachtoffer] (pikante) foto('s) heeft laten maken en/of (vervolgens) advertentie(s) heeft gemaakt/vervaardigd en/of geplaatst en/of laten maken/vervaardigen en/of plaatsen op internetsite(s) (onder meer website "Thuisontvangst.xxx") waarin die [slachtoffer] (onder de naam " [naam] ") werd aangeboden als prostituee, en/of

- die [slachtoffer] in de gelegenheid heeft gesteld om (tegen betaling) seks te hebben met een of meer mannen, en/of (vervolgens) heeft tewerkgesteld, en/of laten werken, als prostituee en/of daartoe afspraken heeft gemaakt, en/of laten maken, met een of meer (potentiële) klanten en/of

- een (werk)kamer/plek en/of huisvesting/onderdak (onder meer [naam hotel] te Zuidbroek, (omgeving) Winschoten, woning [straatnaam] te Zeist, en/of [naam hotel] te Groningen) voor die [slachtoffer] heeft geregeld, en/of laten regelen, en/of ter beschikking gesteld, en/of die [slachtoffer] heeft vervoerd naar en/of van die/dat/een (werk)adres(sen)/plek(ken) en/of woning(en)/verblijfplaats(en) en/of

- zorg heeft gedragen voor controle en/of begeleiding en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of verdiensten en/of afspraken over de uitbetaling van de verdiensten van die [slachtoffer] (onder de naam " [naam] "), en/of

- ( aldus) op 25 maart 2017 die [slachtoffer] heeft vervoerd naar [naam hotel] te Zuidbroek en/of in dat hotel een kamer heeft gehuurd, alwaar die [slachtoffer] telefonisch contact met (een) (potentiële) klant(en) voor seks tegen betaling heeft gehad, en/of op 28 maart 2017 die [slachtoffer] heeft vervoerd naar het [naam hotel] te Groningen, alwaar die [slachtoffer] een afspraak had om met een klant tegen betaling seks te hebben, en/of (vervolgens) die klant daar heeft ontmoet en/of met die klant voor seks tegen betaling naar een hotelkamer is gegaan

- die [slachtoffer] (een gedeelte van) de verdiensten of opbrengsten uit haar prostitutie heeft laten afstaan;

2.

hij op of omstreeks 28 maart 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 28,05 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

(gevoegd parketnummer 18/067653-17)

hij op of omstreeks 7 maart 2017 te Oude Pekela, gemeente Pekela, een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft zich jegens [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mensenhandel zoals onder 1 primair ten laste is gelegd. Zoals uit de stukken is gebleken was [slachtoffer] werkzaam als prostituee en heeft verdachte handelingen - als vermeld in de tenlastelegging - ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] haar prostitutiewerkzaamheden voort zou zetten. Verdachte heeft in strijd met de waarheid verklaard dat hij niet op de hoogte was van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] .

Het onder 2 ten laste gelegde is te bewijzen op grond van de omstandigheden dat de cocaïne in een door verdachte gehuurde auto is aangetroffen, verdachte naar eigen zeggen als enige in de auto heeft gereden en dat op zijn telefoon drugsgerelateerde (tap)gesprekken zijn gevoerd en appberichten zijn verzonden.

Het onder 3 ten laste gelegde is onder meer op grond van de bekennende verklaring van verdachte te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het onder 1 ten laste gelegde heeft verdachte ontkend en uit de stukken - waaronder tapgesprekken - is niet af te leiden dat verdachte [slachtoffer] ertoe heeft gebracht als prostituee aan het werk te gaan. Evenmin is gebleken dat hij handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij zich daardoor tot dergelijke werkzaamheden beschikbaar zou stellen. De voor verdachte belastende verklaringen die [naam] heeft afgelegd zijn onbetrouwbaar. [slachtoffer] , die geen aangifte van het feit heeft gedaan, is iemand die heel goed weet wat zij moet doen en die zich door niemand de les laat lezen. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte voordeel heeft genoten van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] , dus waarom zou hij die werkzaamheden dan hebben gefaciliteerd. Verdachte heeft [slachtoffer] op 28 maart 2017 naar [naam hotel] gebracht om te voorkomen dat zij zich daar anders door andere, minder leuke, jongens uit Utrecht naartoe zou laten brengen. [slachtoffer] maakte verder veel gebruik van de telefoon van verdachte zodat aanwijzingen dat zij zich met prostitutiewerkzaamheden bezig hield, zoals die uit de telefoon van verdachte mogelijk naar voren zijn gekomen, niet per definitie aan hem te linken zijn.

Subsidiair is de raadsman van mening dat indien de rechtbank ondanks vorengaande tot een bewezenverklaring komt, de pleegperiode beperkt dient te worden tot één dag, te weten 28 maart 2017.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is niet uit te sluiten dat de cocaïne van iemand anders dan verdachte is geweest, bijvoorbeeld van een vorige huurder van de auto. De cocaïne lag niet in het zicht en op de verpakking ervan is geen DNA van verdachte aangetroffen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich voor wat betreft de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 juni 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

[slachtoffer] vertelde mij op zondag 26 maart 2017 haar verhaal, zij had vreselijke dingen meegemaakt. Na onze aanhouding op 7 maart 2017 was [slachtoffer] geplaatst in het Poortje. Toen zij vrij kwam stond ze onder begeleiding van een jeugdinstantie. Zij heeft tegen mij gezegd dat ze met mannen afsprak om een drankje te doen of te shoppen en dat ze daar geld voor kreeg. Dat geld had ze nodig om van te leven. Ze had verder geen inkomen. Van 25 op 26 maart 2017 heb ik met [slachtoffer] overnacht in [naam hotel] te Zuidbroek en de volgende ochtend hebben wij samen het hotel verlaten. Ik heb haar op 28 maart 2017 naar het [naam hotel] in Groningen gebracht waar zij toen tegen betaling een afspraak had met een man. Ik was bezorgd en ben op weg naar het hotel een aantal keren gestopt omdat ik haar van gedachten wilde laten veranderen. Ze zei dat als ik haar niet zou brengen zij anderen zou vragen haar te brengen en dan ging het om mensen die je beter niet kunt kennen. Ze had gedoe met dit soort mensen in Utrecht. Tussen 24 en 28 maart 2017 was zij ook steeds bij mij.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 8 maart 2017, opgenomen op pagina 82 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2017059593, d.d. 18 mei 2017, inhoudende als verklaring van verdachte:

(p. 84) Gisteren, dinsdag 7 maart 2017, zag ik dat er spullen misten die ik bij [naam] had. Het ging in ieder geval om condooms. Hij gaf mij toen een Albert Heijn tas. Het leek alsof de tas vol was maar er zaten alleen maar condooms in.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van pseudokoop d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 221 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC17009-JEPPI, d.d. 9 mei 2017, inhoudende als relaas van verbalisant PS 19:

In het kader van een onderzoek naar mensenhandel seksuele uitbuiting van een minderjarige kreeg ik de opdracht om telefonisch contact te zoeken met een minderjarige vrouw die zich als prostituee aanbood op het internet. Vervolgens luidde de opdracht om als klant met deze minderjarige vrouw een afspraak te maken om betaalde seks te hebben in een bepaalde hotelkamer in Groningen. Genoemde vrouw bood zich aan als prostituee in een advertentie met de naam "Lekkere hete seks op koude dagen" op de site www.thuisontvangst.xxx. In de tekst van de advertentie werd onder andere vermeld dat zij [naam] heette en een 21 jarige student was. Verder stond in de advertentie het telefoonnummer [nummer] .

Verder kreeg ik een recente foto van de betrokken vrouw, genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000 te Leeuwarden, voor een eventuele herkenning.

Op dinsdag 28 maart 2017 omstreeks 13:45 uur belde ik met het in de advertentie vermelde nummer [nummer] . Ik hoorde dat de oproep werd beantwoord door een vrouwelijk klinkende stem en zij noemde de naam [naam] . Ik antwoorde dat ik belde naar aanleiding van de advertentie op thuisontvangst en dat ik graag een afspraak met haar wilde maken. Ik

zei dat ik vanavond graag met haar naar bed wilde op mijn hotelkamer in het [naam hotel] in Groningen. De vrouw antwoorde dat dit kon waarna ik haar vroeg wat het ging kosten en wat er allemaal kon. Ik hoorde de vrouw zeggen dat het € 120,- ging kosten. Ik zei

dat dit goed was en dat ik haar graag om 19:30 uur in de lobby van het hotel zou opvangen. Ik heb vervolgens het adres van het hotel naar de vrouw geappt.

(p. 224) Op dinsdag 28 maart 2017 vanaf 20:35 uur bevond ik mij in de hotellobby van het [naam hotel] in Groningen. Ik zag een jonge licht getinte vrouw de lobby inlopen die een sterke gelijkenis vertoonde met de vrouw op de foto die aan mij was verstrekt. Zij kwam op mij afgelopen en stelde zich voor als [naam] . Nadat ik met [naam] wat had gedronken in de hotelbar werd afgesproken dat er in de hotelkamer zou worden afgerekend voorafgaand aan de seks.

(p. 225) Omstreeks 21:40 uur gingen wij naar boven. Aangekomen bij de hotelkamer opende ik met de aan mij verstrekte sleutel de kamerdeur en liet [naam] voorgaan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2017, opgenomen op pagina 34 van laatstgenoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

Ik kan mij nog herinneren dat ongeveer 2 weken geleden [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) bij mijn huis kwam en dat hij die andere twee bij zich had. Die donkere jongen heet volgens mij [naam] (fonetisch). Dat meisje heet volgens mij [naam] . Zij heeft een advertentie op speurders.nl, waarin zij als hoer haar diensten aanbiedt. Ik ben daar achter gekomen toen ik [verdachte] , [naam] en [naam] daar over hoorde praten en ik op Speurders ben gaan kijken. Ik herkende [naam] aan de kleding(ondergoed) welke zij op de foto droeg. Ik

heb namelijk het ondergoed van haar wel eens gewassen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 129 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 17 maart 2017 hebben wij de in beslag genomen personenauto, merk Audi A8, voorzien van het kenteken JK-019-S onderzocht. Wij hebben daarin aangetroffen, een AH-zak met daarin 100 condooms en twee tassen toebehorend aan [slachtoffer] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 54 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 9 maart 2017 ontvingen we uit de handen van [naam] twee tassen afkomstig uit het

voertuig, merk Audi, met het kenteken [nummer] .

(p. 55) In de plastic zak van de H en M zat hoofdzakelijk lingerie. Er zat ook een gesloten enveloppe bij… op de buitenzijde van deze enveloppe was het volgende geschreven: [naam] @outlook.com...

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 174 van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Uit het onderzoek aan de tassen van [slachtoffer] bleek dat zij een lingerie set bezit

soortgelijk aan de lingerie set zichtbaar op de foto als te zien in advertenties op Speurder.nl..

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2017, opgenomen op pagina 141 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op dinsdag 7 maart 2017, omstreeks 19.40 uur was ik aanwezig in het politiebureau te Winschoten. De drie verdachten, [verdachte] , [naam] en [naam] waren ingesloten in de ophoudkamers van het politiebureau te Winschoten. Terwijl ik bezig was hoorde ik dat de verdachten tegen elkaar begonnen te roepen. Ik kon dit gesprek goed horen. Verdachte [naam] zegt daarbij : "Straks gaan ze die "koosoes" (de rechtbank begrijpt: condooms) vinden in die tas."

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2017, opgenomen op pagina 171 van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op zondagmiddag 26 maart 2017 heb ik telefonisch contact gehad met een manager van [naam hotel] te Zuidbroek. Zij bevestigde dat [verdachte] om 12.10 uur heeft uitgecheckt en is vertrokken in een auto. Volgens deze manager zaten er 2 personen in de auto. De manager heeft nogmaals de camerabeelden bekeken en mij verteld dat er 2 personen

zijn vertrokken waaronder [verdachte] en waarschijnlijk een vrouw.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 maart 2017, opgenomen op pagina 151 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Onder meer worden de telefoongesprekken opgenomen en uitgewerkt van nummer [nummer] . Het vermoeden bestaat dat dit nummer in gebruik is bij [slachtoffer] . Op zondag 26 maart 2017 om 12:20 uur wordt er gebeld naar het nummer [nummer] door een man welke zich [naam] (Fonetisch) noemt.

[naam] =a

[naam] =b

(p. 152) a: Nee dat doe ik niet als ik op escort ga

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2017, opgenomen op pagina 320 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ten tijde van zijn aanhouding op 28 maart 2017 reed [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) als bestuurder en enig inzittende in een zwarte Renault Clio met het kenteken [nummer] . In de auto werd een huurovereenkomst (pagina 322) aangetroffen van [naam bedrijf] . De huurovereenkomst betreft de zwarte Renault Clio met kenteken [nummer] en is gesloten tussen [naam bedrijf] en verdachte [verdachte] . De overeenkomst is ingegaan op 13 maart 2017.

2. De door verdachte op de terechtzitting van 12 juni 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb de Renault Clio met kenteken [nummer] gehuurd van [naam bedrijf] met ingang van 13 maart 2017 en heb deze onafgebroken gehuurd tot en met 28 maart 2017. Ik ben de enige die in de auto heeft gereden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2017, opgenomen op pagina 235 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Tijdens een gesprek op 30 maart 2017 vertelde [naam] onder meer het volgende: hebben jullie al onder de versnellingspook gekeken? Daar bewaren ze de drugs.

Naar aanleiding van dit gesprek hebben wij nader onderzoek verricht in de zwarte Renault Clio met kenteken [nummer] . Onder de hoes van de versnellingspook troffen wij in de ruimte van de middenconsole het volgende aan:

- Drie plastic zakjes, formaat boterhamzakje, met daarin een deels harde, deels poederachtige witte stof (vermoedelijk drugs)

- Eén inklapbaar, digitaal weegschaaltje.

Door ons, verbalisanten, zijn de drie plastic zakjes voornoemd, inclusief inhoud, gewogen op een niet geijkte weegschaal. Dit leverde de volgende uitslag op:

- Zak 1: ruim 22 gram;

- Zak 2: ruim 15 gram ;

- Zak 3: ruim 2 gram.

4. Een mutatierapport d.d. 3 april 2017, opgenomen op pagina 601 van laatstgenoemd dossier, inhoudende:

KVI mbt aangetroffen goederen onder versnellingspook opgemaakt

Sporendrager:

PL0100-2017066213-857607, verdovende mid, kleur wit,

Nederland, inhoud witte stof, deels hard, deels

poederachtig, bijzonderheden plastic zakje, formaat

boterhamzakje, met witte stof

Sporendrager:

PL0100-2017066213-857613, verdovende mid, kleur wit,

Nederland, inhoud witte stof, deels hard, deels

poederachtig, bijzonderheden plastic zakje, formaat

boterhamzakje, met witte stof

Sporendrager:

PL0100-2017066213-857618, verdovende mid, kleur wit,

Nederland, inhoud witte sotf, deels hard, deels

poederachtig, bijzonderheden plastic zakje, formaat

boterhamzakje, met witte stof

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2017, opgenomen op pagina 247 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Goednummer PL0100-2017066213-857607, met een nettogewicht van 19,96 gram, reageert positief op cocaïne. Hiervan is een monster met SIN AAKD8974NL voor onderzoek naar het NFI gezonden.

Goednummer PL0100-2017066213-857613, SIN AAKP6112NL, met een nettogewicht van 8,09 gram, reageert positief op cocaïne. Hiervan is een monster met SIN AAKD8984NL voor onderzoek naar het NFI gezonden.

6. Een deskundigenrapport, opgenomen op pagina 249 van laatstgenoemd dossier, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.04.05.103, d.d. 7 april 2017, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Het onderzoeksmateriaal met kenmerk AAKD8984NL (8,09 gram poeder en brokjes, wit) bevat cocaïne.

7. Een deskundigenrapport, opgenomen op pagina 250 van laatstgenoemd dossier, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.04.05.103, d.d. 7 april 2017, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Het onderzoeksmateriaal met kenmerk AAKD8974NL (19.96 gram poeder en brokjes, wit) bevat cocaïne.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2017, opgenomen op pagina 356 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Op maandag 3 april 2017 heb ik onderzoek gedaan naar de Samsung Galaxy J320F (Ap.02.02) telefoon, die op 28 maart 2017 is aangetroffen in Renault, type Clio, voorzien van kenteken: [nummer] , waarin verdachte is aangehouden. Daarin is het volgende chatbericht van 28 maart 2017 tussen [naam] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) aangetroffen:

Inhoud:

C= [naam]

A = [verdachte]

(p. 362) C: Kan ik je vanavo d bellen

C: Moet zwz 20 rauw

C: Als.ik er 1 bij kan krijgen tot morgen zal tof zijn maar zwz 20

A: Regel 30 eu

A: Krijg je 2

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2017, opgenomen op pagina 369 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Op maandag 3 april heb ik onderzoek gedaan naar de Nokia, RM-962 telefoon, die op 28 maart 2017 is aangetroffen in Renault, type Clio, voorzien van kenteken: [nummer] , waarin verdachte is aangehouden. Daarin zijn de volgende sms-berichten aangetroffen:

(p. 370) op 29-03-2017 te 22:00:29: "Jo kerel al gpud? KUN je mij halve snuif brengen aub"

op 23-3-2017 te 21:16: 09: "OK hoop dat waxchten beloond word kwa quality! Maak je zakje van 20aubmoeten ff snel snel afhandelen als je er bent!"

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 maart 2017, opgenomen op pagina 68 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 - 2017059593, d.d. 18 mei 2017, inhoudende de relatering van verbalisanten.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 273f, eerste lid, sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting door anderen en op het profiteren daarvan. Een minderjarige op enigerlei faciliteren tot een rol in de prostitutie is strafbaar, onafhankelijk van de wil van de minderjarige. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is.

Verdachte heeft ontkend dat het hem tenlastegelgde feit ontkend en het slachtoffer heeft niet willen verklaren over haar werkzaamheden als prostituée en de rol van verdachte daarbij. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] ertoe heeft gebracht zich voor prostitutiewerkzaamheden beschikbaar te stellen.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel in de zin van het ondernemen van enige handeling waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen tegen betaling, namelijk het vervoeren van [slachtoffer] naar het [naam hotel] waar zij een afspraak had om met een klant tegen betaling seks te hebben en waar zij vervolgens die klant daar heeft ontmoet en met die klant voor seks tegen betaling naar een hotelkamer is gegaan.

[slachtoffer] was minderjarig en bevond zich in een zeer kwetsbare positie. Zij stond onder begeleiding van jeugdzorg waaraan zij zich wilde onttrekken. Zij had daarom onderdak nodig. Zij was tevens bezig uit zicht te blijven van mensen (met wie zij volgens verdachte "gedoe had") uit Utrecht, waar haar naam - net als in Groningen - was opgedoken in een onderzoek naar mensenhandel. Zij had geen inkomsten en verdiende haar geld door tegen betaling af te spreken met mannen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard van al deze omstandigheden, met uitzondering van haar minderjarigheid, op de hoogte te zijn geweest. Verdachte heeft tevens verklaard dat [slachtoffer] in het verleden "vreselijke dingen" had meegemaakt waarover zij hem heeft verteld.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] prostitutiewerkzaamheden verrichtte en heeft daartoe het volgende overwogen

[naam] heeft verklaard dat hij verdachte, [slachtoffer] en [naam] heeft horen praten over de advertentie van [slachtoffer] op Speurders.nl. De rechtbank heeft anders dan de raadsman geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen. Verder zijn in de auto waarin verdachte, [slachtoffer] en [naam] op 7 maart 2017 zijn aangehouden een tas met daarin 100 condooms en een tas van [slachtoffer] met daarin lingerie, soortgelijk aan de lingerieset die [slachtoffer] draagt op de foto's die zijn afgebeeld in de seksadvertenties op Speurders.nl. aangetroffen. In een gesprek dat tussen verdachte, [slachtoffer] en [naam] na genoemde aanhouding in de ophoudruimte in het politiebureau heeft plaatsgevonden wordt over de condooms gesproken. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte wist van de condooms. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte op 8 maart 2017 bij de politie heeft verklaard dat hij spullen miste die hij bij [naam] had en dat het onder meer ging om condooms. Voorts verklaarde hij dat hij zijn spullen ging ophalen en van [naam] toen een tas kreeg die vol leek en waar condooms inzaten. Verder heeft verdachte verklaard dat hij van 25 op 26 maart 2017 met [slachtoffer] heeft overnacht in [naam hotel] te Zuidbroek en dat zij de volgende ochtend samen het hotel hebben verlaten. Dit komt overeen met informatie van de manager van het hotel waaruit blijkt dat verdachte om 12.10 uur heeft uitgecheckt en is vertrokken in een auto waar twee personen inzaten, waaronder verdachte en waarschijnlijk een vrouw. Uit telefoontaps is gebleken dat [slachtoffer] op diezelfde datum om 12.20 een telefoongesprek voert met een klant waarin zij spreekt onder meer zegt “nee dat doe ik niet als ik op escort ga”. Nu verdachte geen vragen heeft willen beantwoorden over wat hij en [slachtoffer] hebben gedaan na het vertrek bij het hotel, gaat de rechtbank er gelet op de korte tijdspanne tussen het vertrek en het gesprek vanuit dat verdachte en [slachtoffer] samen in de auto zaten toen dit gesprek plaatsvond en dat verdachte moet hebben gehoord wat [slachtoffer] heeft gezegd.

Verdachte heeft tenslotte ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] in het [naam hotel] een afspraak had met een man die haar zou betalen en dat hij haar daar heen gebracht heeft.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer] op 28 maart 2017 naar het [naam hotel] te Groningen heeft gebracht in de wetenschap dat zij daar een afspraak had om met een klant tegen betaling seks te hebben,

Eén en ander betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring dat hij niet wist dat afspraken werden gemaakt voor het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling. . De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig.

Van hetgeen verder is ten laste gelegd onder 1 primair zal de rechtbank verdachte vrijspreken nu daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs is.

Op grond van de drugsgerelateerde berichten van verdachte op zijn telefoon, in combinatie met het aantreffen van de cocaïne in de huurauto die hij bij zijn aanhouding op 28 maart 2017 al een periode van 15 dagen als huurder onder zich had en die hij als enige in gebruik had, acht de rechtbank het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne door verdachte als ten laste gelegd onder 2 bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 maart 2017 in Nederland ten aanzien van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2000) enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling,

terwijl die [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

bestaande die handeling hieruit, dat verdachte op 28 maart 2017 die [slachtoffer] heeft vervoerd naar het [naam hotel] te Groningen, alwaar die [slachtoffer] een afspraak had om met een klant tegen betaling seks te hebben, en die [slachtoffer] vervolgens die klant daar heeft ontmoet en met die klant voor seks tegen betaling naar een hotelkamer is gegaan;

2.

hij op 28 maart 2017 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 28,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 7 maart 2017 te Oude Pekela, gemeente Pekela, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, of sprake is kennelijke omissies, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Mensenhandel.

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod.

3. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft aangegeven dat het onder 3 ten laste gelegde en de hierna te noemen ad informandum gevoegde feiten geen strafverhogende werking hebben.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zal overgaan - gepleit deze te beperken tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van een minderjarig en kwetsbaar meisje door haar naar een hotel te vervoeren waar zij een afspraak had om tegen betaling seks met een klant te hebben.

Mensenhandel is een ernstig feit waarbij sprake is van een grove schending van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Dit geldt temeer indien het slachtoffer minderjarig is. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden.

Tevens heeft verdachte 28,05 gram cocaïne, 0,45 gram MDMA en 1,14 gram hasjiesj voorhanden gehad, zijnde voor de volksgezondheid schadelijke stoffen. Verder heeft verdachte een ploertendoder voorhanden gehad, zijnde een verboden wapen op grond van de Wet wapens en munitie.

Gelet op de ernst van de feiten - in het bijzonder van feit 1 primair - acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur gerechtvaardigd.

Bij de beoordeling van de ernst heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de verdere omstandigheden waaronder het feit is begaan, waaronder de duur van het feit, de mate van uitbuiting en de leeftijd van het slachtoffer.

De bewezenverklaring is beperkt tot één incident, betreffende het eenmalige vervoer van het slachtoffer naar een seksafspraak. Dat het initiatief van verdachte uit is gegaan of dat hij financieel voordeel heeft genoten is niet gebleken.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor feiten op grond van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie.

De rechtbank acht - alles overziend - de oplegging van gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Mede gelet op het feit dat de rechtbank tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd.

Een strafafdoening als bepleit door de raadsman doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 22 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2017.

Mrs. Dölle en De Wit zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Verder lezen