ECLI:NL:RBOBR:2017:3709 Rechtbank Oost-Brabant , 12-07-2017 / 01/865078-16

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865078-16

Datum uitspraak: 12 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 mei 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 22 juni 2016 te [plaats] , [gemeente] , (in (een) stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 2] te [plaats] , [gemeente] ) en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- (een) stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 2] te [plaats] , [gemeente] , ter beschikking gesteld en/of

- een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder zwavelzuur en/of zoutzuur en/of formamide en/of mierenzuur en caustic soda en/of BMK en/of BMK-glycidezuur en/of APAA en/of amfetamine en BMK in methanol en/of

- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad, waaronder een of meerdere: ketel(s) en/of gasbrander(s) en/of gasflessen en/of koeler(s) en/of pomp(en) en/of

- een hoeveelheid laboratoriummaterialen voorhanden gehad, waaronder een of meerdere jerrycan(s)/vat(en) en/of maatbeker(s) en/of elektrische verwarmingsdeken(s) en/of lekbak(ken) en/of trechter(s) en/of veiligheidsmasker(s) en/of handschoen(en).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 22 juni 2016 werd een omvangrijk laboratorium voor de vervaardiging van synthetische drugs aangetroffen in varkensstallen van verdachte op het adres [adres 2] te [plaats] . Naar aanleiding van deze vondst werden meerdere onderzoeken ingesteld, waaruit (onder anderen) verdachte naar voren kwam als zijnde betrokken bij dit laboratorium.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich, samengevat, op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen. Mocht de rechtbank hier anders over denken dan verzoekt de verdediging haar in de gelegenheid te stellen de getuigen [getuigen] nader te bevragen over hetgeen zij verklaard hebben ten aanzien van hetgeen hen kennelijk is opgevallen rondom het pand [adres 2] , de kennelijke ontmoetingen tussen verdachte en derden en het in de ogen van sommige getuigen opvallende (zenuwachtige/nerveuze) gedrag van verdachte ter plaatse.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de gehele uitwerking daarvan. Deze is als bijlage gevoegd bij dit vonnis.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank komt op grond van de volgende overwegingen tot de conclusie dat verdachte met zijn handelen de bereiding van amfetamine door anderen heeft voorbereid en/of bevorderd.

Op 22 juni 2016 is in varkensstallen op het adres [adres 2] te [plaats] een groot laboratorium aangetroffen waar meerdere productieprocessen van op lijst I van de Opiumwet vermelde stoffen hebben plaatsgevonden.

Verdachte is tot 23 juni 2016 eigenaar van dit perceel geweest. Op 23 juni 2016 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij in een van de stallen ‘die tonnen’ een paar maanden geleden voor het eerst had zien liggen en dat hij zich daar niet mee wilde bemoeien. Hij wilde het niet opzoeken. Op 2 augustus 2016 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij eerder in de gang van stal B wel een stuk of acht witte en blauwe tonnen had zien staan. Hij zag toen een aantal kleine doorzichtige kannen en een stuk of 8 blauwe tonnetjes, circa 75-80 cm. groot.

Hieruit blijkt dat verdachte in ieder geval al geruime tijd voor 22 juni 2016 op de hoogte was van het feit dat er in zijn stallen een aantal kannen en tonnen waren ondergebracht die niet van hem waren.

Uit de verklaring van [getuige] van 22 juli 2016 inhoudende dat zij op 22 juni 2016 verdachte hoorde zeggen: “Ze hadden beloofd dat ze het voor de 23e weg zouden halen”, kan verder worden afgeleid dat verdachte er van op de hoogte was wie de spullen in zijn stallen had ondergebracht en dat er een afspraak was gemaakt voor welke datum deze spullen uit zijn stallen zouden worden gehaald, namelijk voor de dag van de executieverkoop van het perceel.

Het is inmiddels een feit van algemene bekendheid dat in leegstaande loodsen en stallen op het platteland met grote regelmaat MDMA- en amfetaminelaboratoria worden ingericht. Ook verdachte moet hiervan op de hoogte zijn geweest. Vanaf het moment dat verdachte in zijn stallen onbekende vaten en ander materiaal aantrof en hij dit al dan niet stilzwijgend accepteerde, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er in zijn stallen een drugslab werd ingericht. Voor het bewijs van opzet in voorwaardelijke zin is dit voldoende.

De beantwoording van de vraag of verdachte de stallen op verzoek ter beschikking heeft gesteld of dat hij ervoor heeft gekozen te doen alsof zijn neus bloedde, is voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit niet van doorslaggevend belang. Verdachte heeft hoe dan ook anderen de gelegenheid verschaft in zijn stallen een laboratorium voor synthetische drugs in te richten. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid grondstoffen, laboratoriummaterialen en onderdelen van een productie-opstelling voor de productie van stoffen voor de productie van amfetamine zijn daarbij een logisch gegeven. Dat verdachte de aangetroffen materialen juridisch gezien voorhanden heeft gehad volgt uit de omstandigheden dat hij de eigenaar is van de stallen en een deel van het materiaal buiten de kennelijk door anderen afgesloten gedeelten van zijn stallen is aangetroffen. Verdachte kon dit deel van zijn stallen vrij betreden. Van de goederen die achter de drie gesloten staldeuren zijn aangetroffen neemt de rechtbank aan dat verdachte hierover geen beschikkingsmacht heeft gehad. Van het voorhanden hebben van deze goederen zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

Periode.

Gelet op de verklaring van makelaar [getuige] dat zij op 16 maart 2016 nog in de betreffende varkensstallen is geweest en toen geen laboratorium heeft aangetroffen gaat de rechtbank er van uit dat het laboratorium eerst na 16 maart 2016 in de varkensstallen is ondergebracht.

Medeplegen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Meer dan een faciliterende rol van verdachte kan niet worden vastgesteld en niet is gebleken dat hij deze rol met betrokkenheid van anderen heeft vervuld.

Conclusie.

Op grond van de inhoud van de bijgevoegde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder de bewezenverklaring nader zal worden aangegeven.

In het geval de rechtbank niet tot een vrijspraak zou komen heeft de verdediging verzocht haar in de gelegenheid te stellen de getuigen [getuigen] nader te bevragen over hetgeen zij hebben verklaard.

De rechtbank wijst dat verzoek af. Het horen van deze personen is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk voor enig in deze zaak te nemen beslissing.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

in de periode van 16 maart 2016 tot en met 22 juni 2016 te [plaats] , [gemeente] , (in (een) stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 2] te [plaats] , [gemeente] ) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te

vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten

hebbende hij, verdachte,

- stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 2] te [plaats] , [gemeente] , ter beschikking gesteld en

- een grote hoeveelheid jerrycans en vaten en (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder zoutzuur en formamide en mierenzuur en

- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad, waaronder een of meerdere: ketel(s) en/of gasbrander(s) en

- een hoeveelheid laboratoriummaterialen voorhanden gehad, waaronder een of meerdere jerrycan(s)/vat(en) en lekbak(ken) en trechter(s).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.)

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen dan heeft de verdediging verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden.

Verdachte is first offender op het gebied van de Opiumwet. Er behoort een partiële vrijspraak te volgens voor de tenlastegelegde pleegperiode. Verder is er geen bewijs voor het bestanddeel tezamen en in vereniging.

Sinds zijn ontslag uit voorarrest heeft verdachte zijn leven weer op de rit. Hij was een kleine vis in het geheel. Hij is niet in het laboratorium actief geweest, althans dat blijkt uit niets.

Verdachte heft zijn lesje geleerd. Verzocht wordt om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die hij in voorarrest heeft moeten doorbrengen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft stalruimten/bedrijfsruimten beschikbaar gesteld voor het inrichten van een omvangrijk laboratorium voor de productie van synthetische drugs. Dit gedrag is zeer laakbaar. Met zijn handelen faciliteert hij namelijk de drugsproducenten. Verdachte houdt daarmee de productie van synthetische drugs in stand. De (chemische processen bij de) productie van synthetisch drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich. Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs. Het is tot slot ook een feit van algemene bekendheid dat de productie van en handel in synthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden die daarmee grote winsten maken en hun belangen in deze handel en productie beschermen met geweld en bedreiging met geweld.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat uit een uittreksel justitiële documentatie van 29 mei 2017 blijkt dat hij niet eerder ter zake overtreding van de Opiumwet met justitie in aanraking is geweest.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat niet bewezen kan worden dat verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd tezamen en in vereniging met een of meer anderen en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank merkt verder op dat de officier van justitie al een partiële vrijspraak van de tenlastegelegde pleegperiode heeft gevorderd en hier bij de strafeis al rekening mee heeft gehouden.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft moeten doorbrengen.

De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is een te geringe straf.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 63,

Opiumwet art. 2, 10, 10a.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

om een feit bedoeld in artikel 10 vierde lid van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. A.W.A. Kap-Knippels en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 12 juli 2017.