ECLI:NL:RBOBR:2017:3334 Rechtbank Oost-Brabant , 22-06-2017 / 17_995

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/995

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2017 in de zaak tussen


[eiseres] ., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.M. Swagers),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. T.P.A.W. Hanenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres ten aanzien van W.H.W. Smits (de werknemer) met 52 weken verlengd tot 19 januari 2018.

Tegen dit besluit is zowel door eiseres als door de werknemer bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van zowel eiseres als de werknemer ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiseres en verweerder hebben zich beide laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 29 maart 2017 aan verweerder doorgegeven dat zij de tekortkoming(en) in haar re-integratieplichten ten aanzien van de werknemer heeft hersteld. Bij besluit van

3 april 2017 heeft verweerder vastgesteld dat de tekortkoming niet is hersteld.

Eiseres heeft ter zitting heeft laten weten dat zij begrijpt dat het besluit van 3 april 2017 geen besluit is in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. Het beroep heeft dus niet mede betrekking op het besluit van 3 april 2017 en dit besluit valt buiten de grenzen van het geding.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De werknemer is bij eiseres in dienst sinds 20 augustus 2012, laatstelijk als technisch medewerker, knipschaarmachinist voor

40 uur per week. Op 23 januari 2015 is de werknemer uitgevallen voor deze werkzaamheden als gevolg van een bedrijfsongeval. In verband met het bereiken van het einde van de zogenoemde wachttijd heeft de werknemer op 18 oktober 2016 bij verweerder een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

3. Bij brief van 28 september 2016 heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van het feit dat de werknemer binnenkort een WIA-uitkering kan aanvragen en aangegeven wat eiseres moet doen. Daarbij is informatie gegeven over het re-integratieverslag. Onder meer is aangegeven dat eiseres de documenten van het re-integratieverslag binnen drie dagen na de WIA-aanvraag van de werknemer digitaal bij verweerder moet aanleveren. Bij brief van 24 oktober 2016 heeft verweerder eiseres laten weten dat het re-integratieverslag nog niet compleet is. Uiterlijk 31 oktober 2016 dient eiseres de nog ontbrekende formulieren digitaal aan te leveren, te weten de (eerstejaars)evaluatie, de eindevaluatie, het actueel oordeel van de bedrijfsarts of arbodienst en de medische informatie.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres, zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben, geen volledig re-integratieverslag heeft aangeleverd. Het feit dat de werknemer niet wilde meewerken aan het opstellen van het re-integratieverslag, levert geen deugdelijke grond op voor het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen als genoemd in artikel 25 van de Wet WIA.

5. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht een zogenoemde administratieve loonsanctie heeft opgelegd.

6. Niet betwist is dat eiseres niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 31 oktober 2016, aan haar (administratieve) re-integratieverplichtingen heeft voldaan door de gevraagde stukken, te weten de (eerstejaars)evaluatie, de eindevaluatie, het actueel oordeel van de bedrijfsarts of arbodienst en de medische informatie, bij verweerder aan te leveren. De vraag die dan beantwoord moet worden, is, of eiseres een verontschuldiging heeft voor haar nalatigheid (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4566).

7. Eiseres voert aan dat verweerder in het geheel niet heeft getoetst of de feiten en omstandigheden die zij heeft aangevoerd, een verontschuldiging opleveren voor het ontbreken van bepaalde documenten in het re-integratieverslag. Er is daarom sprake van een gebrekkige besluitvorming en motivering.

8. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het feit dat de werknemer niet wilde meewerken aan het opstellen van het re-integratieverslag, geen deugdelijke grond oplevert voor het niet nakomen door eiseres van haar re-integratieverplichtingen. De informatieverplichting bestaat onverminderd in het geval dat de werknemer niet wenst mee te werken aan het opstellen van het re-integratieverslag, aldus verweerder in het bestreden besluit. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:845). Verweerder heeft dus wel degelijk de door eiseres aangevoerde verontschuldiging voor haar nalatigheid meegewogen in zijn besluitvorming en de betreffende motivering in het bestreden besluit vermeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk was om een volledig re-integratieverslag aan te leveren, vanwege de weigering van de werknemer om aan zijn re-integratie mee te werken. Omdat de werknemer zich op 18 januari 2016 niet gemeld heeft om aangepast werk te verrichten, heeft eiseres zich genoodzaakt gezien per die datum een loonstop toe te passen.

10. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zij wijst in dit verband op de al genoemde uitspraak van de CRvB van 18 maart 2015. Daarin heeft de CRvB overwogen dat de ratio van de verplichting van een werkgever om de re-integratie-inspanningen schriftelijk vast te leggen en vervolgens deze stukken tijdig aan verweerder aan te leveren, erin is gelegen dat verweerder pas dan kan beoordelen of de re-integratie-inspanningen, gelet op de mogelijkheden van de werknemer, voldoende zijn geweest. Deze informatieverplichting bestaat onverminderd in het geval dat de werknemer niet wenst mee te werken aan het opstellen van het re-integratieverslag, aldus de CRvB. Wat door eiseres is aangevoerd, namelijk dat de werknemer geweigerd heeft mee te werken aan zijn re-integratie, vormt dus geen verontschuldiging voor eiseres om geen volledig re-integratieverslag bij verweerder in te dienen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.S. Klerk, voorzitter, en mr. L. Soeteman en

mr. E.L. Benetreu, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.