ECLI:NL:RBOVE:2017:2192 Rechtbank Overijssel , 29-05-2017 / AK_17_1062

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1062

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in het geschil tussen

MVA Hellinga Holding B.V., te Steenwijk, verzoekster,

gemachtigde: [naam]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder,

gemachtigde: mr. F. de Groot.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster gelast de in strijd met artikel 2.1, eerste lid, sub e onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in gebruik zijnde houtshredderinstallatie aan de [adres] te Steenwijk vóór 26 april 2017 om 12.00 uur buiten gebruik te stellen en die installatie buiten gebruik te houden, tot de daartoe benodigde omgevingsvergunningen zijn verleend. Zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan waarop niet aan die last wordt voldaan, zulks tot een maximum van € 10.000,00.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 18 mei 2017 heeft verzoekster de gronden van het verzoek nader aangevuld en heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 19 mei 2017 heeft verzoekster de gronden van het verzoek nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2017. Verzoekster is verschenen in persoon van haar directeur, [naam] bijgestaan door haar gemachtigde [naam]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.D. Klaren, M. Betzema, J. Vriesema en mr. F. de Groot.

Overwegingen

1. Art. 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, dat de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

2. Verzoekster exploiteert aan de [adres] te Steenwijk een inrichting waarvoor op 15 maart 2005 door Gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: GS) aan Van Bentum Recycling Centrale BV een vergunning is verleend voor onder meer het opslaan en verwerken van puin, waarbij gebruikt wordt gemaakt van een puinbreker. Deze vergunning is na een daartoe door de rechtsvoorgangster van verzoekster, Grond- en Baggerspecifiek BV, gedane aanvraag op 16 september 2008 middels een veranderingsvergunning gewijzigd. De vergunning is thans verleend voor:

- op- en overslag van steenachtige bedrijfsafvalstoffen, waaronder bouw- en sloopafval;

- be- en verwerking van steenachtige bedrijfsafvalstoffen, waaronder bouw- en

sloopafval middels een (puin)breekinstallatie;

- op- en overslag van primaire en secundaire grondstoffen waaronder begrepen A-B

hout;

- laden en lossen van schepen.

Sedert, in ieder geval september 2016, wordt het perceel mede gebruikt door Houtdrogerij Friesland BV die het perceel gebruikt voor de op- en overslag van hout en tevens voor de verwerking van hout middels een houtshredderinstallatie.

Naar aanleiding van klachten van omwonenden heeft verweerder, onder meer bij een controle op 20 december 2016 geconstateerd dat op het perceel een houtshredderinstallatie in werking was. Hierop heeft verweerder verzoekster bij brief van 22 december 2016 een ambtelijke waarschuwing gestuurd wegens het handelen in strijd met de verleende omgevingsvergunning. Daarbij is aangegeven dat de shredderinstallatie vóór 22 februari 2017 diende te worden stilgelegd en dat het eiser vrij staat om middels een conceptaanvraag, dan wel een milieuneutrale melding te onderzoeken of alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruik van de houtshredderinstallatie. Tevens is daarbij gewezen op de noodzaak om een en ander door een akoestisch onderzoek met betrekking tot de shredderinstallatie te onderbouwen.

Nadat ook bij controles op 7 en 8 februari 2017 is gebleken dat op het perceel een houtshredderinstallatie in werking was, heeft verweerder verzoekster bij brief van 20 februari 2017 in kennis gesteld van het voornemen haar een last onder dwangsom op te leggen, omdat die activiteit geen onderdeel van de vigerende omgevingsvergunning uitmaakt. Daarbij is aangegeven dat verzoekster de geconstateerde overtreding vóór 30 maart 2017 dient te beëindigen en beëindigd te houden, dan wel een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning kan indienen. Tevens is verzoekster in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen.

Verzoekster heeft op 10 maart 2017 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale vergunningsaanvraag voor het shredderen van afvalhout ingediend.

Bij schrijven van 31 maart 2017 heeft verweerder verzoekster bericht dat de aanvraag onvolledig is en verzocht om, uiterlijk op 28 april 2017, alsnog een akoestisch rapport in te zenden dat is gericht op het beoogde gelijktijdig gebruik van de houtshredderinstallatie, shovel en mobiele kraan. Voor verweerder staat niet vast dat sprake is van een milieuneutrale verandering.

Bij e-mail van 14 en 25 april 2017 heeft verzoekster hierop gereageerd door aan te geven dat men onder andere gebruik maakt van een houtshredder van het type Doppstad 3060, en een geluidrapport van een houtshredder van dat type in te dienen.

Nadat bij een tweetal controles op 20 en 21 april 2017 wederom is geconstateerd dat op het perceel één van de twee aanwezige houtshredderinstallaties in werking was, heeft verweerder bij besluit van 24 april 2017 de hiervoor onder procesverloop genoemde last onder dwangsom opgelegd. Daarbij is aangegeven dat verzoekster niet over de op grond van artikel 2.1, onder e en 2.1 onder c van de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vereiste omgevingsvergunningen beschikt, er geen zicht op legalisatie is en handhavend optreden niet zodanig onevenredig is, dat van handhaving moet worden afgezien.

Verzoekster heeft op 4 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3. Verzoekster kan zich niet met dit besluit verenigen en stelt dat:

- zij tijdig, vóór de in het voornemen genoemde datum van 30 maart 2017, een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend en er vanuit mocht gaan dat die aanvraag ontvankelijk was omdat verweerder eerst ná afloop van die periode om aanvullende gegevens heeft verzocht, welke zij verzoekster vervolgens 14 april 2017 heeft aangeleverd;

- eerst in het bestreden besluit is aangegeven dat het gebruik van de houtshredderinstallatie in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is zonder dit nader te onderbouwen en dat zij hierdoor op dat punt ook geen zienswijze heeft kunnen indienen;

- er geen sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik aangezien het feitelijk vergunde gebruik reeds in de milieucategorie 4.2 moest worden ingedeeld;

- sprake is van een activiteit die past binnen het bestemmingsplan, hetzij als categorie 3.2 activiteit, hetzij als “bestaand legaal gebruik”

- tevens stelt verzoekster dat de begunstigingstermijn te kort is.

- ten slotte heeft verzoekster gesteld dat niet duidelijk is of de teamleider toezicht en

handhaving, afdeling inwoners en ondernemers, de heer R. Wouterson, bevoegd is het

bestreden besluit te nemen.

Ten aanzien van het spoedeisende belang stelt verzoeker dat het dwangsombesluit grote gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering, bedrijfslogistiek en daarmee ook grote bedrijfseconomische gevolgen voor haar en voor Houtdrogerij Friesland (HDF) die de shredderactiviteiten binnen de inrichting feitelijk uitvoert. Verzoekster stelt daarom een groot spoedeisend belang te hebben omdat zij zowel voor de acceptatie van inkomend hout als voor de levering van geshredderd hout contractuele verplichtingen heeft aangegaan met externe partijen.

4.1

Bevoegdheid dwangsombesluit.

Voor zover verzoekster in haar aanvullende gronden de bevoegdheid van de heer Wouterson in twijfel heeft getrokken, stelt de voorzieningenrechter vast dat dit geen doel treft, omdat dat dit, zo dit al het geval zou zijn, in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld.

4.2

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter overweegt vooreerst dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster in haar verzoek te kunnen ontvangen. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij verzoekster in beginsel een spoedeisend belang ligt gezien de gestelde, door verweerder niet bestreden, (bedrijfseconomische) belangen.

5.1

Last onder dwangsom.

Aan de last onder dwangsom ligt ten grondslag dat verweerder van mening is dat het gebruik van de houtshredderinstallatie een activiteit als bedoeld in milieucategorie 4.2 betreft welke niet valt binnen de op grond van de bestemming maximaal toegestane milieucategorie 3.2. Om die reden had verzoekster tevens een aanvraag moeten indienen voor het gebruik in strijd met de bestemming.

Voorts ontbrak een akoestisch rapport waarin werd aangetoond dat sprake is van een milieuneutrale verandering. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er na het verstrijken van de begunstigingstermijn van het voornemen, op 31 maart 2017, geen volledige aanvraag was en dus geen zicht op legalisatie en dat zij het algemeen belang bij handhaving zwaarder kon laten wegen dan het bedrijfsbelang van verzoekster.

5.2

Strijd met het bestemmingsplan.

Niet in geschil is dat het dat de vergunde activiteit, gelet op het gebruik van een puinbreekinstallatie, een activiteit als bedoeld in milieucategorie 4.2 betreft.

Evenmin is in geschil dat bij de vaststelling van de beheersverordening “Bedrijventerrein” op 18 juni 2013 en de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied” op 28 januari 2014 er bewust voor is gekozen om de feitelijke situatie te bestemmen. Volgens verweerder betrof het daadwerkelijke gebruik slechts op- en overslag en is feitelijk nooit gebruik gemaakt van de vergunde mogelijkheid om een puinbreker te gebruiken. Om die reden is bij het vaststellen van het bestemmingsplan “Buitengebied”, ondanks een door verzoekster ingediende zienswijze, op de onderhavige locatie de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2” opgenomen. Hoewel verzoekster stelt dat onjuist is dat er nooit een puinbreker is gebruikt, heeft hij dit niet met nadere stukken onderbouwd en evenmin aanleiding gezien tegen die categoriewijziging in beroep te gaan, waardoor dit rechtens onaantastbaar is geworden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was verzoekster dus op de hoogte van het gegeven dat thans nog slechts een milieucategorie 3.2 was toegestaan en kon verweerder daar ook vanuit gaan.

Hoewel verzoekster aangeeft dat een houtshredder niet wordt genoemd in de Handreiking van de VNG en bestrijdt dat het gebruik van een houtshredderinstallatie in milieucategorie 4.2 dient te worden ingediend, acht de voorzieningenrechter het alleszins aanvaardbaar dat verweerder het gebruik van de houtshredderinstallatie wat de milieucategorie betreft vergelijkbaar acht met het gebruik van een puinbreekinstallatie. Daarbij neemt de voorzieningenrechter onder meer in aanmerking dat verzoekster in haar aanvraag ook voorstelt de houtshredder onder dezelfde voorschriften te willen gaan gebruiken.

Ook daaruit volgt een beeld dat het gebruik van de houtshredderinstallatie in ieder geval in een zwaardere milieucategorie valt dan de op grond van het bestemmingsplan toegestane milieucategorie 3.2.

Voor zover verzoekster heeft gesteld dat sprake is van een activiteit die past binnen het bestemmingsplan, hetzij als categorie 3.2 activiteit, hetzij als “bestaand legaal gebruik”, acht de voorzieningenrechter dit onvoldoende onderbouwd.

Het gebruik is dus in strijd met het bestemmingsplan en daarom, op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), verboden.

Reeds hierom had verzoekster tevens een aanvraag voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” moeten indienen en was verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd handhavend op te treden.

Verzoeksters stelling stelt dat zij, gelet op het uitblijven van een reactie van verweerder, er vanuit mocht gaan dat zij met het inzenden van het geluidrapport een volledige en dus ontvankelijk aanvraag had ingediend, volgt de voorzieningenrechter niet.

Verzoekster heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om alvorens de houtshredder in gebruik te nemen te onderzoeken in hoeverre die wijziging van activiteiten in overeenstemming is met onder meer het bestemmingsplan. Dit geldt temeer nu zij op de hoogte is van de wijziging van de op het perceel toegestane milieucategorie.

5.3

Milieuneutrale wijziging.

Ook verzoeksters stelling dat de activiteiten passen binnen de verleende milieuvergunning kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Voor zover de aanvraag om een milieuvergunning zou moeten worden aangemerkt als een milieuneutrale stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat dat moet worden aangetoond door een op de beoogde situatie toegespitst akoestisch rapport. Het door verzoekster ingediende geluidsrapport met betrekking tot de houtshredderinstallatie is een algemeen rapport uit 2010 en ziet niet expliciet op deze situatie.

Nu de aanvraag ook op dit punt onvolledig is, was er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie. Ook hierom was verweerder in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.

5.4

Belangenafweging

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in beginsel gebruik dient te maken van de bevoegdheid om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden.

Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van beide situaties is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Nu er geen volledige aanvraag te beoordeling voor ligt is er immers geen concreet zicht op legalisatie. De enkele omstandigheid dat de vergunde activiteiten wel in milieucategorie 4.2 kunnen worden ondergebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verzoekster heeft immers berust in de wijziging van de milieucategorie en ook overigens niet aangetoond dat zij ter plekke op enig moment wel een puinbreker heeft gebruikt.

Ook in het gestelde en niet nader onderbouwde bedrijfseconomische belang ziet de voorziengenrechter voorshands geen aanleiding om te oordelen dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in deze concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.5

Begunstigingstermijn

Ten aanzien van de begunstigingstermijn is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze weliswaar kort is, maar dat verweerder er terecht op wijst dat verzoekster reeds vanaf december 2016 meermaals is gewezen op het gegeven dat zij in overtreding was en er weinig voor nodig is om aan de last te voldoen.

6.. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.