ECLI:NL:RBNNE:2017:2461 Rechtbank Noord-Nederland , 06-07-2017 / 18/676505-13

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/676505-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 6 juli 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 maart 2016 en 8 juni 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.L. Edens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

[verdachte organisatie 1] en/of [verdachte organisatie 2] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk een groot aantal, althans één of meerdere, bij de

Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n)

ingevolge de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992,

waaronder:

-de op of omstreeks 26 juni 2009 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A6

met het [chassisnummer] (D-028); en/of

-de op of omstreeks 12 februari 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW

530i met het [chassisnummer] (D-065); en/of

-de op of omstreeks 4 augustus 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-089); en/of

-de op of omstreeks 26 mei 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A8

met het [chassisnummer] (D-090); en/of

-de op of omstreeks 27 september 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

Audi A5 met het [chassisnummer] (D-091); en/of

-de op of omstreeks 4 april 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de

Volkswagen Touran met het [chassisnummer] (D-112); en/of

-de op of omstreeks 23 november 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-113); en/of

-de op of omstreeks 31 januari 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-106); en/of

-de op of omstreeks 2 juli 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW X1 met

het [chassisnummer] (D-092),

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen

en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst

in Nederland,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat er geen, dan wel te weinig belasting werd geheven,

hebben die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaand dat op en/of bij de aangifte(n)/melding(en) (telkens)

- een te lage grondslag voor de berekening van de belasting van personenauto's

en motorrijwielen werd ingevuld, en/of

- een te lage en/of onjuiste historische nieuwprijs (PGA-waarde) werd ingevuld, en/of

- aangeleverde koerslijst afkomstig van/uit Autotelex en/of Xray een te lage en/of onjuiste catalogusprijs en/of bedrag aan accessoires werd ingevuld en/of één of meer(dere) ander(e) bedrag(en) te laag en/of onjuist werd(en) ingevuld, en/of

- de historische nieuwprijs op een te laag en/of onjuist bedrag werd vastgesteld, en/of

- de historische nieuwprijs middels een zogeheten BPM 18-formulier naar een te laag en/of onjuist bedrag werd bijgesteld, en/of

- in Applicatie BPM Douane een te laag en/of onjuist bedrag voor de historische nieuwprijs (PGA-waarde) en/of netto accessoiresprijs werd ingevuld, en/of

- ten onrechte één of meerdere voertuigen bestempeld werd als zijnde gebruikte voertuigen, terwijl deze voor de aangifte(n) BPM als nieuw voertuig aangegeven zou moeten worden,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan

niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan

wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een

ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot

en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met [verdachte organisatie 1] en/of [verdachte organisatie 2] en/of één of meer

andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk een groot aantal, althans één of meerdere, bij de Belastingwet

voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) ingevolge de Wet op de

belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, waaronder:

-de op of omstreeks 26 juni 2009 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A6

met het [chassisnummer] (D-028); en/of

-de op of omstreeks 12 februari 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW

530i met het [chassisnummer] (D-065); en/of

-de op of omstreeks 4 augustus 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-089); en/of

-de op of omstreeks 26 mei 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A8

met het [chassisnummer] (D-090); en/of

-de op of omstreeks 27 september 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A5 met het [chassisnummer] (D-091); en/of

-de op of omstreeks 4 april 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de

Volkswagen Touran met het [chassisnummer] (D-112); en/of

-de op of omstreeks 23 november 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-113); en/of

-de op of omstreeks 31 januari 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-106); en/of

-de op of omstreeks 2 juli 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW X1 met

het [chassisnummer] (D-092),

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen

en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst

in Nederland,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat er geen, dan wel te weinig belasting werd geheven,

hebben die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaand dat op en/of bij de aangifte(n)/melding(en) (telkens)

- een te lage grondslag voor de berekening van de belasting van personenauto's

en motorrijwielen werd ingevuld, en/of

- een te lage en/of onjuiste historische nieuwprijs (PGA-waarde) werd ingevuld, en/of

- aangeleverde koerslijst afkomstig van/uit Autotelex en/of Xray een te lage en/of onjuiste catalogusprijs en/of bedrag aan accessoires werd ingevuld en/of één of meer(dere) ander(e) bedrag(en) te laag en/of onjuist werd(en) ingevuld, en/of

- de historische nieuwprijs op een te laag en/of onjuist bedrag werd vastgesteld, en/of

- de historische nieuwprijs middels een zogeheten BPM 18-formulier naar een te laag en/of onjuist bedrag werd bijgesteld, en/of

- in Applicatie BPM Douane een te laag en/of onjuist bedrag voor de historische nieuwprijs (PGA-waarde) en/of netto accessoiresprijs werd ingevuld, en/of

- ten onrechte één of meerdere voertuigen bestempeld werd als zijnde gebruikte voertuigen, terwijl deze voor de aangifte(n) BPM als nieuw voertuig aangegeven zou moeten worden,

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[verdachte organisatie 1] en/of [verdachte organisatie 2] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk een groot aantal, althans één of meerdere, bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) ingevolge de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, waaronder:

-de op of omstreeks 26 juni 2009 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A6

met het [chassisnummer] (D-028); en/of

-de op of omstreeks 12 februari 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW

530i met het [chassisnummer] (D-065); en/of

-de op of omstreeks 4 augustus 2010 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-089); en/of

-de op of omstreeks 26 mei 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi A8 met

het [chassisnummer] (D-090); en/of

-de op of omstreeks 27 september 2011 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A5 met het [chassisnummer] (D-091); en/of

-de op of omstreeks 4 april 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de

Volkswagen Touran met het [chassisnummer] (D-112); en/of

-de op of omstreeks 23 november 2012 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-113); en/of

-de op of omstreeks 31 januari 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de Audi

A6 met het [chassisnummer] (D-106); en/of

-de op of omstreeks 2 juli 2013 gedane aangifte/melding BPM voor de BMW X1 met

het [chassisnummer] (D-092),

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat er geen, dan wel te weinig belasting werd geheven,

hebben die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaand dat op en/of bij de aangifte(n)/melding(en) (telkens)

- een te lage grondslag voor de berekening van de belasting van personenauto's

en motorrijwielen werd ingevuld, en/of

- een te lage en/of onjuiste historische nieuwprijs (PGA-waarde) werd ingevuld, en/of

- aangeleverde koerslijst afkomstig van/uit Autotelex en/of Xray een te lage en/of onjuiste catalogusprijs en/of bedrag aan accessoires werd ingevuld en/of één of meer(dere) ander(e) bedrag(en) te laag en/of onjuist werd(en) ingevuld, en/of

- de historische nieuwprijs op een te laag en/of onjuist bedrag werd vastgesteld, en/of

- de historische nieuwprijs middels een zogeheten BPM 18-formulier naar een te laag en/of onjuist bedrag werd bijgesteld, en/of

- in Applicatie BPM Douane een te laag en/of onjuist bedrag voor de historische nieuwprijs (PGA-waarde) en/of netto accessoiresprijs werd ingevuld, en/of

- ten onrechte één of meerdere voertuigen bestempeld werd als zijnde gebruikte voertuigen, terwijl deze voor de aangifte(n) BPM als nieuw voertuig aangegeven zou moeten worden,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven, hij, verdachte, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013,

in Apeldoorn en/of Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte,

- wetende dat de gegevens op de meldingen voor de hiervoor beschreven aangifte(n) en/of meldingen BPM onjuist en/of niet correct en/of in strijd met de waarheid waren, deze gegevens zonder correctie ingevoerd in de Applicatie BPM Douane, en/of

- in strijd met de waarheid in de Applicatie BPM Douane ingevoerd dat hij, verdachte, de voertuigen fysiek had opgenomen, en/of

- de aangifte(n) en/of meldingen BPM, wetende dat de gegevens onjuist waren, met een fiscaal akkoord afgedaan, al dan niet onder gebruikmaking van de user-id van een collega en/of een collega verzocht deze fiscaal af te doen, en/of

- ten behoeve van de hiervoor beschreven aangifte(n) en/of melding(en) BPM, de historische nieuwprijs middels een zogeheten BPM 18 formulier naar een te laag en/of onjuist bedrag bijgesteld, en/of

- één of meerdere voertuig(en) aangemerkt als zijnde gebruikt, terwijl in werkelijkheid de/het voertuig(en) voor de aangifte(n) en/of melding(en) BPM als nieuw aangegeven zou moeten worden.

2.

hij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Groningen en/of Emmen en/of Veendam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, als ambtenaar,

één of meerdere gift(en) en/of belofte(s) en/of dienst(en) heeft aangenomen, te weten:

- één of meerdere geldbedrag(en), en/of

- één of meerdere onderdelen en/of reparaties voor verdachte zijn voertuig en/of voor voertuigen van één of meer collega’s van verdachte, zonder daarvoor te hoeven betalen en/of tegen gereduceerd tarief, en/of

- één of meerdere keren brandstof voor zijn privévoertuig(en), en/of

- één of meerdere wasbon(nen) voor het laten wassen van voertuig(en),

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan en/of verleend en/of aangeboden werd, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, en/of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, te weten:

- het doen of laten doen van onjuiste aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het invoeren van onjuiste gegevens ten behoeve van de aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het zonder controle doorvoeren en/of invoeren en/of accorderen van (onjuiste) aangifte(n)/melding(en) BPM, en/of

- het geven van een fiscaal akkoord op onjuiste aangifte(n)/melding(en) BPM.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde gevorderd nu daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De door de raadsman in zijn pleitnota opgeworpen punten worden hieronder in de beoordeling van de rechtbank meegewogen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Algemene overwegingen en uitleg van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat [verdachte organisatie 1], waarvan medeverdachte [medeverdachte] eigenaar was en dat zich hoofdzakelijk bezig hield met de invoer van auto’s uit het buitenland, een zogenaamde vergunninghouder ex artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: BPM) is. Een dergelijke vergunninghouder hoeft bij de invoer van auto’s niet per auto aangifte in het kader van de BPM te doen, maar kan bij de invoer volstaan met het doen van een melding bij de Belastingdienst. Vervolgens dient de vergunninghouder per tijdvak, in het geval van [verdachte organisatie 1] maandelijks aangifte in het kader van de BPM te doen en de verschuldigde belasting op aangifte af te dragen. [medeverdachte] heeft tegenover de FIOD verklaard dat [verdachte organisatie 1] de aangiftes baseerde op de eerder gedane meldingen BPM en dat hij deze meldingen als bijlagen bij de aangiftes voegde. Het doen van meldingen BPM kan derhalve voor een vergunninghouder als [verdachte organisatie 1] als een voorportaal voor het doen van de uiteindelijke aangifte worden beschouwd.

Aan de kant van de Belastingdienst betekent deze wijze van aangifte doen dat de meldingen die door de vergunninghouder gedaan worden, door een medewerker – zoals verdachte – worden gecontroleerd en vervolgens fiscaal geaccordeerd. Pas na een dergelijk fiscaal akkoord wordt door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) een kenteken afgegeven. Het fiscaal akkoord blijft achterwege indien de inhoud van de melding zichtbaar onjuist is en dit aanleiding geeft de melding terug te sturen naar de belastingplichtige. Wanneer de meldingen van een fiscaal akkoord voorzien zijn, worden ze op het moment dat ze als bijlage bij de latere maandaangiftes bij de Belastingdienst binnenkomen niet nogmaals gecontroleerd door de Belastingdienst. Derhalve kan het controleren en accorderen van de meldingen BPM worden beschouwd als een vorm van voorcontrole van de latere, op die meldingen gebaseerde aangifte.

In feit 1 van de onderhavige tenlastelegging wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij gedurende een periode van ruim vier jaar heeft meegewerkt aan het doen, door een tweetal ondernemingen, van een groot aantal onjuiste aangiftes BPM. Vervolgens worden in de tenlastelegging negen auto’s opgesomd, ten aanzien waarvan, zoals de tenlastelegging dat noemt, “aangiftes/meldingen BPM” zijn gedaan. De officier van justitie heeft ter terechtzitting nader toegelicht dat voor deze specifieke auto’s is gekozen om zo het hele ten laste gelegde periode te bestrijken.

De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op de in de betreffende gedachtestreepjes vermelde data en de feitelijke uitwerking van de onjuistheden, in elk van deze negen gevallen gaat om de melding BPM en niet om de (daar later op gebaseerde) aangifte in de zin van de Algemene wet op de rijksbelastingen (Awr). Derhalve is geen sprake van negen bij de belastingwet voorziene aangiften zoals ten laste gelegd en acht de rechtbank het onderdeel van de tenlastelegging dat bestaat uit de opsomming van de negen meldingen niet bewijsbaar. Terzijde merkt de rechtbank op dat het onjuist doen van een melding ook niet valt onder de strafbaarstelling van artikel 68 lid 2 Awr (oud), zodat, al zou de rechtbank dit onderdeel bewezen hebben verklaard, daarvoor dus geen kwalificatie had kunnen volgen.

Nu echter uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze meldingen telkens de basis hebben gevormd voor de daaropvolgende maandaangiftes verstaat de rechtbank de tenlastelegging aldus dat deze ziet op de aangiftes BPM over de tijdvakken waarvan de in de tenlastelegging omschreven meldingen deel uitmaakten.

Bewijsoverwegingen

Zoals de rechtbank bij vonnis van heden heeft geoordeeld in diens strafzaak, staat op grond van de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] en verdachte zelf bij de FIOD hebben afgelegd, in combinatie met de in het dossier opgenomen bevindingen van [medewerker]1, BPM-deskundige bij de Belastingdienst, genoegzaam vast dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het indienen van onjuiste aangiftes BPM door diens bedrijf [verdachte organisatie 1]. Uit de bevindingen van [medewerker] volgt immers dat het overgrote merendeel van de meldingen BPM die in de ten laste gelegde periode door [medeverdachte] zijn ingediend, en waarop diens aangiftes BPM vervolgens zijn gebaseerd, onjuist waren, hetgeen [medeverdachte] en verdachte hebben toegegeven.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte op verschillende momenten na zijn verhoren bij de FIOD, waaronder tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting, zijn eerder afgelegde verklaringen heeft herroepen. Verdachte stelt door de FIOD onder druk te zijn gezet om een bekennende verklaring af te leggen, druk die zodanig zwaar was dat hij daaraan – mede gezien zijn psychische gezondheidstoestand en meegaande persoonlijkheid – geen weerstand kon bieden. De rechtbank kan echter niet anders dan vaststellen dat de verklaringen die verdachte destijds heeft afgelegd, naadloos passen bij die van [medeverdachte], bij de inhoud van de tapgesprekken tussen beiden en bij de eerder aangehaalde constatering van [medewerker] dat een zeer aanzienlijk deel van de meldingen BPM van [verdachte organisatie 1] onjuist was. De rechtbank ziet derhalve – wat er ook zij van verdachtes mentale toestand ten tijde van de verhoren en de bruikbaarheid van de door de psychiater Mutsaers opgemaakte rapportage – geen reden om aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen en zal deze dan ook bezigen tot het bewijs.

De betrokkenheid van verdachte bij de totstandkoming van de onjuiste aangiftes BPM zoals die uit de verklaringen van hemzelf en [medeverdachte] bij de FIOD naar voren komt, bestond eruit dat hij, als belastingambtenaar werkzaam bij het onderdeel van de Belastingdienst dat zich bezighield met de BPM, bewust de opzettelijk door [medeverdachte] onjuist ingevulde meldingen heeft geaccepteerd, waarna deze hetzij door hemzelf, hetzij door een andere medewerker die vanwege de acceptatie door verdachte geen reden had om aan de juistheid van die meldingen te twijfelen, van een fiscaal akkoord werden voorzien. De onjuiste meldingen zijn vervolgens door [medeverdachte] ten grondslag gelegd aan diens in de ten laste gelegde periode ingediende aangiftes BPM en hebben er – logischerwijs – toe geleid dat die aangiftes onjuiste (te lage) bedragen bevatten. Door de onjuiste meldingen te accepteren, heeft verdachte bewerkstelligd dat de aangiftes op deze manier konden plaatsvinden, nu deze meldingen later niet meer werden gecontroleerd. Daarmee is voorkomen dat de Belastingdienst de onjuistheid van de aangiftes kon opmerken.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de rol van verdachte als faciliterend aan het doen van de onjuiste aangiftes worden beschouwd. Dat is een vorm van medeplichtigheid, zoals onder feit 1 meer subsidiair aan hem is ten laste gelegd. De rechtbank ziet geen grond om zijn rol als die van medepleger aan te merken, nu verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen met betrekking tot de aangiftes heeft verricht en ook anderszins niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (het bedrijf van) [medeverdachte] bij het doen van de aangiftes. De rechtbank wijst er daarbij op dat het doen van aangifte een nieuw wilsbesluit van [medeverdachte] vergde en niet automatisch uit de samenwerking rond het accepteren van onjuiste meldingen BPM voortvloeide.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank ten aanzien van de negen in de tenlastelegging geconcretiseerde meldingen als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat verdachte niet over elk van deze auto’s specifiek door de FIOD is ondervraagd. Hoewel verdachte in algemene zin wel heeft verklaard dat hij op grootschalige wijze onjuiste meldingen accepteerde, ziet de rechtbank zich derhalve toch per melding voor de vraag gesteld of verdachte bij deze melding zich ervan bewust is geweest dat de betreffende melding onjuist was. Daarbij is van belang dat, zoals ter terechtzitting ook meermalen aan de orde is gekomen, het vaststellen van de waarde van een auto geen exacte wetenschap is en in sommige gevallen redelijkerwijs tot discussie aanleiding kan geven. Voor de vaststelling of verdachte bewust een onjuiste melding heeft geaccepteerd, is derhalve nodig dat komt vast te staan dat (1) verdachte de auto in kwestie zelf fysiek heeft opgenomen zodat hij kennis heeft kunnen nemen van het uiterlijk en de eigenschappen daarvan en (2) de onjuistheid op basis van die schouw duidelijk waarneembaar was.

Bij toepassing van deze criteria komt de rechtbank tot de conclusie dat slechts voor de onder het vierde gedachtestreepje opgenomen auto (Audi A8, [chassisnummer]) op grond van de bekennende verklaring van verdachte2 kan worden gesteld dat verdachte deze auto fysiek heeft opgenomen en zich ervan bewust was dat de voor deze auto gedane melding onjuist was.

Ten aanzien van de meldingen genoemd onder het eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en negende gedachtestreepje overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet blijkt welke ambtenaar van de Belastingdienst deze meldingen heeft opgenomen en evenmin of, en zo ja, door wie, de betreffende auto’s fysiek zijn bekeken.

Ten aanzien van de melding genoemd onder het zevende gedachtestreepje merkt de rechtbank op dat dit een melding betreft die niet is gedaan door [verdachte organisatie 1], maar door een ander bedrijf genaamd [verdachte organisatie 2]. Uit de stukken blijkt niet dat tussen verdachte en deze onderneming een vergelijkbare verhouding bestond als met [medeverdachte] c.q. [verdachte organisatie 1]. Mogelijk is deze melding door [verdachte organisatie 1] namens of ten behoeve van [verdachte organisatie 2] gedaan, maar ook dat blijkt niet uit de stukken.

Ten aanzien van de melding genoemd onder het achtste gedachtestreepje overweegt de rechtbank dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat deze melding onjuistheden bevat.

Hoewel op grond van het dossier zonder meer aannemelijk is dat verdachte en [medeverdachte] op grote schaal hebben samengewerkt bij het doen van onjuiste meldingen BPM, moet de rechtbank voor wat betreft de concreet in de tenlastelegging genoemde meldingen concluderen dat slechts in één geval kan worden bewezen dat verdachte door het bewust accepteren van een onjuiste melding, medeplichtig is geweest aan het doen van een onjuiste (want daarop gebaseerde) aangifte BPM.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Zoals hiervoor al overwogen, is er tussen verdachte en [medeverdachte] in de loop van de tijd een relatie ontstaan waarbinnen de door [medeverdachte] namens [verdachte organisatie 1] ingediende meldingen BPM zonder meer door verdachte geaccepteerd werden, ook als hij wist dat deze niet juist waren. Uit hetgeen zowel [medeverdachte]3 als verdachte4 zelf bij de FIOD hebben verklaard – verklaringen die de rechtbank, zoals eerder overwogen, bruikbaar acht voor het bewijs – volgt verder dat verdachte in de ten laste gelegde periode van [medeverdachte] verschillende giften en diensten ontving, waaronder geldbedragen die – afgaand op de verklaringen van beide verdachten – in totaal tussen de € 10.000,-- en € 15.000,-- bedroegen. Hoewel nooit expliciet is uitgesproken dat deze giften werden gedaan in ruil voor de medewerking van verdachte bij het accepteren van onjuiste meldingen BPM, blijkt uit hun beider verklaringen dat zij er van doordrongen waren dat het één met het ander in verband stond. Er bestaat derhalve geen twijfel over dat verdachte de wetenschap had dat de betreffende giften hem werden aangeboden om hem te bewegen de onjuiste meldingen te accepteren en controle daarop na te laten. Dat verdachte zodoende gehandeld heeft in zijn hoedanigheid van ambtenaar en in strijd met zijn ambtsplicht staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Het was immers zijn taak om als belastingambtenaar de meldingen BPM te controleren alvorens deze van een fiscaal akkoord werden voorzien. Door dit bewust niet te doen en de onjuiste meldingen te accepteren wordt de ambtsplicht per definitie geschonden.

De rechtbank benadrukt dat het onder deze omstandigheden aannemen van giften op zichzelf reeds strafbaar is. Niet vereist is dat de ambtenaar daadwerkelijk heeft gehandeld zoals de omkoper voor ogen staat. De conclusie van de rechtbank hierboven dat slechts in één concreet geval kan worden vastgesteld dat verdachte medeplichtig is geweest aan het onjuist doen van aangifte BPM, doet aan de strafbaarheid en strafwaardigheid van de gedragingen van verdachte dus niets af.

Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich als ambtenaar heeft laten omkopen door [medeverdachte], zoals onder feit 2 aan hem is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. meer subsidiair

[verdachte organisatie 1] in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een elektronische aangifte ingevolge de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland, terwijl dat feit ertoe strekte dat er te weinig belasting werd geheven, hebben die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaand dat op en/of bij de aangifte/melding

- een te lage grondslag voor de berekening van de belasting van personenauto's en motorrijwielen werd ingevuld, en

- een te laag bedrag aan accessoires werd ingevuld en/of één of meer(dere) ander(e) bedrag(en) te laag en/of onjuist werd(en) ingevuld,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Apeldoorn en/of Groningen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte,

- wetende dat de gegevens op een melding BPM niet correct en/of in strijd met de waarheid waren, deze gegevens zonder correctie ingevoerd in de Applicatie BPM Douane, en

- de melding BPM, wetende dat de gegevens onjuist waren, met een fiscaal akkoord afgedaan, al dan niet onder gebruikmaking van de user-id van een collega en/of een collega verzocht deze fiscaal af te doen.

2.

hij, in de periode van 1 juli 2009 tot en met 11 november 2013, in Groningen en/of Emmen en/of Veendam en/of elders in Nederland, als ambtenaar, giften en diensten heeft aangenomen, te weten:

- meerdere geldbedragen, en

- één of meerdere onderdelen en/of reparaties voor verdachte zijn voertuig en/of voor voertuigen van één of meer collega’s van verdachte, zonder daarvoor te hoeven betalen en/of tegen gereduceerd tarief, en

- brandstof voor zijn privévoertuig(en), en

- meerdere wasbonnen voor het laten wassen van voertuigen,

wetende dat deze hem gedaan en aangeboden werden, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, te weten:

- het laten doen van onjuiste meldingen BPM, en

- het invoeren van onjuiste gegevens ten behoeve van de meldingen BPM, en

- het zonder controle doorvoeren en invoeren en accorderen van onjuiste meldingen BPM, en

- het geven van een fiscaal akkoord op onjuiste meldingen BPM.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. meer subsidiair medeplichtigheid aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon;

2. als ambtenaar een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem wordt gedaan en aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Voorts vordert de officier van justitie op grond van artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht de verbeurdverklaring van een bedrag van € 17.540,00.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak. In het geval de rechtbank aan strafoplegging toekomt, verzoekt de raadsman rekening te houden met het feit dat verdachte strafontslag gekregen heeft waardoor hij niet in aanmerking komt voor een uitkering en een volledig pensioen, en het feit dat verdachte een first offender is en het ondergaan van de voorlopige hechtenis een grote impact op hem heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is als ambtenaar van de Belastingdienst behulpzaam geweest bij het doen van een onjuiste aangifte BPM door een autohandelaar en heeft zich daarbij laten omkopen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, in de hoedanigheid van een bij de Belastingdienst werkzame ambtenaar, jarenlang geld, goederen en diensten heeft aangenomen in ruil voor het accorderen van door medeverdachte [medeverdachte] gedane onjuiste meldingen BPM. Verdachte heeft er hierdoor aan meegewerkt dat het frauduleuze handelen van [medeverdachte] niet ontdekt en gesanctioneerd kon worden door de Belastingdienst. Verdachte heeft hierbij telkens in strijd met zijn functie bij de Belastingdienst gehandeld waardoor het vertrouwen van de burgers in de overheid wordt aangetast en het functioneren van de overheid wordt bedreigd.

De ernst van de door verdachte gepleegde feiten rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat verdachte strafontslag gekregen heeft, acht de rechtbank het logisch gevolg van zijn eigen strafbare handelen waarbij hij zich jarenlang heeft laten omkopen en deze omstandigheid vormt derhalve geen reden om af te zien van het opleggen van een gevangenisstraf. Dat geldt ook voor de andere persoonlijke omstandigheden die door de verdediging naar voren zijn gebracht. De feiten zijn te ernstig om voor een andere vorm van bestraffing te kiezen. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak geschonden is en dat hij niet eerder ter zake van (fraude) delicten is veroordeeld.

Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend.

Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde verbeurdverklaring van een bedrag van € 17.540,00 overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is gezien de tekst van artikel 33a en 34 Sr van oordeel dat verbeurdverklaring alleen mogelijk is bij al dan niet in beslag genomen (nog feitelijk bestaande) voorwerpen en dat niet de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken van (de tegenwaarde van) geconsumeerde goederen en diensten. Indien en voor zover met dat laatste wederrechtelijk door de veroordeelde voordeel is behaald, kan dat vanzelfsprekend wel op grond van artikel 36e Sr aan hem worden ontnomen.

Dit betekent dat de rechtbank de daadwerkelijk in beslag genomen geldbedragen van

€ 206,05 en € 1.400,00 verbeurd verklaart en de vordering van de officier van justitie ten aanzien van het overige bedrag afwijst.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33a, 48, 57 en 363(oud) van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen geldbedragen van € 206,05 en € 1.400,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M. van den Bosch en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2017.

Voetnoten

1
overzichtsproces-verbaal opgenomen op pagina 20 van het hoofddossier van Belastingdienst/FIOD met nummer 52346, gesloten op 7 juli 2014.
2
proces-verbaal van verhoor verdachte, V1-06 opgenomen op pagina 225 van voornoemd hoofddossier.
3
processen-verbaal van verhoor [medeverdachte], te weten G14-05, G14-07 en G14-09 opgenomen op respectievelijk pagina 702, 710 en 730 van voornoemd hoofddossier.
4
processen-verbaal van verhoor verdachte, te weten V1-03 en V1-06 opgenomen op respectievelijk pagina 204 en 225 van voornoemd hoofddossier.