ECLI:NL:RBNNE:2017:2451 Rechtbank Noord-Nederland , 05-07-2017 / LEE 17/2030, LEE 17/2034, LEE 17/2022 en LEE 17/2035

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/2030, LEE 17/2034, LEE 17/2022 en LEE 17/2035

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2017 in de zaken tussen

1.a. [verzoekers sub 1], te [plaats] ([adres]),

1.b. [verzoekers sub 1], te [plaats] ([adres]),

tezamen: verzoekers sub 1,

(gemachtigde: mr. S.D. van Reenen),

2 [verzoeker sub 2], te [plaats] ([adres]), verzoeker sub 2,

(gemachtigde: mr. R. Brouwer),

en

1 de burgemeester van de gemeente Noordenveld, verweerder sub 1,

2. het college van burgemeester en wethouders van Noordenveldverweerder sub 2,

(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

- Stichting Het Pauperparadijs, gevestigd te Veenhuizen, vergunninghoudster

sub I (gemachtigde: mr. E. van der Goot);

- Stichting Nationaal Gevangenismuseum, gevestigd te Veenhuizen, vergunninghoudster sub II (gemachtigde: J.P. Sluiter);

- Stichting Veenhuizen Cultuur en Toerisme, gevestigd te Vries

Procesverloop

Bij afzonderlijk besluit van 7 februari 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder sub 1 aan vergunninghoudster sub I een evenementenvergunning verleend voor het houden van muziektheatervoorstellingen, voor de periode 12 juni 2017 tot 14 augustus 2017, met een maximum aantal van 45 voorstellingen en 7 succesvoorstellingen per jaar, op het binnenterrein van het Gevangenismuseum op het perceel Oude Gracht 1 te Veenhuizen. Tevens heeft verweerder sub 1 bij dit besluit aan vergunninghoudster sub I een ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet.

Bij afzonderlijk besluit van 7 februari 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder sub 2 aan vergunninghoudster sub 2 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het project ‘Theatervoorstelling in de zomerperiode met opbouw van tribunes en overige bouwwerken vooraf en afbraak daarna, gedurende maximaal een jaar’ op het binnenterrein van het Gevangenismuseum op het perceel Oude Gracht 1 te Veenhuizen.

Bij afzonderlijk besluit van 7 februari 2017 (het primaire besluit III) heeft verweerder sub 2 met toepassing van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (verder: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld voor vergunninghoudster sub II, vanwege het tijdelijk, voor de periode van 1 maart 2017 tot

1 oktober 2017, houden van theatervoorstellingen, met de daaraan verbonden repetities en

try-outs in de buitenlucht ter plaatse.

Bij besluit van 30 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij afzonderlijke brieven beroep ingesteld. Voorts hebben verzoekers bij brieven van 6 juni 2017 om een voorlopige voorziening gevraagd.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 22 juni 2017. Verzoekers [verzoekers], zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Ahrendtz, B. Suk en W.M.H. van Heuveln, bijgestaan door de gemachtigde. Namens vergunninghoudster I zijn

[naam] en voornoemde gemachtigde verschenen. Namens vergunninghoudster II is voornoemde gemachtigde verschenen. Namens Stichting Veenhuizen Cultuur en Toerisme is [naam] verschenen.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Aangezien tijdig beroep is ingediend tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2. Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

2.1.

De theatervoorstelling is een voorstelling in de open lucht. Op het binnenterrein van het Gevangenismuseum wordt een decor opgesteld, zodanig dat ook de gebouwen van het museum deel uit maken van het decor. Vanuit historisch perspectief is gekozen voor deze historische locatie op de plaats van het tweede gesticht, daar waar de geschiedenis van de paupers zich heeft afgespeeld. Voor de artistieke beleving van de voorstelling is deze locatie belangrijk. Een tribune biedt plaats aan circa 1.033 personen. Bij de theatervoorstelling speelt zowel de spraak als de muziek een belangrijke rol, waarbij de muziekgeluidssterkte moet bijdragen aan een goede beleving. Het geluid zal vanuit twee (of meerdere) torens gericht worden naar de tribune.

2.2.

In 2013 is de gemeente Noordenveld benaderd door de initiatiefnemers van de muziektheaterproductie het Pauperparadijs. Ook de direct-omwonenden zijn in 2013 van de plannen op de hoogte gebracht.

2.3.

Bij afzonderlijke primaire besluiten van 6 januari 2015 hebben verweerders sub 1 en sub 2 vergunninghoudsters sub I en sub II toegestaan muziektheatervoorstellingen te organiseren in de zomer van 2016.

2.4.

De bezwaren die tegen deze vergunningen waren gericht zijn ongegrond verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingediend bij deze rechtbank. Tot een uitspraak is het in die procedure niet gekomen; verzoekers, verweerders en vergunninghouders zijn destijds tot een vergelijk gekomen.

2.5.

Na de voorstellingen in 2016 hebben de inwoners van Veenhuizen door het invullen van een enquête hun mening over de gehouden voorstellingen kunnen geven. Op 8 september 2016 is een evaluatieavond georganiseerd waar de bewoners van Veenhuizen hun mening over de gehouden voorstellingen konden geven.

2.6.

Op 26 januari 2017 heeft verweerder sub 1 een aanvraag ontvangen voor een evenementenvergunning voor het opnieuw organiseren van muziektheatervoorstellingen op het binnenterrein van het Gevangenismuseum.

2.7.

Op 31 januari 2017 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor de inwoners van Veenhuizen. Tijdens deze bijeenkomst is informatie verstrekt over de in 2017 te houden voorstellingen.

2.8.

Bij afzonderlijke besluiten van 7 februari 2017 hebben verweerders sub 1 en sub 2 de bovengenoemde vergunningen verleend.

2.9.

Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar ingediend. Verzoekers zijn op 19 april 2017 gehoord door de commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Noordenveld. Bij brief van 15 mei 2017 heeft de commissie advies uitgebracht.

2.10.

Onder overneming van het advies is het bezwaar ongegrond verklaard.

2.11.

Verzoekers zijn hiertegen in beroep gekomen en hebben om een voorlopige voorziening gevraagd.

Toepasselijke regelgeving

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van dit artikel, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

2.1.

De in artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

2.2.

Ingevolge het bestemmingsplan “Veenhuizen” zijn aan het perceel Oude Gracht 1 te Veenhuizen de bestemming “Gemengd” en de dubbelbestemming “Waarde – Beschermd dorpsgezicht”, met de aanduidingen “specifieke bouwaanduidingen – monument” en “bouwvlak”, toegekend. De op de plankaart voor “Gemengd” aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor atelierruimten en galerieën, bedrijven genoemd in de bijlage 1 Bedrijvenlijst onder de categorieën 1 en 2, dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, detailhandel, dienstverlenende en ambachtelijke bedrijven en/of instellingen, horeca, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, musea, praktijkruimten en het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden werkactiviteit.

Ingevolge artikel 10.2.1 van de planvoorschriften bedraagt de goot- en bouwhoogte van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – monument” en “karakteristiek” niet meer dan de bestaande hoogte.

Ingevolge artikel 10.2.2, lid a, van de planvoorschriften dienen de bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met de voorgevel hoofdzakelijk in en evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens.

Ingevolge artikel 10.2.2, lid c, van de planvoorschriften bedraagt de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen ten hoogste de bestaande oppervlakte.

Ingevolge artikel 10.2.2, lid e, van de planvoorschriften zijn uitsluitend bestaande gebouwen toegestaan.

Ingevolge artikel 10.2.5, lid a, van de planvoorschriften bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3 meter.

2.3.

Op grond van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit

geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, dat de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel 2.17a

07:00–19:00 uur

19:00–23:00 uur

23:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Artikel 2.20

1. In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax vaststellen.

2 Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.

Op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

2.4.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op Zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is.

Ingevolge het derde lid van artikel 3 van de Zondagswet kan de burgemeester voor andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid voor de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid; de gemeenteraad kan ter zake regels stellen.

Overwegingen

3. In dit geval dient beoordeeld te worden of verweerder sub 1 in redelijkheid een evenementenvergunning voor het houden van muziektheatervoorstellingen in de zomer van 2017 op het binnenterrein van het Gevangenismuseum en een ontheffing van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet heeft kunnen verlenen. Daarnaast dient beoordeeld te worden of verweerder sub 2 in redelijkheid een tijdelijke omgevingsvergunning voor het project ‘Theatervoorstelling in de zomerperiode met opbouw van tribunes en overige bouwwerken vooraf en afbraak daarna’ heeft kunnen verlenen onder het stellen van maatwerkvoorschriften aan de inrichting op het perceel Oude Gracht 1 te Veenhuizen.

Evenementenvergunning

4.1.

Verzoeker sub 2 betoogt dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het evenementenbeleid. Het onderhavige evenement is volgens verzoekers aan te merken als een categorie C evenement; er is sprake van een muziekfeest/muziektheatervoorstelling met versterkte muziek met meer dan 1000 bezoekers. Er kan per dorpskern slechts één belastend evenement worden georganiseerd. Volgens verzoeker betekent dit dat het evenement slechts in juni 2017 mag plaatsvinden. Niet valt in te zien waarom in casu zou moeten worden afgeweken van het evenementenbeleid. Dit beleid is in 2015 vastgesteld, gelet op de eerdere vergunningen had het in de rede gelegen dat dit evenement zou worden meegenomen bij de vaststelling van het beleid. Daarnaast merkt verzoeker sub 2 op dat er in dit geval geen toepassing is gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is immers niet aan het evenementenbeleid getoetst in primo en slechts in het advies van de commissie zijn hier enkele overwegingen aan gewijd. De burgemeester zelf heeft dit echter niet uitdrukkelijk gemotiveerd.

4.2.

Verweerder sub 1 stelt zich op het standpunt dat de aanvraag om evenementenvergunning getoetst is aan de weigeringsgronden, vermeld in artikel 1:8 van de APV die deels worden uitgewerkt in het Evenementenbeleid. Het Pauperparadijs is een bijzonder evenement in die zin dat het vanwege duur en omvang strijdig is met het bestemmingsplan en daarnaast vindt het evenement plaats in een inrichting die valt onder het Activiteitenbesluit.

4.3.

Op grond van artikel 2:25, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Noordenveld (APV) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Op grond van artikel 1:8 van de APV kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Volgens vaste jurisprudentie strekt het in de APV neergelegde vergunningsstelsel ter bescherming van specifiek genoemde belangen en kan de evenementenvergunning alleen geweigerd worden op één van de in artikel 1.8. van de APV genoemde gronden (vgl. AbRS, 13 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3708)

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.4.1.

Voorop gesteld dient te worden dat de bevoegdheid van de burgemeester tot verlening van een evenementenvergunning een discretionaire bevoegdheid is, waarbij hem een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. De invulling van die beleidsvrijheid moet volgens de AbRS terughoudend worden getoetst (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ0298).

4.4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in afwijking van het evenementenbeleid, onder gebruikmaking van de bevoegdheid die op grond van

artikel 4:84 van de Awb aan hem gegeven is, een vergunning voor dit evenement heeft verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit, aangevuld met de opmerkingen in het verweerschrift, namelijk dat er sprake is van een bijzonder evenement vanwege de duur en omvang en dat het plaats vindt in een inrichting die valt onder het Activiteitenbesluit, afdoende is. Nu evenmin gebleken is dat er sprake is van strijd met een van de weigeringsgronden in artikel 1:8 van de APV heeft verweerder deze vergunning in redelijkheid kunnen verlenen.

Ten aanzien van de ontheffing op grond van de Zondagswet

5.1.

Verzoeker sub 2 betoogt dat de aanvraag niet ziet op een ontheffing in het kader van de Zondagswet. In dit verband wijst verzoeker sub 2 erop dat deze wet zijn eigen toetsingskader heeft, zodat het niet kan worden aangevraagd aan de hand van een aanvraag om evenementenvergunning, dan wel niet zonder een expliciet verzoek daartoe.

5.2.

Verweerder sub 1 stelt zich op het standpunt dat niet met een apart aanvraagformulier wordt gewerkt om een ontheffing van de Zondagswet aan te vragen. Volgens verweerder sub 1 is dit ook niet verplicht. Op het aanvraagformulier voor de evenementenvergunning worden de beoogde dagen van het evenement ingevuld. Indien dit ook op de zondag is, wordt dit aangemerkt als een verzoek om ontheffing van de Zondagswet, aldus verweerder sub 1. Verweerder sub 1 wijst erop dat de Zondagswet voorschriften bevat ter wegneming van beletselen voor de viering van de zondag als de dag des Heren. Overigens kan deze viering er niet toe leiden dat het gehele openbare leven stilstaat. Verweerder sub 1 geeft aan dat er in Veenhuizen twee kerken zijn: de Grote Kerk en de Koepelkerk. De Grote Kerk is niet meer in gebruik voor de godsdienstbeoefening. In de Koepelkerk vindt de dienst plaats op zondagmorgen om 9:30 uur. Gelet op het doel van de Zondagswet en het feit dat de voorstellingen ’s avonds plaatsvinden en om die reden geen hinder veroorzaken voor de godsdienstbeoefening is er naar de mening van verweerder sub 1 in redelijkheid een ontheffing van de Zondagswet verleend.

5.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder sub 1 in dit geval afdoende gemotiveerd dat een ontheffing op grond van de Zondagswet kon worden verleend. Hierbij heeft verweerder sub 1 kunnen betrekken dat, gelet op de doelstelling van de Zondagswet, de voorstellingen 's middags en ’s avond plaatsvinden en derhalve geen hinder veroorzaken voor de godsdienstbeoefening op de zondag. Gelet hierop hoefde verweerder sub 1 in hetgeen verzoeker sub 2 overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding te zien om de ontheffing op grond van de Zondagswet te weigeren. Deze grond van verzoeker sub 2 slaagt niet.

Tijdelijke omgevingsvergunning

6. Tussen partijen is in geschil is of verweerder in dit geval gebruik heeft kunnen maken van de aan hem toekomende bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a ten tweede, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan voor (bouw)activiteiten op voormeld perceel te Veenhuizen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het (bouw)plan in strijd is met vigerende bestemmingsplan “Veenhuizen”. De voorzieningenrechter stelt vast dat het realiseren van de tijdelijke bouwwerken (een speelveld en een tribune voor 1.033 toeschouwers) in strijd is met het bestemmingsplan voor wat betreft de bebouwingsmogelijkheden (hoogte en omvang). Om medewerking te verlenen aan het (bouw)plan heeft verweerder toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo.

Ten aanzien van de tijdelijkheid
.

6.2.

Verzoeker sub 2 betoogt dat verweerder ten onrechte het gehele project heeft vervat onder de toepassing van artikel 2.12, aanhef, eerste lid, onder a, onderdeel 2 van de Wabo. Volgens verzoekers blijkt uit de Nota van Toelichting dat elk onderdeel waarvoor moet worden afgeweken, apart moet worden beschouwd. Per bouwwerk en per strijdig gebruik moet worden bezien of deze onder de onderdelen 1 tot en met 10 vallen.

6.3.

Verweerder sub 2 stelt zich op het standpunt dat de betreffende bepaling juist voor dit soort tijdelijke activiteiten kan worden gebruikt.

6.4.1.

Artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komen: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

6.4.2.

In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II van het Bor (zie de nota van toelichting, blz. 55 en 56, Staatsblad 2014, nummer 333) is onder meer opgenomen: "Indien het een planologisch strijdig gebruik betreft dat niet is genoemd in de onderdelen 1 tot en met 10, kan voor een tijdelijk gebruik met een duur van maximaal tien jaar, de vergunning ingevolge artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo. […] Zoals al bij artikel I, onderdeel J, van dit besluit, in het kader van de wijziging van artikel 5.18 van het Bor toegelicht, dient bij het verlenen van de vergunning aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. […] De in de vergunning gestelde termijn op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan maximaal tien jaar bedragen. Indien een vergunning voor een langere tijdsduur moet worden verleend, kan (behoudens de mogelijkheden met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Wabo), slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vergunning worden verleend. De termijn in de vergunning kan worden verlengd, of er kan opnieuw voor dezelfde activiteit vergunning worden verleend, mits de totale tijdsduur van tien jaar niet wordt overschreden. Op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan dus niet telkens opnieuw voor een duur van tien jaar vergunning worden verleend. […]."

6.4.3.

De voorzieningenrechter kan verzoeker niet volgen in diens standpunt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de overwegingen in de Nota van Toelichting niet zonder meer worden geconcludeerd dat per afwijking moet worden bekeken welke grondslag daarop van toepassing is. De nadruk ligt bij deze bepaling op de tijdelijkheid, niet op "grondslag van de bepaling". De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in een uitspraak van de AbRS van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:487.

Waarden beschermd dorpsgezicht/monumentale status

7.1.

Naar de overtuiging van verzoeker sub 2 heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van de beschermde onderdelen uit hoofde van het bestemmingsplan en/of de monumentale waarde heeft verweerder enkel verwezen naar de tijdelijkheid van het project. Dit neemt niet weg dat voor een periode van mei tot oktober 2017 de omgeving anders is ingericht dan normaal het geval is. De enkele zinsnede dat het gedurende een korte periode is en dat de hijskraan kan worden ingeklapt is volgens verzoeker onvoldoende.

7.2.

Verweerder sub 2 merkt op dat in paragraaf 4.6 van de ruimtelijke onderbouwing aandacht wordt besteed aan het aspect cultuurhistorie. Verweerder sub 2 wijst erop dat hierbij onder meer wordt ingegaan op de aspecten archeologie, overige cultuurhistorische waarden en het beschermd dorpsgezicht. Volgens verweerder sub 2 hebben de openluchttheatervoorstellingen van het Pauperparadijs tot gevolg dat tijdelijk een aantal bouwwerken wordt geplaatst op de binnenplaats van de inrichting, dat voor het grootste deel niet zichtbaar is buiten de inrichting. Naar de mening van verweerder sub 2 wijzigt het monument (het Gevangenismuseum) daardoor niet.

7.3.

In de ruimtelijke onderbouwing van 30 januari 2017 is voor wat betreft het aspect cultuurhistorie onder meer aangegeven dat door het tijdelijke karakter van de ontwikkeling en het niet fysiek wijzigen van het monument zowel de beeldkwaliteit van het beschermd dorpsgezicht als de waarden van het monument niet worden aangetast.

7.4.

In hetgeen verzoeker sub 2 naar voren heeft gebracht voor wat betreft het aspect cultuurhistorie heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding hoeven zien om in dit geval geen medewerking te verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het monument (het Gevangenismuseum) door het plaatsen van een aantal tijdelijke bouwwerken niet wijzigt en dat er geen bodemingrepen plaatsvinden. Deze grond van verzoeker sub 2 slaagt niet.

Milieuzonering

8.1.

Verzoeker sub 2 betoogt dat voor de activiteit aansluiting moet worden gezocht bij de functie ‘recreatiecentra, kermis e.d.’ uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering (2009)’ (hierna: de VNG-brochure). Reden hiervoor is dat er volgens verzoeker sprake is van een luidruchtige activiteit in de buitenlucht.

8.2.

Verweerder sub 2 merkt op dat in de VNG-brochure richtafstanden zijn opgenomen. Nu de tijdelijke openluchttheatervoorstellingen niet onder een categorie van de VNG-brochure vallen, is er een specifieke onderzoek voor het aspect geluid uitgevoerd, omdat hiervoor de grootste afstand tot gevoelige functies (woningen) moet worden aangehouden. Volgens verweerder sub 2 volgt uit de geluidsonderzoeken dat de vergunningen verleend konden worden. Verweerder sub 2 wijst er op dat de door verzoeker sub 2 bedoelde categorie ‘recreatie e.d. (S.B.I.-code 2008, 9321) richtafstanden geeft voor onder andere vaste kermissen, recreatiecentra en pret- en themaparken. Verweerder sub 2 stelt zich op het standpunt dat dit iets wezenlijk anders is dan de tijdelijke openluchttheatervoorstellingen.

8.3.

In de ruimtelijke onderbouwing van januari 2017 van Rho Adviseurs B.V. is met betrekking tot de omgevingsaspecten onder meer aangegeven dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening de ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk is. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Volgens de ruimtelijke onderbouwing zijn er geen algemene afstandsrichtlijnen voor een specifieke functie als de onderhavige. Het meest bepalende effect is het geluid. Om die reden is er een apart geluidsonderzoek uitgevoerd. Voor de beoordeling van de geluidbelasting wordt uitgegaan van de achterliggende grenswaarden, die bij de afstanden volgens de VNG-brochure worden gehanteerd.

8.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoeker sub 2 bedoelde categorie ‘recreatie e.d.’ (S.B.I.-code 2008, 9321) richtafstanden geeft voor onder andere vaste kermissen, recreatiecentra en pret- en themaparken. Aangezien het in dit geval gaat om tijdelijke openluchttheatervoorstellingen heeft verweerder sub 2 zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat een specifiek onderzoek voor wat betreft geluid aangewezen was en dat er derhalve geen aanleiding bestond om aansluiting te zoeken bij de richtafstand uit de VNG-brochure met betrekking tot de categorie ‘recreatie e.d.’ Deze grond van verzoeker sub 2 slaagt niet.

Geluidhinder

9.1.

Verzoekers sub 1 en sub 2 merken op dat verweerder te makkelijk voorbij gaat aan de overlast, die verzoekers ook gedurende de zomer van 2016 hebben ervaren en gedurende de zomer van 2017 ook gedurende acht weken weer zullen moeten ondervinden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet overlast van het publiek, het komen en gaan van publiek en medewerkers wel degelijk te worden meegenomen in de besluitvorming. Ook hebben verzoekers veel overlast ervaren van vertrekkende acteurs, muzikanten en andere medewerkers die aan de achterkant van het museum hun auto's hadden geparkeerd en daar luidruchtig afscheid van elkaar namen. Verzoeker sub 2 kan de uitgangspunten van het akoestisch rapport niet volgen, nergens blijkt een duidelijke meting ten aanzien van het geluid dat wordt geproduceerd door bezoekers en personeel dat het terrein verlaat. Verzoeker sub 2 wijst op de WHO-richtlijnen voor geluid en slaapverstoring. Verzoeker meent dat er geen sprake is van een fair balance tussen de betrokken belangen.

9.2.

Verweerder is met verzoekers van mening dat het geluid van bezoekers moet worden meegenomen in de beoordeling. Verweerder stelt dat dit ook is gebeurd. Verweerder verwijst naar de ruimtelijke onderbouwing van januari 2017 van Rho Adviseurs B.V en de akoestische onderzoeken van 14 oktober 2014 en 20 januari 2017 van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. Verweerder heeft vervolgens alle belangen gewogen en is tot de conclusie gekomen dat de belangen van verzoekers niet onevenredig worden geschaad bij het verlenen van de vergunning. Bovendien hebben belanghebbende Stichting het Pauperparadijs en verzoekers op 6 juni 2017 aanvullende afspraken gemaakt om gevreesde hinder van de voorstelling te kunnen verlichten.

9.3.

Niet in geschil is dat verweerder sub 2 de eventueel door bezoekers veroorzaakte geluidsoverlast ook in aanmerking dient nemen bij de beoordeling of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig zal worden beïnvloed. Het geluid, voor zover dat valt binnen de door de milieuwetgeving gestelde normen, maakt deel uit van de uitstraling in haar totaliteit van de inrichting op de omgeving en is dus mede bepalend voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting. Dit brengt met zich dat verweerder sub 2 bij het nemen van een besluit op aanvraag om een tijdelijke omgevingsvergunning moet afwegen of het opvoeren van theatervoorstellingen in de open lucht op een bepaalde plaats toelaatbaar is, gelet op de kwaliteit van de woon- en leefsituatie aldaar.

9.4.

Onderzoek is verricht naar de geluidseffecten van de theatervoorstelling het Pauperparadijs in Veenhuizen op de omgeving. Uit het rapport van 14 oktober 2014 van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. blijkt dat zowel directe hinder, als indirecte hinder is beoordeeld. Bij indirecte hinder is, onder meer, gekeken naar het stemgeluid van bezoekers die wandelen van de bestaande openbare parkeerplaats naar het museum over de Haulerweg en de Oude Gracht en vice versa. De deskundigen komen tot de conclusie dat mede gelet op het culturele en maatschappelijk belang van de voorstelling en het tijdelijk en semi-incidentele karakter van de voorstelling het vastgestelde geluidsniveau van 55 db(A) aanvaardbaar worden geacht. Voor de woningen van verzoekers is de indirecte hinder berekend op maximaal 5,3 dB(A) voor de avondperiode en 2,3 dB(A) voor de nacht.

In de aanvullende rapportage van 20 januari 2017 is opgenomen dat uit de metingen van 2016, ter plaatse van de woning [adres], geen sprake is geweest van een overschrijding van de toegestane grenswaarde. Ook voor 2017 komt de deskundige tot de conclusie dat het geluidsniveau van de theatervoorstellingen op de gevel van en binnen de omliggende woningen een aanvaardbaar geluidsniveau veroorzaakt.

In de ruimtelijke onderbouwing van januari 2017 is opgenomen dat het geluidsniveau voor het langtijdgemiddelde in de dag- en avondperiode op 55 db(A) is gesteld. Dit wordt een aanvaardbare geluidsbelasting genoemd. Voorts geldt voor de hoogst belaste woningen dat zij met de voortuin richting het projectgebied gesitueerd zijn, de voortuinen grenzen aan de weg. De achtertuinen, de buitenruimte waar bewoners kunnen verblijven, ligt in een geluidsschaduw van de woningen. De geluidsbelasting zal hier lager zijn dan in de voortuinen en is daarmee aanvaardbaar.

9.5.1.

Uit de onderzoeksrapporten blijkt dat verweerder bij de beoordeling van de geluidoverlast rekening heeft gehouden met de bezoekers die naar de voorstelling komen. Uit de berekeningen blijkt dat de bezoekersstroom op de looproute maximaal 28 dB(A) op de gevel produceert in de avondperiode en 25 dB(A) in de nachtperiode. De voorkeursgrenswaarde voor de avondperiode bedraagt 45 dB(A) en voor de nachtperiode bedraagt deze 40 dB(A). Gelet op het feit dat de overgrote meerderheid van de bezoekers via de door verweerder bepaalde route zal lopen, is niet aannemelijk geworden dat ten aanzien van de woningen van verzoekers, door het incidentele vertrek van bezoekers of medewerkers van de voorstelling, de voorkeursgrenswaarden zullen worden overschreden.

9.5.2.

Gelet op alle belangen heeft verweerder de vergunning verleend. Verweerder heeft hierbij de belangen van de aanvragers, inwoners van de gemeente Noordenveld, lokale ondernemers en verzoekers tegen elkaar afgewogen. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat de belangen van verzoekers niet onevenredig worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen grond om te oordelen dat verweerder dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen.

Maatwerkvoorschriften

12.1.

Verzoekers sub 1 stellen met betrekking tot de vastgestelde maatwerkvoorschriften dat het stemgeluid van het vertrekken van personen meegenomen dient te worden. Dit is niet meegenomen bij de geluidsmeting, zodat verweerder niet zonder meer mag uitgaan van deze gegevens.

12.2.

Uit het geluidsonderzoek blijkt volgens verweerder dat ruimschoots aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit wordt voldaan.

12.3.

De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar hetgeen hierboven reeds is overwogen.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Op grond van artikel 2.18, derde lid van het Activiteitenbesluit blijft bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), buiten beschouwing het geluid als gevolg van het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden. In de Nota van Toelichting is daarover het volgende opgenomen: "Het verrichten van sportactiviteiten in de openlucht en het komen en gaan van bezoekers kan gepaard gaan met maximale geluidsniveaus die hoger liggen dan de toegestane maximale geluidsniveaus. Voor inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten worden uitgevoerd worden, evenals op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatieactiviteiten milieubeheer het geval was, ook de maximale geluidsniveaus ten gevolge van het komen en gaan van bezoekers buiten beschouwing gelaten. Onder het geluid door het komen en gaan van bezoekers wordt onder meer begrepen het dichtslaan van autoportieren en het starten en gas geven bij het wegrijden van voertuigen. Redelijkerwijs is het niet mogelijk deze pieken te beheersen op basis van een objectieve normstelling. Om eventuele hinder tegen te gaan of zo veel mogelijk te beperken is op een andere wijze voorzien in beheersing van ongewenste gevolgen. In artikel 2.20, vijfde lid, is bepaald welke maatregelen of voorzieningen kunnen worden getroffen in de sfeer van de bedrijfsvoering en het houden van toezicht". De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de aanvullende afspraken die verzoekers met belanghebbende hebben gemaakt om de overlast tot een minimum proberen te beperken.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bovenstaande overwegingen moeten leiden tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen.

14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening, kenmerk LEE 17/2030 en LEE 17/2034, af;

 verklaart de beroepen, kenmerk LEE 17/2022 en LEE 17/2035, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L. Mulder, als voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 5 juli 2017, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: