ECLI:NL:RBOBR:2017:3528 Rechtbank Oost-Brabant , 29-06-2017 / 01/865002-15

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865002-15

Datum uitspraak: 29 juni 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1976] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 januari 2017 en 15 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 december 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 januari 2015 te 's-Hertogenbosch

een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk C.Z., type 7.65 mm) en/of

munitie van categorie III, te weten een aantal (28) kogelpatronen (kaliber 7.65mm) en/of

een wapen van categorie II, te weten een rookgranaat,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.
1

Inleiding.

Naar aanleiding van een onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van verdachte bij internationale wapenhandel heeft de rechter-commissaris met de politie op 7 januari 2015 onderzoek gedaan in de woning van verdachte aan [adres] te

‘s-Hertogenbosch.2 Gedurende dit onderzoek is in de keuken van de woning een wit rieten mandje bovenop een keukenkastje aangetroffen met daarin een blauw gekleurde plastic tas met opdruk Albert Heijn met daarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en kogelpatronen.3 Onderzoek heeft uitgewezen dat het een pistool, merk C.Z., model 70, kaliber 7.65 mm / .32 ACP, betreft. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.

In het magazijn van het pistool zaten acht kogelpatronen en in de plastic tas zaten nog eens 20 losse kogelpatronen.4

Deze acht kogelpatronen zijn onderzocht en blijken kogelpatronen, kaliber 7.65 mm, centraalvuur, model rondneus, merk Winchester Western te zijn. Deze kogelpatronen zijn geschikt om met voornoemd pistool te worden verschoten. Deze acht kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

De bij de doorzoeking aangetroffen 20 kogelpatronen zijn ook onderzocht en blijken 20 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm, centraalvuur, model rondneus, Sellier & Bellot te zijn. Deze munitie is geschikt om met voornoemd pistool te worden verschoten. Deze 20 kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Daarnaast is er in de woning ook vuurwerk, vermoedelijk een rookbom, in beslag genomen.5 Uit onderzoek is gebleken dat het een zogenaamde wired pull smoke grenade betreft. Dit is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II onder 6, van de Wet wapens en munitie.6

De plastic Albert Heijn tas, waarin het pistool en de munitie tijdens de huiszoeking zijn aangetroffen, is onderzocht. Het betreft goednummer PL2100-2014138239-732353, SIN: AAGQ8919NL.

Er is dactyloscopisch onderzoek verricht. Op de gebruikte plastic zakken werden enkel dactyloscopische fragmenten gevonden, die zijn onderzocht door de deskundige dactyloscopie. Het onderzoek vermeldt als kenmerk aanvrager: 2014138239. In het onderzoek is vastgesteld dat er een zeer grote mate van overeenkomst is tussen deze dactyloscolopische sporen en de vingerafdrukken van verdachte en onverklaarbare verschillen zijn er niet. De kans op deze mate van overeenkomst bij een willekeurig ander persoon is dan ook verwaarloosbaar klein.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft de wapens en munitie opzettelijk voorhanden gehad.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet dat in zijn woning een pistool, munitie en een rookgranaat lag. Het zou kunnen dat hij de plastic Albert Heijn tas ooit in zijn handen heeft gehad en dat een ander het pistool en de munitie in deze tas heeft gedaan en dat die ander deze tas met inhoud op het keukenkastje heeft gelegd. Verdachte stelt verder dat de keuken normaliter het domein van zijn partner [getuige] is. De raadsman is derhalve van mening dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde goederen opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank.

De ten laste gelegde wapens en munitie zijn bij de doorzoeking van de woning van verdachte in de woning van verdachte aangetroffen. Verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn woning. Verdachte is van mening dat hij deze voorwerpen niet opzettelijk voorhanden heeft gehad.

De verbalisanten van de politie hebben de partner van verdachte, mevrouw [getuige] , als getuige gehoord en hebben haar gevraagd of zij iets wist van het zogenaamde vuurwerk, de mogelijke rookbom die in de lade van de wandtafel in de woonkamer lag. Zij geeft aan dat zij daar niets van wist. Zij wist ook niets van het pistool en de munitie in de blauwe plastic Albert Heijn tas in het mandje op het rechter keukenkastje. Ze verklaart dan ook dat ze niet weet wie dat vuurwapen op dat kastje heeft neergelegd, maar dat zij dat in ieder geval niet heeft gedaan. [getuige] verklaart dat de politie maar aan verdachte moet vragen wie dit pistool daar heeft neergelegd.7

Verdachte heeft zich desgevraagd bij zijn verhoor bij de politie steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 15 juni 2017, bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, heeft verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van de in zijn woning aangetroffen wapens en munitie en dat mogelijk een ander de wapens en munitie in de woning heeft gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de bewoner in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de goederen die zich in zijn woning bevinden. Dat is geen onweerlegbaar uitgangspunt (vandaar de toevoeging "in beginsel"). De rechtbank is van oordeel dat vanwege dit vermoeden van verdachte, bij het aantreffen van de wapens en de munitie in zijn woning, welke woning hij op het moment van het aantreffen ook daadwerkelijk bewoont en waarin hij dan ook verblijft, een redelijke verklaring mag worden gevergd.De verdachte heeft zich in dit geval steevast beroepen op zijn zwijgrecht en is pas ter zitting van 15 juni 2017 met de verklaring gekomen dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de in zijn woning aangetroffen wapens en munitie en dat wellicht een ander de wapens en de munitie in zijn woning heeft neergelegd. De wapens en munitie zijn echter op verschillende plaatsen, die typisch behoren tot het privédomein van de bewoner, aangetroffen. Het pistool en de munitie zijn aangetroffen in een plastic Albert Heijn tas in een wit mandje op het rechter keukenkastje in de woning van verdachte. Het witte mandje, dat op een keukenkastje stond, was goed te zien en tevens is goed te zien dat daar een blauwe plastic tas in lag (de rechtbank verwijst naar de foto op pagina 1408 van het dossier). Het kan niet anders dan dat verdachte wist dat de witte mand met daarin de blauwe plastic tas in de keuken op het keukenkastje lag. Dit geldt ook voor de rookbom. De rookbom is immers aangetroffen in een lade van de wandkast in de woonkamer van de woning van verdachte.

Deze feiten en omstandigheden doen veronderstellen dat een eventueel alternatief scenario, waarin zonder wetenschap van de verdachte een ander de wapens en munitie in de door hem bewoonde woning heeft geplaatst, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven. De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen is als hierna te melden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 7 januari 2015 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk C.Z., type 7.65 mm) en munitie van categorie III, te weten 28 kogelpatronen (kaliber

7.65mm) en een wapen van categorie II, te weten een rookgranaat, voorhanden heeft gehad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman is van mening dat verdachte in het geval van een bewezenverklaring een gevangenisstraf kan worden opgelegd van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool, bijbehorende kogelpatronen en een rookgranaat.

Het onbevoegd voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen en bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Hetzelfde geldt voor de rookgranaat die verdachte onbevoegd voorhanden had.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging in aanmerking dat sinds het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte na het strafbare feit op 19 oktober 2015 onherroepelijk is veroordeeld door de politierechter. Verdachte is toen voor een mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf en deze schrijven als vertrekpunt voor het bezit van een vuurwapen van categorie III onder 1 een gevangenisstraf van 3 maanden voor.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Bij verdachte zijn naast het vuurwapen bijbehorende munitie en een rookbom aangetroffen, zodat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen passend acht.

De rechtbank zal van deze gevangenisstraf een deel, te weten 78 dagen, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal dus een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde en de overige omstandigheden van de zaak voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 63.

Wet wapens en munitie art. 26, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

Gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht, waarvan 78 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J.A. Donkersloot, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 29 juni 2017.

mr. J.J.A. Donkersloot is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, ‘Onderzoek Tefnut’, met proces-verbaalnummer 20150611.1000.9156, afgesloten d.d. 20 januari 2016, bestaande uit 8 ordners.
2
Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 1260 en p. 1261.
3
Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , p. 1265 t/m p. 1269 en kleurenfoto p. 1408.
4
Kennisgeving van inbeslagneming, p. 1262 en p. 1263.
5
Kennisgeving van inbeslagneming, p. 1262 en p. 1263.
6
Proces-verbaal onderzoek wapen van [verbalisant 2] p. 1270 t/m p. 1276.
7
Proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 12 januari 2015, p. 2003 en p. 2004.