ECLI:NL:RBNNE:2017:2271 Rechtbank Noord-Nederland , 26-06-2017 / 18/830282-15

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830282-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2017.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 december 2014 op de Rijksweg A7 gelegen te Scheemda, gemeente Oldambt, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij voor die [slachtoffer] een buskaartje gekocht waardoor die [slachtoffer] van de Duitse plaats Bremen naar Nederland kon reizen, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die

toegang wederrechtelijk was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen bewezen acht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 december 2014, opgenomen op pagina 20 e.v. van dossier nummer PL27NN/14-005614, d.d. 27 februari 2015, van Politie Noord-Nederland inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 3 december 2014 hebben wij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg Rijksweg A7 te Scheemda gelegen in de gemeente Oldambt in een autobus twee personen als passagier van bedoeld voertuig, staande gehouden, te weten [verdachte] en [slachtoffer]. [slachtoffer] kon geen document ter inzage aanbieden waaruit zijn identiteit bleek.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 december 2014, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Voordat ik hem een ticket kocht heeft [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) mij verteld dat hij geen juiste documenten had.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 3 december 2014, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Toen ik een controle had in de bus, heb ik mijn id-kaart in de tas van mijn vriend (de rechtbank begrijpt: verdachte) gestopt.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 3 december 2014, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) heet hij volgens mij. Ik heb hem op het busstation van Bremen leren kennen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 december 2014, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (in vraag- en antwoordstijl):

(p. 46) A: Wij zijn samen naar de kassa gelopen om de kaartjes te kopen. Ik heb aan hem gevraagd of hij ook een kaartje voor mij wilde kopen. [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte], verdachte) heeft uiteindelijk de kaartjes gekocht.

(p. 47) A: Ik had geen geldige documenten bij me.

V: Is [verdachte] van uw verblijfsstatus op de hoogte?

A: Ja, hij wist dat ik geen juiste documenten bij me had. Ik heb hem zelf verteld dat ik geen juiste documenten had.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2014 op de Rijksweg A7 gelegen te Scheemda, gemeente Oldambt, [slachtoffer] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, of hem daartoe middelen heeft verschaft, immers heeft hij voor die [slachtoffer] een buskaartje gekocht waardoor die [slachtoffer] van de Duitse plaats Bremen naar Nederland kon reizen, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Het een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft aangegeven dat vanwege een recente veroordeling van verdachte, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij hij een persoon behulpzaam is geweest bij de wederrechtelijke inreis in Nederland. Verdachte heeft daarmee het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte de ouderdom van de zaak zwaar laten wegen en gelet op de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Voorts is niet gebleken dat verdachte heeft gehandeld uit winstbejag. De rechtbank zal gelet op het voorgaande een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van kortere duur dan gevorderd door de officier van justitie.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2017.

Mr. De Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.