ECLI:NL:RBNNE:2017:2480 Rechtbank Noord-Nederland , 06-07-2017 / C/18/177250 / KG ZA 17-155

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/177250 / KG ZA 17-155

Vonnis in kort geding van 6 juli 2017

in de zaak van


[voornamen] [eiseres]
,

wonende te Groningen,

eiseres,

advocaat mr. dr. P. [eiseres] , die kantoor houdt in Amsterdam,

procesadvocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders-Folmer, die kantoor houdt in Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING HANZEHOGESCHOOL GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

die zelf procedeert.

Partijen worden hierna [eiseres] en Hanzehogeschool genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 3 juli 2017;

-

de akte overlegging producties van [eiseres] van 6 juli 2017;

-

de akte overlegging producties van Hanzehogeschool van 6 juli 2017;

-

de mondelinge behandeling van 6 juli 2017 en de daarvan door de griffier gemaakte aantekeningen;

-

de pleitnota van [eiseres] ;

-

de pleitnota van Hanzehogeschool.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter kan bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de navolgende feiten.

2.2.

[eiseres] volgt als eerstejaarsstudente de opleiding Financieel en Economisch Management (FEM) aan de Hanzehogeschool. Zij wil gedurende dit studiejaar minimaal 48 van de 60 studiepunten behalen, teneinde een positief studieadvies te krijgen. Zij heeft op dit moment 47 studiepunten behaald.

2.3.

In week 26 van dit jaar heeft [eiseres] de laatste tentamens van het eerste jaar afgelegd, waaronder het tentamen voor het vak International Finance & Economics op 28 juni 2017.

2.4.

[eiseres] heeft getracht zich via het inschrijfsysteem van Hanzehogeschool ('Osiris') in te schrijven voor de herkansing van dat vak op 12 juli 2017. Bij e-mail van 28 juni 2017 (18.50 uur) heeft [eiseres] aan de examencommissie van Hanzehogeschool geschreven:

"Zojuist heb ik mij willen inschrijven voor mijn herkansingen van blok 4 voor de tentamens van de opleiding FEM. Dit lijkt echter niet meer mogelijk omdat de inschrijfmogelijkheden voor de herkansing niet beschikbaar zijn. Ik heb echter geen meldingen op BlackBoard voorbij zien komen over de uiterste inschrijf datum voor deze herkansingen. Het zou ook eigenaardig zijn als ik mij voor die herkansingen had moeten inschrijven, nog voordat ik mijn tentamens van blok 4 gemaakt zou hebben. Kunt u mij zo snel mogelijk duidelijkheid hierover geven?"

2.5.

Bij e-mail van 29 juni 2017 (10.43 uur) heeft de vader van [eiseres] (na telefonisch contact met Hanzehogeschool) daaropvolgend aan de backoffice planning en organisatie (her)tentamens geschreven:

"(…) Van mevrouw [naam] begreep ik dat er een termijn voor inschrijving gehanteerd wordt van 2 weken voor aanvang van de hertentamens in verband met zaalplanning e.d. Mijn dochter was zich van deze termijn - begrijpelijkerwijze - niet bewust, nu zij de tentamens voor de betreffende vakken deze week überhaupt nog voor het eerst moest doen. Het is niet logisch om je in te schrijven voor een hertentamen als het eerste tentamen nog afgelegd moet worden - en gehaald kan worden, hetgeen voor Quantative Risk analysis nog steeds mogelijk is; voor International Finance & Economics zat zij overigens gisteren nog binnen de twee-wekentermijn.

Op grond van het bovenstaande ontvang ik graag
per omgaande
een bevestiging

dat mijn dochter zich alsnog voor de herkansingen van bovengenoemde vakken kan

inschrijven en daaraan op 10 en 12 juli kan deelnemen".

2.6.

Bij e-mail van 29 juni 2017 (11.04 uur) heeft het backoffice planning en organisatie in reactie daarop geschreven:

"De examencommissie heeft het verzoek van uw dochter in behandeling. Voor wat

betreft de praktische informatie zou ik [voornamen] willen verwijzen naar de webpagina

over het inschrijven in Osiris: (…)".

Op de betreffende webpagina staat:

"(…) Wanneer je een tentamen niet hebt gehaald of niet hebt deelgenomen hieraan,

moet je je zelf inschrijven voor de 2e of volgende tentamengelegenheid via OSIRIS Student. Dit kan tot 14 kalenderdagen voorafgaand aan het tentamen".

2.7.

Bij e-mail van 29 juni 2017 (15.35 uur) heeft mevrouw [naam 2] van de examencommissie FEM van de Hanzehogeschool aan [eiseres] geschreven:

"Je verzoekt de examencommissie of je alsnog ingeschreven kunt worden voor de

herkansingen van de vakken van periode 4. Op basis van artikel 5.2 van het

Studentenstatuut 2016-2017 dien je je tijdig in te schrijven voor deelname aan het

tentamen. Indien je dat niet doet, ben je uitgesloten van deelname aan het

tentamen. Indien je als gevolg van een situatie van overmacht niet tijdig op een

tentamen hebt kunnen inschrijven, kan de examencommissie je alsnog op de

intekenlijst van het tentamen plaatsen. Op basis van de gegevens die we hebben

ontvangen, concluderen we dat er in jouw geval geen sprake is van overmacht bij

deze te late inschrijving. Je kunt derhalve niet deelnemen aan de tentamens

waarvoor je je niet tijdig hebt ingeschreven. We adviseren je dan ook om in de

toekomst altijd goed en tijdig te controleren of je daadwerkelijk bent ingeschreven

voor de tentamens die je wilt maken".

2.8.

Bij beroepschrift van 30 juni 2017 heeft de vader van [eiseres] , namens [eiseres] , beroep ingesteld bij het College van Beroep voor Studenten (CBS) tegen de beslissing van de examencommissie van de Hanzehogeschool om zijn dochter niet toe te laten tot het afleggen van de hertentamen van het vak International Finance & Economics op 12 juli 2017. Daarbij heeft de vader van [eiseres] aan de voorzitter van het CBS bij wege van voorlopige voorziening verzocht het besluit van de examencommissie te schorsen.

2.9.

De secretaris van het CBS heeft de vader van [eiseres] op 30 juni 2017 telefonisch laten weten dat de behandeling van het verzoek tot schorsing van de beslissing van de examencommissie, alsmede het daaraan ten grondslag liggende beroepschrift, waarschijnlijk op vrijdag 7 juli 2017 zal plaatsvinden.

2.10.

Bij brief van 3 juli 2017 heeft de secretaris van het CBS aan (de advocaat van) [eiseres] bericht, voor zover van belang:

"(..), kan ik u nu reeds meedelen dat uw verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld in een openbare zitting op vrijdagmorgen 7 juli a.s. De formele uitnodiging hiervoor zal u zo spoedig mogelijk worden toegezonden".

2.11.

Per brief van 4 juli 2017 aan de advocaat van [eiseres] heeft het CBS [eiseres] uitgenodigd voor de zitting van het CBS op 7 juli 2017 om 11.00 uur voor de behandeling van het namens [eiseres] ingediende beroep.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert Hanzehogeschool per direct te gelasten om [eiseres] toe te laten tot het afleggen van het hertentamen voor het vak International Finance & Economics op 10 juli 2017 (de voorzieningenrechter begrijpt: 12 juli 2017), zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, alsmede Hanzehogeschool te veroordelen in de proceskosten. [eiseres] heeft daarbij verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op de minuut en op alle dagen en uren.

3.2.

Stichting Hanzehogeschool Groningen voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit kort geding wat [eiseres] betreft om de vraag of zij in de gelegenheid moet worden gesteld deel te nemen aan het hertententamen van het vak International Finance & Economics op 12 juli 2017. [eiseres] heeft zich voor dat hertentamen willen inschrijven, maar is daarin niet geslaagd. Volgens [eiseres] weigert de Hanzehogeschool haar voor dat hertentamen in te schrijven, omdat [eiseres] zich volgens de Hanzehogeschool niet-tijdig heeft ingeschreven. [eiseres] vindt dat de examencommissie haar in het licht van de door haar gestelde omstandigheden alsnog moet inschrijven. De examencommissie weigert dat te doen.

4.2.

[eiseres] heeft tegen die beslissing in overeenstemming met het toepasselijke Studentenstatuut, beroep ingesteld bij het College van Beroep voor Studenten (CBS) en de voorzitter verzocht om een voorlopige voorziening. Die voorlopige voorziening is nog niet gegeven, de daaraan voorafgaande mondelinge behandeling is gepland voor 7 juli a.s..

4.3.

[eiseres] heeft zich tot de voorzieningenrechter gewend, omdat er weliswaar een andere rechtsgang voor haar openstaat, die wat haar betreft ook met voldoende waarborgen is omkleed, maar die niet effectief is. Dat laatste, omdat de behandeling pas op 7 juli a.s. plaatsvindt en het volgens [eiseres] niet mogelijk is om beroep in te stellen bij een onwelgevallige beslissing op haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

4.4.

Tegen deze achtergrond staat voor de voorzieningenrechter (ambtshalve) te beoordelen of [eiseres] in haar vordering in dit kort geding kan worden ontvangen.

4.5.

Voor [eiseres] als studente van de Hanzehogeschool staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Die wet bepaalt dat een instelling voor hoger onderwijs een college van beroep voor de examens heeft (artikel 7.60 WHW). De Hanzehogeschool heeft in overeenstemming hiermee een college ingesteld. Zij heeft in haar Studentenstatuut bepaald dat het College van Beroep voor Studenten (CBS) bevoegd is kennis te nemen van geschillen die in de WHW zijn opgedragen aan (onder meer) het College van Beroep voor de Examens (artikel 11.1.1. Studentenstatuut). In het statuut is verder een bepaling neergelegd ten aanzien van de onafhankelijkheid van het CBS (artikel 11.2 Studentenstatuut). Het CBS is bevoegd te oordelen over het beroep of bezwaar dat is ingesteld tegen beslissingen, zoals die van de examencommissie over de toelating van [eiseres] tot het hertentamen (artikel 11.3.1. van het Studentenstatuut). Ook is bepaald dat de voorzitter van het CBS op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen (artikel 11.6 Studentenstatuut). Verder is in artikel 11.17b van het Studentenstatuut bepaald dat van de in dat artikel genoemde uitspraken / beslissingen beroep kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtsgang een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang betreft. In beginsel brengt dit met zich dat [eiseres] in dit kort geding in haar vorderingen niet kan worden ontvangen (vgl. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049).

4.7.

Gelet op wat [eiseres] in dit verband heeft aangevoerd, staat te beoordelen of dit anders is, omdat (i) de mondelinge behandeling van haar verzoek een voorlopige voorziening te treffen pas plaatsvindt op 7 juli a.s. en (ii) er geen beroep mogelijk is tegen een voor haar onwelgevallige beslissing op dat verzoek.

4.8.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de omstandigheid dat de mondelinge behandeling van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen niet - zoals in dit kort geding - vandaag, maar morgen plaatsvindt, onvoldoende grond geeft om aan te nemen dat de aan [eiseres] in vorenbedoeld statuut geboden rechtsbescherming niet effectief is of kan zijn.

4.9.

Zonder nadere toelichting die door [eiseres] niet is gegeven, is onvoldoende begrijpelijk waarom de omstandigheid dat geen beroep mogelijk is tegen een voor [eiseres] onwelgevallige beslissing op haar verzoek een voorlopige voorziening te treffen, met zich brengt dat er geen effectieve rechtsbescherming is. Er is geen rechtsregel die met zich brengt dat er hoe dan ook een recht bestaat op een beroep tegen een voorlopige voorziening. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat in dit concrete geval zonder de mogelijkheid van beroep er geen effectieve rechtsbescherming aan [eiseres] wordt geboden, zijn niet gesteld en de voorzieningenrechter ook overigens niet gebleken.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiseres] in haar vorderingen in dit kort geding niet kan worden ontvangen. Dit brengt met zich dat bij partijen geen belang meer bestaat bij een bespreking van wat zij aan hun vorderingen en verweer ten grondslag hebben gelegd.

4.11.

[eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hanzehogeschool worden begroot op € 618,00 aan verschotten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

1. verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Hanzehogeschool tot op heden begroot op € 618,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Huizing en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Verder lezen