ECLI:NL:RBOBR:2017:3366 Rechtbank Oost-Brabant , 22-06-2017 / 17_970

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/970

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2017 in de zaak tussen


[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. T.P.A.W. Hanenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres arbeidsvermogen heeft en dat haar uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van

1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

Bij besluit van 24 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door M. Vlemmings (arbeidsdeskundige). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres, geboren op 2 juli 1987, ontvangt met ingang van 2 juli 2005 een Wajong-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de Wajong, zoals die is gewijzigd per 1 januari 2015 met de invoering van de Participatiewet, is het arbeidsvermogen van eiseres beoordeeld. Deze beoordeling heeft geleid tot het primaire besluit.

2. Bij bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres arbeidsvermogen heeft, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

3. Eiseres voert aan dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Zij kan niet gedurende een uur aaneengesloten werken en is niet voor vier uur per dag belastbaar. Eiseres heeft forse pijn- en vermoeidheidsklachten. Er sprake van energetische beperkingen, zoals blijkt uit het dagverhaal. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de rug- en bekkenklachten van eiseres. Vanwege deze klachten moet eiseres kunnen vertreden. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de huidziekte hidradenitis suppurativa. Eiseres heeft last van abcessen, waardoor zij telkens voor langere periodes klachten ervaart. Verder heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de incontinentieklachten en de migraineklachten. Volgens eiseres is de haar voorgehouden taak (scannen post) niet passend. Zij beschikt niet over basale werknemersvaardigheden. Eiseres is zwakbegaafd en zij heeft cognitieve beperkingen en gedragsproblemen. Gezien eerdere beoordelingen is eiseres aangewezen op werk in een beschermde omgeving, waarbij intensieve begeleiding aanwezig is. Bovendien is voor de taak scannen niveau 2 vereist, terwijl zij slechts over opleidingsniveau 1 beschikt.

4. Het wettelijk kader luidt als volgt.

Ingevolge artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong, zoals deze wet luidt met ingang van

1. januari 2015, stelt verweerder vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.

In artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt.

In artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet is bepaald dat in artikel 3:8, eerste lid, ‘75%’ wordt vervangen door: 70%. Artikel III, onder N, van de Invoeringswet Participatiewet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

Ingevolge artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt in afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. In het derde lid is bepaald dat de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, geacht wordt op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot participatie te hebben.

In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit) is bepaald dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong heeft indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

5. Voor de beoordeling of eiseres aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet, maakt verweerder gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Bij deze beoordeling staat de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ centraal. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid.

6. De rechtbank is niet gebleken van redenen om de SMBA-systematiek in beginsel niet rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of iemand mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong. De rechtbank overweegt in dit verband dat, gelet op de systematiek en inhoud van de Wajong-regelgeving, het Uwv bij de vaststelling van iemands mogelijkheden tot arbeidsparticipatie enige beoordelingsruimte niet kan worden ontzegd.

7. De rechtbank acht verweerders onderzoek voldoende zorgvuldig. Daarbij acht zij van belang dat de verzekeringsarts een anamnese heeft afgenomen en een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij de huisarts, de neuroloog en de orthopedisch chirurg. De ontvangen informatie van neuroloog drs. P.P.A. Lenssen, van 25 mei 2016, en orthopedisch chirurg drs. H. Lacroix, van 6 juni 2016, is door de verzekeringsarts meegewogen. In bezwaar heeft de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) het dossier bestudeerd en informatie ingewonnen bij de behandelend dermatoloog. De verkregen informatie van dr. H.H. van der Zee, van 30 januari 2017, heeft zij kenbaar bij haar heroverweging betrokken. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen hun oordeel hebben gebaseerd op onvolledige medische informatie.

8. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat haar beroepsgrond, dat verweerder haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord, zo moet worden begrepen dat zij het onzorgvuldig vindt dat in de bezwaarprocedure geen nieuw lichamelijk en/of psychisch onderzoek door een verzekeringsarts B&B heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de verzekeringsarts B&B eiseres niet heeft onderzocht, niet betekent dat het medisch onderzoek onzorgvuldig moet worden geacht. Het is aan de verzekeringsarts B&B om te beoordelen of een (nader) lichamelijk en/of psychisch onderzoek noodzakelijk is. De verzekeringsarts B&B heeft in haar rapportage van 9 februari 2017 aangegeven dat sprake is van een goed gedocumenteerd dossier, zodat een hoorzitting in aanwezigheid van de verzekeringsarts B&B niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank leidt hieruit af dat de verzekeringsarts B&B geen aanleiding heeft gezien om eiseres (nader) te onderzoeken en de rechtbank ziet geen grond om aan deze conclusie te twijfelen.

9. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de rapporten van de verzekeringsartsen inconsistenties bevatten of onvoldoende zijn gemotiveerd.

10. Ten aanzien van de vraag of het voor eiseres niet mogelijk is ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn en ten minste een uur per dag aaneengesloten te werken, overweegt de rechtbank als volgt.

11. De verzekeringsarts B&B heeft in haar rapport van 9 februari 2017 aangegeven dat bij psychisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychische stoornis. Wel is de indruk ontstaan dat eiseres een laag tot benedengemiddeld intelligentieniveau heeft. Deze bevindingen hebben de verzekeringsarts B&B geen aanleiding gegeven om te veronderstellen dat eiseres niet ten minste een uur per dag aaneengesloten kan werken en minimaal vier uur per dag belastbaar is. De rechtbank heeft geen reden om aan dit standpunt te twijfelen. De omstandigheid dat bij een eerdere beoordeling in 2005 is geconcludeerd dat eiseres functioneert op zwakbegaafd niveau en dat mogelijk sprake zou zijn van ‘beginnende borderline’, betekent niet dat verweerder bij de huidige beoordeling moet uitgaan van de destijds aangenomen beperkingen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de conclusie dat eiseres zwakbegaafd zou zijn, niet is gebaseerd op medische onderzoeksgegevens, maar (enkel) op de eigen bevindingen van de verzekeringsarts tijdens het spreekuur. Anders dan de verzekeringsarts in 2005, heeft de verzekeringsarts B&B geen aanleiding gezien om uit te gaan van zwakbegaafdheid. De rechtbank ziet geen reden deze conclusie voor onjuist te houden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres (ook nu) geen medische stukken heeft overgelegd die haar stelling, dat sprake is van zwakbegaafdheid, onderbouwen. Ook voor de overige door haar geclaimde persoonlijke en sociale beperkingen, heeft eiseres geen medische gegevens ingebracht ter onderbouwing daarvan.

12. Met betrekking tot de door eiseres geclaimde forse pijn- en vermoeidheidsklachten overweegt de rechtbank als volgt. De verzekeringsarts B&B is ermee bekend dat bij eiseres sprake is van rugklachten, pijnklachten in het linkerbeen en hidradenitis suppurativa (recidiverende huidontstekingen) en zij heeft voldoende inzichtelijk in kaart gebracht welke (te objectiveren) beperkingen hieruit voortvloeien. Verweerder heeft vastgesteld dat vanwege de rugklachten van eiseres (om preventieve redenen) rekening moet worden gehouden met niet te zware belasting van de rug. De verzekeringsarts B&B heeft op inzichtelijke wijze toegelicht dat in verband met de rugklachten geen medische indicatie bestaat voor een urenbeperking. Ook de recidiverende huidontstekingen, hoewel deze pijnlijk zijn, leiden volgens de verzekeringsarts B&B niet tot verminderd basaal energetisch vermogen. De verzekeringsarts B&B heeft begrijpelijk geacht dat eiseres pijn- en vermoeidheidsklachten heeft indien sprake is van een groot abces, maar heeft erop gewezen dat deze situatie niet voortdurend aan de orde is en na een behandeling ook weer verbetert. Eiseres is daarmee in staat een uur aaneengesloten met een taak bezig te zijn en zij is vier uur per dag belastbaar. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van deze conclusies van de verzekeringsarts B&B te twijfelen. Daarbij acht zij van belang dat door eiseres geen nieuwe medische informatie naar voren is gebracht die haar stellingen kunnen onderbouwen.

13. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, met inachtneming van haar beperkingen, in staat geacht kan worden om ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn en ten minste een uur per dag aaneengesloten te werken.

14. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank verder op inzichtelijke en afdoende wijze onderbouwd dat eiseres met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie. De arbeidsdeskundige B&B acht eiseres met de bij haar bestaande beperkingen in staat de taak scannen (taak 1502) te verrichten. Het gaat om fysiek licht, rugsparend werk met kortdurende opeenvolgende deelhandelingen. De werkzaamheden worden voornamelijk zittend uitgevoerd, waarbij de medewerker de mogelijkheid heeft om tussentijds te vertreden.

15. De rechtbank ziet in hetgeen door eiseres is aangevoerd, geen reden eiseres voor deze taak niet geschikt te achten. Daarbij verwijst de rechtbank naar het rapport van de arbeidsdeskundige B&B van 23 februari 2017, waarin deze heeft benadrukt dat bij deze taak geen sprake is van langdurig staan, veelvuldig vooroverbuigen of tillen van zware voorwerpen.

De stelling van eiseres dat deze taak niet geschikt is, omdat zij niet voldoet aan het vereiste niveau 2 ten aanzien van zelfstandigheid en probleem oplossen, slaagt niet. De arbeidsdeskundige B&B heeft afdoende toegelicht dat eiseres, die de basisschool heeft afgerond en enkele jaren een VMBO-opleiding (geen diploma) heeft gevolgd, in staat moet worden geacht om aan de niveau 2-eis voor zelfstandigheid en probleem oplossen te voldoen. Weliswaar is bij een eerdere beoordeling in 2005 door de arbeidsdeskundige het opleidingsniveau bepaald op 1, maar dit was gebaseerd op een eenvoudige rekentest waaruit bleek dat eiseres niet over het rekenkundig niveau voor eind basisschool beschikte. In de taak scannen wordt volgens de arbeidsdeskundige B&B geen beroep gedaan op de rekenvaardigheid van een medewerker op niveau 2. De rechtbank ziet geen aanleiding deze conclusies van de arbeidsdeskundige B&B voor onjuist te houden.

16. Met betrekking tot de vraag of iemand over basale werknemersvaardigheden beschikt, heeft verweerder beleid geformuleerd dat is neergelegd in het Compendium Participatiewet. Gelet op dit beleid wordt onder basale werknemersvaardigheden verstaan: het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van de werkgever en het nakomen van afspraken.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres niet beschikt over deze vaardigheden. De arbeidsdeskundige B&B heeft aangegeven dat eiseres werknemersvaardigheden heeft, omdat zij ook in staat was een VMBO-opleiding te volgen. Dat zij deze opleiding niet heeft afgerond met een diploma, doet daaraan niet af. De primaire arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat de algemene intelligentie die nodig is voor het volgen van een VMBO-opleiding maakt dat begrijpen, onthouden, uitvoeren van instructies en nakomen van regels en afspraken geen problemen moet opleveren. Daarbij heeft de primaire arbeidsdeskundige aangegeven dat de wijze van instrueren dient te worden aangepast aan de ontwikkelingsmogelijkheden van eiseres. Ook het soort werk dient daarmee in overeenstemming te zijn. Het betreft volgens de arbeidsdeskundige bijvoorbeeld enkelvoudige taken die leerbaar zijn door voordoen en nadoen. De arbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat, indien met het voorgaande rekening wordt gehouden, eiseres over basale werknemersvaardigheden beschikt. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding om dit standpunt voor onjuist te houden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 9 juni 2016 (terecht) heeft geconcludeerd dat bij eiseres geen sprake is van een gedragsmatige beperking waardoor zij niet in staat zou zijn om in een arbeidsorganisatie te werken.

18. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ten tijde in geding beschikt over arbeidsvermogen, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en

mr. E.L. Benetreu, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.