ECLI:NL:RBNNE:2017:2459 Rechtbank Noord-Nederland , 06-07-2017 / 18/676506-13

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/676506-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 6 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 maart 2016 en 8 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.L. Edens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

[verdachte organisatie] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot

en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk een groot aantal, althans één of meerdere, bij de Belastingwet

voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te

weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) ingevolge de Wet op de belasting

van personenauto's en motorrijwielen 1992, waaronder:

-de op of omstreeks 12 februari 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW

530i met het [chassisnummer]; en/of

-de op of omstreeks 4 augustus 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer]; en/of

-de op of omstreeks 26 mei 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A8

met het [chassisnummer]; en/of

-de op of omstreeks 7 november 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A8 met het [chassisnummer]; en/of

-de op of omstreeks 2 april 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de

Mercedes-Benz ML 350 met het [chassisnummer] en/of

-de op of omstreeks 27 december 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de

Maserati Grancabrio met het [chassisnummer]; en/of

-de op of omstreeks 31 januari 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer]; en/of

-de op of omstreeks 17 oktober 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

Q7 met het [chassisnummer];

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de belastingdienst in Nederland,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat er geen, dan wel te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op en/of bij de aangifte(n)/melding(en) (telkens)

- een te lage grondslag voor de berekening van de belasting van personenauto's en motorrijwielen werd ingevuld, en/of

- een te lage en/of onjuiste historische nieuwprijs (PGA-waarde) werd ingevuld, en/of

- aangeleverde koerslijst afkomstig van/uit Autotelex en/of Xray een te lage en/of onjuiste catalogusprijs en/of bedrag aan accessoires werd ingevuld en/of één of meer(dere) ander(e) bedrag(en) te laag en/of onjuist werd(en) ingevuld, en/of

- de historische nieuwprijs op een te laag en/of onjuist bedrag werd vastgesteld, en/of

- de historische nieuwprijs middels een zogeheten BPM 18 formulier naar een te laag en/of onjuist bedrag werd bijgesteld, en/of

- in Applicatie BPM Douane een te laag en/of onjuist bedrag voor de historische nieuwprijs (PGA-waarde) en/of netto accessoiresprijs werd ingevuld, en/of

- ten onrechte één of meerdere voertuig(en) bestempeld werd(en) als zijnde gebruikte voertuigen, terwijl deze voor de aangifte(n) BPM als nieuw voertuig aangegeven zou(den) moeten worden,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[verdachte organisatie], op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en

met 11 november 2013, in Haren en/of Groningen en/of Emmen en/of Veendam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e)

perso(o)n(en), althans alleen, aan één of meerdere ambtena(a)r(en), één of meerdere gift(en) en/of belofte(s) heeft gedaan en/of dienst(en) heeft aangeboden, te weten:

- één of meerdere geldbedrag(en), en/of

- één of meerdere onderdelen en/of reparaties voor verdachte zijn voertuig en/of voor voertuigen van één of meer collega’s van verdachte, zonder daarvoor te hoeven betalen en/of tegen gereduceerd tarief, en/of

- één of meerdere keren brandstof voor zijn privévoertuig(en), en/of

- één of meerdere wasbon(nen) voor het laten wassen van voertuig(en),

met het oogmerk om hen/hem (de ambtena(a)r(en)) te bewegen in zijn/hun bediening, in strijd met zijn/hun plicht, iets te doen en/of na te laten,

en/of

welke gift(en) en/of belofte(s) zijn gedaan en/of dienst(en) zijn aangeboden, ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door de ambtena(a)r(en) in zijn/hun huidige, althans vroegere bediening, in strijd met zijn/hun plicht is gedaan en/of nagelaten,

te weten:

- het doen of laten doen van onjuiste aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het invoeren van onjuiste gegevens ten behoeve van de aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het zonder controle doorvoeren en/of invoeren en/of accorderen van (onjuiste) aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het geven van een fiscaal akkoord op (onjuiste) aangifte(n)/melding(en) BPM,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en

met 11 november 2013, in Haren en/of Groningen en/of Emmen en/of Veendam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e)

perso(o)n(en), althans alleen, aan één of meerdere ambtena(a)r(en), één of meerdere gift(en) en/of belofte(s) heeft gedaan en/of dienst(en) heeft aangeboden, te weten:

- één of meerdere geldbedrag(en), en/of

- één of meerdere onderdelen en/of reparaties voor verdachte zijn voertuig en/of voor voertuigen van één of meer collega’s van verdachte, zonder daarvoor te hoeven betalen en/of tegen gereduceerd tarief, en/of

- één of meerdere keren brandstof voor zijn privévoertuig(en), en/of

- één of meerdere wasbon(nen) voor het laten wassen van voertuig(en)

met het oogmerk om hen/hem (de ambtena(a)r(en)) te bewegen in zijn/hun bediening, in strijd met zijn/hun plicht, iets te doen of na te laten,

te weten:

- het doen of laten doen van onjuiste aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het invoeren van onjuiste gegevens ten behoeve van de aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het zonder controle doorvoeren en/of invoeren en/of accorderen van (onjuiste) aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het geven van een fiscaal akkoord op (onjuiste) aangifte(n)/melding(en) BPM,

en/of

welke gift(en) en/of belofte(s) zijn gedaan en/of dienst(en) zijn aangeboden, ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door de ambtena(a)r(en) in zijn/hun huidige, althans vroegere bediening, in strijd met zijn/hun plicht is gedaan en/of nagelaten.

3.

[verdachte organisatie], op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en

met 31 januari 2012, in Apeldoorn en/of Groningen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), te weten een groot aantal, althans één of meerdere, (elektronische) aangifte(n) omzetbelasting, te weten

-de aangifte(n) omzetbelasting over het derde en/of vierde kwartaal 2009, en/of

-de aangifte(n) omzetbelasting over het eerste en/of tweede en/of derde en/of

vierde kwartaal 2010, en/of

-de aangifte(n) omzetbelasting over het eerste en/of tweede en/of derde en/of

vierde kwartaal 2011,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan omzet en/of (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

4.

[verdachte organisatie], op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Haren en/of Groningen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen,

een groot aantal, althans één of meerdere, (Xray) koerslijst(en) en/of verkoopfactu(u)r(en) en/of inkoopfactu(u)r(en), waaronder:

-een verkoopfactuur Audi A6 d.d. 11 juli 2009 (D-075c), en/of

-een verkoopfactuur Audi Q5 (D-082c), en/of

-een verkoopfactuur Audi A7 (D-115c), en/of

-een inkoopfactuur BMW 520d (D-105c), en/of

-een inkoopfactuur Skoda Octavia 1.6 TDI (D-136), en/of

-Autotelex koerslijst Skoda Octavia 1.6 TDI (D-088e) , en/of

-Xray koerslijst Porsche Carrera 4 (D-098e), en/of

-Xray koerslijst Audi A8 4.2 TDI Quattro (D-099f), en/of

-Autotelex koerslijst Mercedes Benz GLK 220 CDI (D-111f), en/of

-Xray koerslijst Audi Q3 2.0 TFSI (D-155-/11),

(elk) zijnde (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachte(n), (telkens) valselijk op voornoemd(e) geschrift(en), in strijd met de waarheid, vermeld dat de in het geschrift genoemde voertuig een zogeheten marge-auto betrof, en/of een te lage cataloguswaarde inclusief opties van de in het geschrift genoemde voertuig opgegeven, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde gevorderd nu daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Standpunt van de verdediging

De door de raadsman in zijn pleitnota opgeworpen punten worden hieronder in de beoordeling van de rechtbank meegewogen

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Algemene overwegingen en uitleg van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat [verdachte organisatie], waarvan verdachte eigenaar was en dat zich hoofdzakelijk bezig hield met de invoer van auto’s uit het buitenland, een zogenaamde vergunninghouder ex artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: BPM) is. Een dergelijke vergunninghouder hoeft bij de invoer van auto’s niet per auto aangifte in het kader van de BPM te doen, maar kan bij de invoer volstaan met het doen van een melding bij de Belastingdienst. Vervolgens dient de vergunninghouder per tijdvak, in het geval van [verdachte organisatie] maandelijks, aangifte in het kader van de BPM te doen en de verschuldigde belasting op aangifte af te dragen. Deze aangifte dient hij te baseren op eerder gedane meldingen BPM en hij dient deze meldingen als bijlagen bij de aangifte te voegen. Het doen van meldingen BPM geldt derhalve voor een vergunninghouder als een voorportaal voor het doen van de uiteindelijke aangifte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn aangiftes BPM baseerde op de in de voorafgaande maand door hem gedane meldingen en dat er nooit eerder gedane meldingen uiteindelijk niet zijn betrokken in de latere aangiftes.

Aan de kant van de Belastingdienst betekent deze wijze van aangifte doen dat de meldingen die door de vergunninghouder gedaan worden, door een medewerker worden gecontroleerd en vervolgens fiscaal geaccordeerd. Pas na een dergelijk fiscaal akkoord wordt door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) een kenteken afgegeven. Het fiscaal akkoord blijft achterwege indien de inhoud van de melding zichtbaar onjuist is en dit aanleiding geeft de melding terug te sturen naar de belastingplichtige. Wanneer de meldingen van een fiscaal akkoord voorzien zijn, worden ze op het moment dat ze als bijlage bij de latere maandaangifte bij de Belastingdienst binnenkomen niet nogmaals gecontroleerd door de Belastingdienst. Derhalve kan het controleren en accorderen van de meldingen BPM worden beschouwd als een vorm van voorcontrole van de latere, op die meldingen gebaseerde aangiftes.

In feit 1 van de onderhavige tenlastelegging wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij in een periode van ruim vier jaar een groot aantal onjuiste aangiftes BPM heeft gedaan, terwijl deze onjuiste aangiftes ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. Vervolgens worden in de tenlastelegging acht auto’s opgesomd, ten aanzien waarvan, zoals de tenlastelegging dat noemt, onjuiste “aangiftes/meldingen BPM” zijn gedaan. De officier van justitie heeft ter terechtzitting nader toegelicht dat voor deze specifieke acht auto’s is gekozen om zo het hele tenlastegelegde periode te bestrijken.

De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op de in de betreffende gedachtestreepjes vermelde data en de feitelijke uitwerking van de onjuistheden, in elk van deze acht gevallen gaat om de melding BPM en niet om de (daar later op gebaseerde) aangifte in de zin van de Algemene wet op de rijksbelastingen (Awr). Derhalve is geen sprake van acht bij de belastingwet voorziene aangiften zoals ten laste gelegd en acht de rechtbank het onderdeel van de tenlastelegging dat bestaat uit de opsomming van de acht meldingen niet bewijsbaar.

Terzijde merkt de rechtbank op dat het onjuist doen van een melding ook niet valt onder de strafbaarstelling van artikel 68 lid 2 Awr (oud), zodat, al zou de rechtbank dit onderdeel bewezen hebben verklaard, daarvoor dus geen kwalificatie had kunnen volgen.

Nu echter uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze meldingen telkens de basis hebben gevormd voor de betreffende maandaangiftes verstaat de rechtbank de tenlastelegging aldus dat deze ziet op de aangiftes BPM over de tijdvakken waarvan de in de tenlastelegging omschreven meldingen deel uitmaakten.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiftes BPM door zijn bedrijf [verdachte organisatie]. Daartoe kan in de eerste plaats worden gewezen op de bekennende verklaringen die verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] in algemene zin tegenover de FIOD hebben afgelegd. Hieraan doet niet af dat verdachte ter zitting zijn eerder afgelegde verklaringen heeft genuanceerd en [medeverdachte] bij de rechter-commissaris zijn eerdere verklaringen heeft ingetrokken. Beide verdachten hebben immers zeer gedetailleerde en met elkaar overeenkomende verklaringen afgelegd over de wijze waarop verdachte gedurende een langere periode namens [verdachte organisatie] onjuiste meldingen BPM heeft gedaan. Daarnaast wijst de rechtbank op de bevindingen van [medewerker 1], BPM-deskundige bij de Belastingdienst, zoals die in het dossier zijn opgenomen1. Kort samengevat houden deze bevindingen in dat het merendeel van de meldingen die KnP in de ten laste gelegde periode heeft gedaan, onjuist zijn en tot te lage aangiftes hebben geleid.

Op grond van de verklaringen van beide verdachten en de bevindingen van [medewerker 1] staat derhalve genoegzaam vast dat verdachte een groot aantal van de op naam van [verdachte organisatie] ingediende meldingen BPM onjuist heeft ingevuld en heeft ingediend bij de BPM-kantoren waar [medeverdachte] werkzaam was, waarna deze meldingen telkens van een fiscaal akkoord zijn voorzien. Vervolgens zijn deze onjuiste meldingen telkens (ongewijzigd2) door verdachte gebruikt als basis voor de gedurende de ten laste gelegde periode bij de Belastingdienst binnengekomen3 aangiftes BPM op naam van [verdachte organisatie], met als automatisch gevolg dat deze aangiftes eveneens onjuist zijn gedaan.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank ten aanzien van de acht in de tenlastelegging geconcretiseerde meldingen, en daarmee tevens ten aanzien van de aangiftes waarvan deze meldingen later deel uitmaakten, als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat verdachte niet over elk van deze auto’s specifiek door de FIOD is ondervraagd. Hoewel verdachte in algemene zin wel heeft verklaard dat hij op grootschalige wijze onjuiste meldingen deed, ziet de rechtbank zich derhalve toch per melding voor de vraag gesteld of verdachte deze melding bewust onjuist heeft gedaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat, zoals ter terechtzitting ook meermalen aan de orde is gekomen, het vaststellen van de eigenschappen en de waarde van een auto – de aspecten die op het meldingsformulier moeten worden ingevuld – geen exacte wetenschap is en in sommige gevallen redelijkerwijs tot discussie aanleiding kan geven. Voor de vaststelling dat verdachte de melding (en derhalve later de daarop gebaseerde aangifte) opzettelijk onjuist heeft gedaan, is derhalve nodig dat er sprake is van evidente, niet voor discussie vatbare verschillen tussen de daadwerkelijke eigenschappen van de auto en de eigenschappen die verdachte op het meldingsformulier heeft ingevuld – bijvoorbeeld de kleur van een auto of de wijze van schakeling.

Aan de hand van dit criterium overweegt de rechtbank dat bij de onder het eerste tot en met het vijfde gedachtestreepje opgenomen auto’s sprake is van evident onjuiste meldingen, omdat op het meldingsformulier telkens niet is aangegeven dat:

- de BMW 530i [chassisnummer] in werkelijkheid beschikte over leren bekleding, een automatische versnelling en sportstoelen4;

- de Audi A6 [chassisnummer] in werkelijkheid beschikte over leren bekleding, een glazen kanteldak, een trekhaak en zwart van kleur was5;

- de Audi A8 [chassisnummer], waarover medeverdachte [medeverdachte] overigens een uitdrukkelijke bekennende verklaring heeft afgelegd6, in werkelijkheid beschikte over leren bekleding en een navigatiesysteem7;

- de Audi A8 [chassisnummer] in werkelijkheid beschikte over leren bekleding8;

- de Mercedes-Benz ML 350 [chassisnummer] in werkelijkheid beschikte over een automatische versnelling en een “sportpakket” aan accessoires9.

Ten aanzien van de onder het zesde tot en met het achtste gedachtestreepje opgenomen auto’s overweegt de rechtbank dat het in deze gevallen gaat om auto’s die in werkelijkheid nieuw zouden zijn maar op het meldingsformulier ten onrechte als gebruikt zouden zijn aangegeven. In het geval van de zesde auto (Maserati, [chassisnummer]) en de zevende auto (Audi A6, [chassisnummer]) is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een evident onjuist ingevuld meldingsformulier omdat niet onomstotelijk vaststaat dat sprake was een (naar fiscale maatstaven) nieuwe auto. Voor wat betreft de achtste auto (Audi Q7, [chassisnummer]) is dat anders, omdat deze auto door opsporingsambtenaren is waargenomen terwijl deze zich – evident nieuw – op een autoambulance bevond10. De bij deze auto behorende melding is echter gedaan op 17 oktober 2013, een datum waarop verdachte (na zijn aanhouding voor de onderhavige strafzaak) gedetineerd zat, zodat onvoldoende duidelijk is dat deze door of namens verdachte is gedaan.

Concluderend stelt de rechtbank vast dat verdachte (in ieder geval) ten aanzien van de vijf hierboven genoemde auto’s een (opzettelijk) onjuiste melding BPM heeft gedaan door diverse eigenschappen en accessoires van deze auto’s niet te vermelden. Verdachte heeft op deze wijze telkens een te lage grondslag voor de berekening van de te aan te geven BPM opgevoerd. [verdachte organisatie] heeft vervolgens op grond van deze onjuiste meldingen in de ten laste gelegde periode onjuiste aangiftes BPM gedaan, aan welke handeling verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven. Deze onjuiste aangiftes strekten er bovendien telkens toe, zoals uit het voorgaande volgt, dat te weinig belasting werd geheven.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte11 en medeverdachte [medeverdachte]12 hebben over de beschuldiging van omkoping bij de FIOD uitgebreide en gedetailleerde verklaringen afgelegd. Kort samengevat komen die verklaringen op het volgende neer.

[medeverdachte] was in de ten laste gelegde periode werkzaam bij de Belastingdienst, onder meer op de frontoffice van het onderdeel dat zich bezighield met de BPM in Groningen, waar verdachte de meldingen BPM ten name van [verdachte organisatie] indiende. Tussen verdachte en [medeverdachte] is in de loop van de tijd een relatie ontstaan waarbinnen de door verdachte ingediende meldingen BPM zonder meer door [medeverdachte] geaccepteerd werden, ook als hij wist dat deze niet juist waren, en vervolgens werden voorzien van een fiscaal akkoord, hetzij door [medeverdachte] zelf, hetzij door anderen die vanwege de acceptatie van de melding door [medeverdachte] geen reden hadden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Verdachte had hier op meerdere manieren voordeel van. In de eerste plaats kon [verdachte organisatie] door de medewerking van [medeverdachte] sneller over het kenteken voor de betreffende auto beschikken en vertegenwoordigde deze officieel een lagere waarde dan in werkelijkheid het geval was, hetgeen een concurrentievoordeel opleverde ten opzichte van andere importeurs van auto’s. In de tweede plaats werd door het accorderen van onjuiste meldingen BPM voorkomen dat in een later stadium door de Belastingdienst zou worden gesignaleerd dat de daarop gebaseerde aangiftes BPM eveneens onjuist waren, en werd derhalve eveneens voorkomen dat deze aangiftes niet zouden worden geaccepteerd en/of een naheffingsaanslag zou worden opgelegd. [medeverdachte] ontving in de ten laste gelegde periode van verdachte verschillende giften en diensten, waaronder geldbedragen die – afgaand op de verklaringen van beide verdachten – in totaal tussen de € 10.000,-- en € 15.000,-- bedroegen. Hoewel nooit expliciet is uitgesproken dat deze giften werden gedaan in ruil voor de medewerking van [medeverdachte] bij het accepteren van onjuiste meldingen BPM, blijkt uit hun beider verklaringen dat zij er van doordrongen waren dat het één met het ander in verband stond.

De rechtbank heeft geconstateerd dat [medeverdachte] tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris zijn eerder afgelegde verklaringen bij de FIOD heeft herroepen. [medeverdachte] stelt door de FIOD onder druk te zijn gezet om een bekennende verklaring af te leggen, druk die zodanig zwaar was dat hij daaraan – mede gezien zijn psychische gezondheidstoestand en meegaande persoonlijkheid – geen weerstand kon bieden. De rechtbank kan echter niet anders dan vaststellen dat de verklaringen die [medeverdachte] destijds heeft afgelegd, naadloos passen bij die van verdachte, bij de inhoud van de tapgesprekken tussen beiden en bij de eerder aangehaalde constatering van [medewerker 1] dat een zeer aanzienlijk deel van de meldingen BPM van [verdachte organisatie] onjuist was. De rechtbank ziet derhalve – wat er ook zij van de mentale toestand van [medeverdachte] ten tijde van de verhoren – geen reden om aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen en zal deze dan ook bezigen tot het bewijs.

Dat [medeverdachte] zodoende gehandeld heeft in zijn hoedanigheid van ambtenaar en in strijd met zijn ambtsplicht staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Het was immers zijn taak om als belastingambtenaar de meldingen BPM te controleren alvorens deze van een fiscaal akkoord werden voorzien. Door het opzettelijk en in ruil voor giften nalaten van deze controle wordt de ambtsplicht per definitie geschonden.

Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat verdachte [medeverdachte] in diens hoedanigheid als belastingambtenaar heeft omgekocht, teneinde zijn onjuiste meldingen BPM geaccepteerd te krijgen door de Belastingdienst. De rechtbank wijst er daarbij op dat reeds het aanbieden van geldbedragen of andere giften aan een ambtenaar met het doel om hem te bewegen iets te doen of na te laten in strijd met de ambtsplicht strafbare omkoping in de zin van artikel 177 Wetboek van Strafrecht oplevert, derhalve ongeacht het verdere handelen of de verdere rol van [medeverdachte]. Dat betekent dat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, in de primaire variant, nu naar het oordeel van de rechtbank verdachte en zijn onderneming [verdachte organisatie] zozeer te vereenzelvigen zijn, dat het handelen van verdachte aan [verdachte organisatie] kan worden toegerekend en verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2017;

2. een ambtsedige verklaring van [medewerker 2], zijnde ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratie d.d. 25 februari 2014, als AH-87 opgenomen op pagina 1683 van voornoemd dossier;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 12 februari 2014, opgenomen op pagina 853 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 3], kantoorleider bij [organisatie] te Zuidbroek;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 12 november 2013, opgenomen op pagina 560 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam].

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het deel van de onder 4 opgenomen tenlastelegging dat ziet op de verkoop- en inkoopfacturen met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2017;

2. een verkoopfactuur Audi A6 d.d. 11 juli 2009, een verkoopfactuur Audi Q5, een verkoopfactuur Audi A7, een inkoopfactuur BMW 520d en een inkoopfactuur Skoda Octavia 1.6 TDI, als bijlagen opgenomen bij voornoemd dossier en genummerd respectievelijk D-075c, D-082c, D-115c, D-105c en D-136;

3. naar wettelijk voorschrift opgemaakte processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot fiscaal nadeel, als bijlagen opgenomen bij voornoemd dossier en genummerd respectievelijk AH-17, AH-33 en AH-52.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het deel van de onder 4 opgenomen tenlastelegging dat ziet op de koerslijsten het volgende.

Teneinde de waarde van een gebruikte auto en daarmee tevens de hoogte van de te betalen BPM te bepalen, kan door een autohandelaar gebruik worden gemaakt van verschillende koerslijsten, zoals de Xray koerslijst en de Autotelex koerslijst. Uit het dossier13 en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat ook verdachte bij het doen van meldingen BPM voor [verdachte organisatie] gebruik heeft gemaakt van voormelde koerslijsten. In die gevallen heeft verdachte de gebruikte lijsten telkens gevoegd bij de betreffende melding en ingediend bij de Belastingdienst.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde vijf koerslijsten heeft verdachte bij de FIOD erkend dat hij de Xray koerslijst voor de Audi A814, de Autotelex koerslijst voor de Mercedes Benz GLK en de koerslijst voor de Audi Q3 heeft ingevuld en daarbij geen of onvoldoende accessoires van de betreffende auto’s heeft aangegeven15. Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de gegevens in het dossier16 waaruit blijkt dat in voormelde drie koerslijsten telkens een te laag bedrag aan accessoires voor de betreffende auto’s is aangegeven.

Gezien voorgaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte valsheid in geschrift, zoals ten laste gelegd, heeft gepleegd ten aanzien van de Xray koerslijst Audi A8 TDI Quattro, de Autotelex koerslijst Mercedes Benz GLK 220 CDI en de Xray koerslijst Audi Q3 2.0 TFSI.

Ten aanzien van de overige twee in de tenlastelegging opgenomen lijsten, te weten de Autotelex koerslijst Skoda Octavia 1.6 TDI en de Xray koerslijst Porsche Carrera 4, staat naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk vast dat verdachte deze lijsten opzettelijk in strijd met de waarheid en daarmee valselijk heeft opgemaakt. Verdachte wordt dan ook voor het deel van de tenlastelegging dat ziet op voormelde twee lijsten vrijgesproken.

In alle bewezenverklaarde gevallen overweegt de rechtbank dat verdachte en zijn onderneming [verdachte organisatie] zozeer te vereenzelvigen zijn, dat het handelen van verdachte aan [verdachte organisatie] kan worden toegerekend en verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

[verdachte organisatie] in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, telkens opzettelijk meerdere bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten meerdere elektronische aangiften ingevolge de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de belastingdienst in Nederland,

terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat er te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestaan dat op en/of bij de aangiften/meldingen

- een te lage grondslag voor de berekening van de belasting van personenauto's en motorrijwielen werd ingevuld, en

- een te laag bedrag aan accessoires werd ingevuld en/of één of meer(dere) ander(e) bedrag(en) te laag en/of onjuist werd(en) ingevuld,

aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[verdachte organisatie], in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Haren en/of Groningen en/of Emmen en/of Veendam en/of elders in Nederland, aan een ambtenaar giften heeft gedaan en diensten heeft aangeboden, te weten:

- meerdere geldbedragen, en

- één of meerdere onderdelen en/of reparaties voor verdachte zijn voertuig en/of voor voertuigen van één of meer collega’s van verdachte, zonder daarvoor te hoeven betalen en/of tegen gereduceerd tarief, en

- brandstof voor zijn privévoertuig(en), en

- meerdere wasbonnen voor het laten wassen van voertuigen,

met het oogmerk om hem (de ambtenaar) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, te weten:

- het laten doen van onjuiste meldingen BPM, en

- het invoeren van onjuiste gegevens ten behoeve van de meldingen BPM, en

- het zonder controle doorvoeren en invoeren en accorderen van onjuiste meldingen BPM, en

- het geven van een fiscaal akkoord op onjuiste meldingen BPM,

aan welke verboden gedragingen verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

[verdachte organisatie] in de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 januari 2012, in Apeldoorn en/of Groningen en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, te weten meerdere elektronische aangiften omzetbelasting, te weten

-de aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal 2009, en

-de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede en derde en vierde kwartaal 2010, en

-de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede en derde en vierde kwartaal 2011,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestaan dat op de aangiften een te laag bedrag aan omzet en een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd opgegeven, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

4.

[verdachte organisatie] in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Haren en/of Groningen en/of elders in Nederland, meerdere koerslijsten en verkoopfacturen en inkoopfacturen, waaronder:

-een verkoopfactuur Audi A6 d.d. 11 juli 2009 (D-075c), en

-een verkoopfactuur Audi Q5 (D-082c), en

-een verkoopfactuur Audi A7 (D-115c), en

-een inkoopfactuur BMW 520d (D-105c), en

-een inkoopfactuur Skoda Octavia 1.6 TDI (D-136), en

-Xray koerslijst Audi A8 4.2 TDI Quattro (D-099f), en

-Autotelex koerslijst Mercedes Benz GLK 220 CDI (D-111f), en

-Xray koerslijst Audi Q3 2.0 TFSI (D-155-/11),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte telkens valselijk op voornoemde geschriften, in strijd met de waarheid, een te lage cataloguswaarde inclusief opties van het in het geschrift genoemde voertuig opgegeven, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd door een rechtspersoon;

2. primair feitelijk leiding geven aan het aan een ambtenaar doen van een gift en het verlenen van een dienst met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd door een rechtspersoon;

3. feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd door een rechtspersoon;

4. feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door een rechtspersoon.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en tot betaling van een geldboete van € 100.000,00 subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke straf, eventueel met elektronisch toezicht. Voorts heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en om af te zien van het opleggen van de door de officier van justitie gevorderde geldboete omdat een dergelijke straf in het geval van verdachte snel zal leiden tot het ondergaan van de vervangende hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het jarenlang doen van onjuiste aangiftes BPM en omzetbelasting, het omkopen van een ambtenaar en het plegen van valsheid in geschrift.

Verdachte heeft structureel strafbare feiten gepleegd teneinde zijn bedrijf [verdachte organisatie] succesvol te laten zijn. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij gedurende jaren en op grote schaal onjuiste aangiftes BPM gedaan heeft en er daarbij middels doelbewuste omkoping van een ambtenaar van de Belastingdienst voor gezorgd heeft dat zijn frauduleus handelen niet ontdekt en gesanctioneerd kon worden door de Belastingdienst. Bij het doen van de onjuiste aangiftes omzetbelasting heeft verdachte er bovendien niet voor geschroomd om een groot aantal onderliggende facturen te vervalsen.

Door de handelwijze van verdachte werd het vertrouwen dat de Belastingdienst mag hebben in de juistheid van de door belastingplichtigen gedane aangiften geschonden en werd er te weinig belasting geheven waardoor de Belastingdienst voor substantiële geldbedragen benadeeld werd. Daarnaast is de werking van de markt verstoord doordat verdachte middels zijn frauduleus handelen een lager bedrag aan belasting heeft afgedragen waardoor hij voor zijn bedrijf [verdachte organisatie] een concurrentievoordeel heeft behaald.

De ernst van de door verdachte gepleegde feiten rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van deze straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak geschonden is en dat hij niet eerder ter zake van (fraude) delicten is veroordeeld.

Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het tevens opleggen van een geldboete aan verdachte, zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 51, 57, 177 (oud) en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M. van den Bosch en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2017.

Voetnoten

1
proces-verbaal 1-PV-69 lid 2 AWR/BPM opgenomen op pagina 153 van het hoofddossier van Belastingdienst/FIOD met nummer 51414, gesloten d.d. 30 juni 2014.
2
verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2017.
3
ambtsedige verklaring, als bijlage AH-90 opgenomen op pagina 1711 van voornoemd hoofddossier.
4
documenten D-108d en D-108f, als bijlagen gevoegd bij voornoemd hoofddossier.
5
documenten D-97d, D-97f en D-97g, als bijlagen gevoegd bij voornoemd hoofddossier.
6
proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], G18-07 opgenomen op pagina 921 van voornoemd hoofddossier.
7
documenten D-99e, D-99g en D-99h, als bijlagen gevoegd bij voornoemd hoofddossier.
8
documenten D-89i, D-89p en D-89s, als bijlagen gevoegd bij voornoemd hoofddossier.
9
documenten D-156, D-156a en D-156b, als bijlagen gevoegd bij voornoemd hoofddossier.
10
proces-verbaal van bevindingen AH-43, opgenomen op pagina 1279 van voornoemd hoofddossier.
11
processen-verbaal van verhoor verdachte te weten V1-05, V1-07 en V1-09 opgenomen op respectievelijk pagina 430, 438 en 458 van voornoemd hoofddossier.
12
processen-verbaal van verhoor [medeverdachte] te weten G18-04 en G18-07 opgenomen op respectievelijk pagina 900 en 921 van voornoemd hoofddossier.
13
proces-verbaal van verhoor verdachte,V1-02, opgenomen op pagina 412 van voornoemd hoofddossier.
14
proces-verbaal verhoor verdachte, V1-04, opgenomen op pagina 424 van voornoemd hoofddossier.
15
proces-verbaal verhoor verdachte, V1-15, opgenomen op pagina 502 van voornoemd hoofddossier.
16
proces-verbaal 1-PV-225-1 Sr opgenomen op pagina 85 van voornoemd hoofddossier.
Verder lezen