ECLI:NL:RBOBR:2017:2862 Rechtbank Oost-Brabant , 24-05-2017 / 01/865150-16

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865150-16

Datum uitspraak: 24 mei 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2017 en 11 mei 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 november 2016 te Ommel (op [camping] ),
gemeente Asten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of hard voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in diens hals heeft
gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 november 2016 te Ommel (op [camping] ),
gemeente Asten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of hard voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in diens hals heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit bewezen. Op basis van de verklaring van aangever [slachtoffer] , het bij hem geconstateerde letsel, de foto van de wond, de verklaringen van de getuigen, de verklaringen van verdachte zelf en het broodmes dat is aangetroffen in het bos waar verdachte naar toe is gevlucht, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte aangever met een mes heeft gestoken. Uit de verklaring van [getuige 1] kan worden opgemaakt dat verdachte met een mes in zijn hand een bovenhandse slag uitvoerde in de richting van de nek van aangever. Gelet op deze omstandigheden was sprake van vol opzet op de dood van aangever. Dat levert een poging tot doodslag op.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangegeven dat wettig en overtuigend bewijs voor het in de hals van aangever steken dan wel snijden wel aanwezig is, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte – al dan niet voorwaardelijk – opzet had om aangever te doden. Verdachte heeft verklaard niet meer te weten wat hij uit het huis had gepakt. Dit betrof, naar later bleek, een broodmes waarvan de punt - gelet op de foto’s van dat mes - eerder bot dan scherp aandoet. Van dit mes is in beginsel onaannemelijk dat daarmee dodelijke steken kunnen worden toegebracht. Bovendien blijkt uit de verklaringen dat verdachte maar één keer heeft uitgehaald, terwijl als zijn opzet gericht was op het doden van aangever, vaker zou zijn uitgehaald.

Bewijsmiddelen
1

Proces-verbaal van aangifte van 5 november 2016 (p. 51)

Op 4 november ben ik samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de [camping] in Asten gegaan. We hadden gepland om een weekend naar de camping te gaan. Er zouden nog twee jongens slapen, genaamd [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . We sliepen in een bungalow met nummer 105. Na het feest zijn we zonder [betrokkene 4] naar de bungalow teruggegaan. Omstreeks 2.30 / 3.00 uur kwamen we daar aan. [betrokkene 4] was er nog steeds niet en die had de sleutel. Wij hadden een stevige discussie. Op enig moment zag ik dat de mannen van huisje nummer 106 naar buiten kwamen. Zij waren redelijk opgefokt. Ik hoorde dat zij schreeuwend op ons afgelopen kwamen. De oudere man liep voorop. Hij liep richting onze groep waar ook [betrokkene 4] en die vrouwen bij stonden. De jongere man liep aan de linkerzijde langs de auto waarna ik hem uit het oog ben verloren. Snel hierna voelde ik uit het niets iets raars aan de rechterzijde van mijn hals. Het was een soort van klap maar deed niet echt pijn. Meteen hierna zag en voelde ik het bloed uit mijn nek spuiten.

Proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 november 2016 (p. 228-230)

Gisteren barstte de bom. Ik was op [camping] in Asten. Er waren een paar jongens in de caravan naast ons en zij waren zo rumoerig. Er waren allemaal jongens ‘kanker’ aan het roepen. Ik heb ze een paar keer gewaarschuwd. Op een gegeven moment was ik het zat. Ik heb iets gepakt waar ik mee heb gestoken. Ik ben gaan vluchten. Ik ben onder het hek geklommen, gelijk het bos in.

Een proces-verbaal van bevindingen, van 5 november 2016, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] (p. 33)

Op zaterdag 5 november 2015 omstreeks 6.15 uur heb ik middels de inventarislijst van huisje 106 de besteklade gecontroleerd. Ik zag dat het op de inventarislijst benoemde broodmes ontbrak. Op mijn verzoek werd met een gecertificeerde speurhond menselijke geur een onderzoek ingesteld in de directe omgeving van de plaats delict. Door genoemde speurhond werd in het bosperceel gelegen achter huisje 106 een broodmes aangetroffen.

Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 6 november 2016 (p. 182-183)

Wij hadden huisje 105 aangewezen gekregen in het vakantiepark. Na het feest kwamen we aan bij het huisje. Ik zag op enig moment dat er een iets oudere dikkere man uit het raam hing van het huisje naast ons. Op enig moment kwamen er twee personen naar buiten. De dikke kale man en een persoon die ik vanaf nu de dader noem. Deze was een stuk jonger. Die mannen liepen onze richting uit. De dader zag ik achter een auto doorlopen die geparkeerd stond tussen de huisjes. Op dat moment was ik over en weer met die kale man aan het schelden. Opeens zag ik die dader staan. De dader kwam naar voren gelopen vanachter die kale man vandaan. Ik zag dat deze man gelijk op [slachtoffer] afliep. Ik zag dat deze dader iets in zijn hand had, het was half glimmend. De dader liep om [slachtoffer] heen en ik zag dat hij sloeg in de richting van de nek van [slachtoffer] . Ik zag dat de dader een bovenhandse slag uitvoerde. Hierna zag ik dat de dader gelijk wegrende achter die man van 50 langs.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 5 november 2016 (p. 157)

Ik zag in het huisje naast ons de vriend van mijn nichtje achter een geopend raam staan. Hij is genaamd [verdachte] . Ik zag vervolgens dat [verdachte] uit het geopende raam klom en verhaal kwam halen. Ik hield hem tegen. Even later kwam mijn oom weer aangelopen. Vlak hierna zag ik ook dat [verdachte] er weer was. Ik ging in gesprek met mijn oom en zag [verdachte] langs mij heen lopen richting mijn vriendengroep. Op het moment dat [verdachte] bij mijn vrienden was zag ik dat er beweging was vanuit [verdachte] richting mijn vriendengroep. [verdachte] vloog erin, nam meteen een pas terug, draaide om en ging er vervolgens vandoor.

Overig schriftelijk bescheid, betreffende een geneeskundige verklaring omtrent letsel van aangever van [chirurg] (vaatchirurg) van 8 december 2016 (p. 58)

De heer [slachtoffer] is in de nacht van 5 november 2016 door de ambulancedienst op onze SEH-afdeling gepresenteerd met een steekverwonding in de rechter hals. De overdracht van het Mobiel Medisch Team dat ter plaatse is geweest vermeldt fors uitwendig bloedverlies en tekenen van hypovolemische shock (verbloeding) met lage bloeddruk en een snelle pols. Tijdens de operatie werd gevonden dat de grote halsvaten net gemist waren en dat bloeding werd veroorzaakt door een letsel van een van de schildklierslagaders.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte in de nacht van 5 november 2016 een bovenhandse slag met een broodmes heeft gemaakt naar aangever, waarbij hij aangever in de hals heeft gestoken/gesneden. Daaraan doet niet af dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven zich niet meer te kunnen herinneren wat er is gebeurd. Verdachte heeft in zijn eerste verhoor door de politie concreet aangegeven dat hij met iets heeft gestoken en eveneens over de aanleiding daartoe.

Poging tot doodslag?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen dient te worden gekwalificeerd als poging tot doodslag. Daartoe overweegt zij als volgt.

Verdachte heeft met een bovenhandse slag met een (brood)mes in de hals van aangever gestoken/gesneden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de hals een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is, waarin zich onder meer belangrijke (slag)aderen bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat in zijn algemeenheid het steken/snijden met een dergelijk mes in de hals de aanmerkelijke kans met zich brengt dat aangever komt te overlijden. Dat dat anders zou zijn bij het broodmes omdat de punt hiervan bot zou zijn, zoals door de verdediging is aangevoerd, volgt de rechtbank niet gelet op de plek van steken en de kwetsbaarheid van de hals.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door het steken/snijden in de hals van aangever, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, op zijn minst willens en wetens de kans heeft aanvaard dat dit de dood van aangever tot gevolg zou hebben. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op dat gevolg. De bespreking van het verweer van de verdediging dat het volle opzet niet bewezen kan worden, kan derhalve achterwege blijven.

Nu sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte op de dood van aangever, dient het handelen van verdachte gekwalificeerd te worden als een poging tot doodslag.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 05 november 2016 te Ommel (op [camping] ), gemeente Asten,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes eenmaal in diens hals heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot doodslag en dat voor de poging tot zware mishandeling een gevangenisstraf van zeven maanden onvoorwaardelijk, met een voorwaardelijke periode als stok achter de deur meer dan voldoende zou zijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Zowel verdachte als aangever waren op het [camping] in Asten. Na terugkeer van een feest konden aangever en zijn vrienden het huisje niet in omdat zij op dat moment niet over een sleutel beschikten. Op een gegeven moment is er een woordenwisseling en ruzie ontstaan tussen aangever en zijn vrienden en de familie van verdachte. De rechtbank maakt uit het dossier op dat meerdere betrokkenen onder invloed van alcohol waren. Verdachte heeft op enig moment een broodmes gepakt, is uit het raam naar buiten gestapt, is richting aangever gelopen en heeft vervolgens aangever in de hals gestoken. Het had blijkens de medische verklaring niet veel gescheeld of aangever was als gevolg hiervan overleden. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Wat een feestelijk weekend had moeten zijn, is door verdachtes’ handelen voor alle betrokkenen veranderd in een heel nare gebeurtenis met een voor aangever bijna fatale afloop. Verdachte heeft door zijn gewelddadig handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Uit de slachtofferverklaring van aangever - die tennisleraar is - is de rechtbank gebleken dat aangever bang is blijvend last te ondervinden aan zijn arm, dat hij problemen heeft met slapen en loopt te piekeren over wat hem is overkomen. Aangever heeft gedacht dat zijn leven voorbij was nadat hij was gestoken. Het gewelddadig optreden van verdachte is daarnaast schokkend geweest voor de ooggetuigen, en heeft ook op de ouders en familie van aangever een diepe indruk gemaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte van 16 januari 2017 uitgebracht rapport door psycholoog K. Bertens blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. Uit de rapportage blijkt dat verdachte bekend is met een verstandelijke beperking en middelenmisbruik te weten alcohol en cocaïne. Door zijn verstandelijke beperking zijn er problemen op het gebied van met name zijn sociaal emotionele vaardigheden. Hierdoor is er weinig zelfcontrole over de emoties, waardoor impulsief gedrag zichtbaar wordt. Het middelenmisbruik wordt door verdachte gehanteerd als copingstrategie. Tijdens het ten laste gelegde heeft verdachte volgens de psycholoog zeer waarschijnlijk gehandeld in een overspannenachtige toestand. Hij ervaarde onvoldoende remming in zijn gedrag, door de verstandelijke beperking maar ook door het middelenmisbruik. De psycholoog heeft geadviseerd om de kans op recidive te verkleinen door een aantal interventies uit te voeren, zoals psycho-educatie. Er zal moeten worden ingestoken op het middelenmisbruik en er moeten nieuwe copingvaardigheden worden geleerd. Geadviseerd is behandeling en begeleiding in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

Het voorgaande overwegende komt de rechtbank tot de volgende straf. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten maakt dat een gevangenisstraf van meerdere jaren op zijn plaats is.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank koppelt daaraan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 10.257,97, bestaande uit € 4.257,97 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van benadeelde partij integraal toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering te complex is om deel uit te maken van de strafzaak. Subsidiair heeft zij het volgende aangevoerd:

-

Voor wat betreft kleding kan alleen schadevergoeding voor de onderbroek worden toegewezen. Aangever heeft een t-shirt en broek opgevoerd van Tommy Hilfiger terwijl in het dossier staat dat het t-shirt van “Anthony Morato” was en de broek merkloos. Er bevinden zich in het dossier geen foto’s van de gestelde beschadigde riem en schoenen. De riem waar een bon van in het dossier zit is pas gekocht na het incident.

-

Dat de telefoonoplader niet is teruggevonden nadat daarmee het bloeden van aangever was gestelpt, houdt geen rechtstreeks verband met de gedraging van verdachte.

-

De dagvergoeding voor ziekenhuisopname kan niet worden beschouwd als rechtstreekse schade en de eigen bijdrage voor het ziekenhuis in 2016 en 2017 was wellicht ook zonder het gebeurde al zijn opgemaakt.

-

De littekencrème komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover daarvoor bonnen zijn overgelegd en er is maar één bon overgelegd.

-

Dat er een sportabonnement is waar geen gebruik van is gemaakt voor twee maanden houdt geen rechtstreeks verband met de gedraging van verdachte.

-

Het gestelde verlies aan verdienvermogen is niet onderbouwd met een arbeidsovereenkomst. Er blijkt uit de stukken niet hoeveel meer aangever zou hebben gewerkt als het incident niet had plaatsgevonden.

-

De reiskosten betreffen geen rechtstreekse schade.

-

De immateriële schadevordering betreft een te hoog bedrag. Dit kan niet hoger uitvallen dan € 1.100,-.

Beoordeling. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden. De rechtbank acht toewijsbaar een bedrag van € 381,35 (post kleding), € 84,- (post kosten verblijf ziekenhuis), € 890,- (post eigen bijdragen ziektekosten en verzekering fysiotherapie), € 48,64 (post littekencrème, toewijsbaar voor zes tubes) en € 59,90 (post sportabonnement). Op deze punten acht de rechtbank de vordering voldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat ook deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en op grond van redelijkheid en billijkheid, toewijzen tot een bedrag van € 3000,- als een vergoeding van aannemelijk te achten immateriële schade.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade ter zake van de posten “I-phone lader” en “reiskosten ouders” is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade.

De benadeelde partij zal met betrekking tot dit deel van de vordering en het overige deel van de post “littekencrème” niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor wat betreft de vordering voor verlies verdienvermogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Door de gemotiveerde betwisting van de vordering door de verdediging, is de vordering naar het oordeel van de rechtbank op dit moment onvoldoende onderbouwd om zonder nadere bewijslevering te kunnen worden beoordeeld. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De behandeling van de vordering levert daarmee voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen.

De rechtbank acht aldus, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, een bedrag van € 4.463,89 toewijsbaar. De toegewezen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met uitzondering van de posten “littekencrème” en “ziektekostenverzekering”. Deze posten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2017, te weten de datum dat de vordering bij de rechtbank is ingekomen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016, respectievelijk 10 mei 2017 voor de eerdergenoemde posten, tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank bepaalt dat het broodmes zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde: poging tot doodslag verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

-

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en;

-

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en;

-

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

-

zich binnen drie werkdagen na zijn ontslag uit detentie meldt bij de Reclassering Leger des Heils, op het adres Zeehaenkade 30, 3526 LC Utrecht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

-

verplicht is om zich te laten behandelen voor zijn psychische klachten en middelengebruik bij een instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven. De behandeling zal moeten plaatsvinden op een plek waar men kennis en kunde heeft op het gebied van licht verstandelijk beperkten;

-

wordt verboden om cocaïne en alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole;

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

maatregel van schadevergoeding van € 4.463,89 te vervangen door 54 dagen hechtenis;

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 4.463,89, bestaande uit € 1.463,89 voor materiële schade en € 3.000 voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 54 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016, met uitzondering van de posten “littekencrème” en “ziektekostenverzekering”, deze posten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2017, tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 4.463,89, bestaande uit € 1.463,89 materiële schade en € 3.000 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016, met uitzondering van de posten “littekencrème” en “ziektekostenverzekering”, deze posten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2017, tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

Verklaart de benadeelde partij in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de overige materiële schade niet-ontvankelijk;

Wijst de vordering af voor wat betreft het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding;

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van benadeelde partij in het kader van deze vordering gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen goederen:

1. Trui Antony Morato (aangetroffen op bed chalet);

2. Broodmes (in bossen bij chalet 106/107 AAIJ4824NL);

3. Broek van verdachte;

4. Linkerschoen van verdachte (AAJB1471NL);

5. Rechterschoen van verdachte (AAHB2249NL);

6. Riem uit spijkerbroek (AAJB1472NL);

7. Vest met capuchon (AAJB1470NL).

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. A.C. Palmboom, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,

en is uitgesproken op 24 mei 2017.

Voetnoten

1
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, genummerd PL2016185230.