Naar de inhoud

ECLI:NL:RBOVE:2017:2208 Rechtbank Overijssel , 30-05-2017 / 08/770279-16 (P)

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770279-16 (P)

Datum vonnis: 30 mei 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 mei 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Stikkelbroeck en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. İ. Mercanoğlu, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte een minderjarige aan het wettig gezag dan wel het bevoegd opzicht heeft onttrokken.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

zij op of omstreeks 14 december 2016 in de gemeente Hengelo (O), althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk (een) minderjarige, te weten [dochter] , geboren op

[2015] ,

heeft/hebben onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag

of aan het toezicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde

minderjarige(n) uitoefende,

(te weten het gezag en/of de ondertoezichtstelling dat/die haar pleegouders hebben

en/of uitoefenen),

immers heeft verdachte en/of haar mededader(s) toen aldaar die [dochter]

meegenomen vanaf de plek waar het/een bezoek onder begeleiding van

Jeugdbescherming Gelderland plaatsvond, te weten: [pleegzorginstelling]

(en aldus voornoemde minderjarige zodanig feitelijk buiten het bereik en/of de

invloedssfeer van die haar pleegouder(s) gebracht en/of gehouden, dat de uitoefening

van het gezag door die pleegouder(s) onmogelijk was geworden),

zulks terwijl voornoemde minderjarige (telkens) beneden de twaalf jaren oud

was/waren;

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 15 december 2016 heeft [jeugdbeschermer] , jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Gelderland en gezinsvoogd van [dochter] (hierna: de minderjarige), aangifte gedaan wegens onttrekking aan het bevoegd opzicht van de minderjarige door haar ouders. De minderjarige is tijdens de zwangerschap van haar moeder reeds onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Gelderland en na haar geboorte uit huis geplaatst in een pleeggezin. Op 19 september 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel de ondertoezichtstelling van de minderjarige en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot respectievelijk 19 september 2017 en 26 maart 2017. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland is in een eerder stadium een zorg-omgangsregeling vastgesteld. Op

14 december 2016 was onder toezicht van de gezinsvoogd een contactmoment tussen de ouders en de minderjarige bij [pleegzorginstelling] te Hengelo (O). Het gesprek dreigde uit de hand te lopen, waarna de minderjarige en haar ouders ter afkoeling naar buiten zijn gegaan. Vervolgens hebben de moeder en de minderjarige het terrein van [pleegzorginstelling] verlaten.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verdachte, kort en zakelijk weergegeven, geen opzet had op het onttrekken van de minderjarige aan het bevoegd opzicht.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij met haar echtgenoot [medeverdachte] op 14 december 2016 hun minderjarige dochter heeft meegenomen uit de [pleegzorginstelling] te Hengelo (O).

Opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het onttrekken van de minderjarige aan het bevoegd opzicht, daar zij uit impulsiviteit en onvrede over de zorg- c.q. omgangsregeling heeft gehandeld. Bovendien heeft de gezinsvoogd niet geprotesteerd tegen het verlaten van het terrein door de verdachte en de minderjarige.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging.

Het opzet – waaronder eveneens is begrepen het voorwaardelijke opzet – dient gericht te zijn op de omstandigheid dat het een minderjarige betreft en het bevoegd zijn van het opzicht. Blijkens de aangifte van de gezinsvoogd is de minderjarige bij beschikking van de rechtbank Gelderland onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Gelderland. De rechtbank acht het evident dat de verdachte op de hoogte was van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte en haar medeverdachte de minderjarige opzettelijk aan het bevoegd opzicht hebben onttrokken. De omstandigheid dat de gezinsvoogd niet heeft geprotesteerd tegen het verlaten van het terrein door de verdachte en haar medeverdachte met de minderjarige, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 14 december 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk de minderjarige [dochter] , geboren op [2015] , heeft onttrokken aan het toezicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, immers hebben verdachte en haar mededader toen aldaar die [dochter] meegenomen vanaf de plek waar een bezoek onder begeleiding van Jeugdbescherming Gelderland plaatsvond, te weten:

[pleegzorginstelling] , zulks terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf

jaren oud was.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair, ingeval van bewezenverklaring, de rechtbank verzocht om de verdachte een werkstraf op te leggen conform de strafeis van de officier van justitie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het onttrekken van hun [dochter] aan het over haar bevoegde opzicht. [dochter] was ten tijde van het plegen van dit misdrijf slechts een jaar oud. Door zo te handelen heeft de verdachte het voor Jeugdbescherming Gelderland onmogelijk gemaakt haar taak als instelling belast met bevoegd opzicht uit te voeren. Tevens heeft de verdachte daarmee gehandeld in strijd met het belang van haar dochter. [dochter] is reeds voor haar geboorte onder toezicht gesteld en vlak na de geboorte uithuisgeplaatst. De kinderrechter heeft drie maanden voordat het misdrijf plaatsvond in een beschikking overwogen dat het gelet op de veilige en stabiel basis noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing van [dochter] in het huidige pleeggezin wordt gecontinueerd, omdat [dochter] daar op haar plek is. Nu de verdachte [dochter] heeft onttrokken aan het bevoegd opzicht, geeft zij er blijk van dat zij zich kennelijk niets aantrekt van hetgeen de kinderrechter heeft overwogen, alsmede van hetgeen in het belang is van haar dochter. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Bij de beslissing zal de rechtbank rekening houden met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict.

De rechtbank ziet gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de voorgeschiedenis die daaraan ten grondslag ligt, aanleiding om naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, bedoeld als waarschuwing voor de verdachte om haar dochter niet nogmaals aan het bevoegd opzicht te onttrekken.

Alles afwegende, acht de rechtbank de straf zoals geëist door de officier van justitie passend.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

-

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

-

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid van het feit

-

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

-

verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;

strafbaarheid van de verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

-

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren;

-

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

-

beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

-

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

-

bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

-

kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van drie jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

-

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. L.T. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer 2016608356. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 mei 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

Op 14 december 2016 hebben [medeverdachte] en ik [dochter] meegenomen. (…) Wij zijn gewoon weggegaan. (…) [medeverdachte] , [dochter] en ik zijn vervolgens bij oma en een vriend langsgegaan.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte van

15 december 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina 37-38.

Op 14 december 2016 hadden [medeverdachte] en ik een afspraak om [dochter] te ontmoeten bij [pleegzorginstelling] in Hengelo (O). Op een gegeven moment hebben we [dochter] opgepakt en zijn we weggegaan. [medeverdachte] , [dochter] en ik zijn naar het station gelopen. [medeverdachte] is nog teruggelopen naar [pleegzorginstelling] . Wij zijn door een vriend van [medeverdachte] naar de oma van [medeverdachte] in Deventer gebracht. Daarna zijn we nog bij een vriend geweest. [medeverdachte] , [dochter] en ik zijn de hele tijd bij elkaar geweest.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van

15 december 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van [gezinsvoogd] , doorgenummerde pagina 7-8.

Ik ben gezinsvoogd van [dochter] . Haar ouders zijn [medeverdachte] en [verdachte] . Tijdens de zwangerschap is het ongeboren kind van [verdachte] reeds onder toezicht van Jeugdbescherming Gelderland gesteld. Direct na de geboorte is [dochter] in een pleeggezin geplaatst. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland is een zorg- c.q. omgangsregeling vastgesteld en zijn de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd. Deze beschikking is op 19 september 2016 door de rechtbank Overijssel herzien. Op 14 december 2016 zou een anderhalf uur durend bezoek van de ouders aan [dochter] plaatsvinden bij [pleegzorginstelling] te Hengelo (O). Tijdens dit gesprek dreigde de situatie uit de hand te lopen. Vervolgens zijn moeder, vader en [dochter] naar buitengegaan om af te koelen. Na een tijdje kwam [medeverdachte] terug zonder [verdachte] en [dochter] .

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte van

19 december 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van medeverdachte

[medeverdachte] , doorgenummerde pagina 37-38.

Ik sluit me aan bij de verklaring van mijn vrouw [verdachte] .

De rechtbank veroordeelt een 28-jarige vrouw uit Deventer tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 40 uur. Zij heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het weghalen van hun 1-jarige dochter bij een pleegzorginstelling. De dochter was voor haar geboorte onder toezicht gesteld en vlak na de geboorte uithuisgeplaatst.

Gegevens

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak30-05-2017
Datum publicatie30-05-2017
ECLIECLI:NL:RBOVE:2017:2208
Zaaknummer08/770279-16 (P)
Bijzondere kenmerkenEerste aanleg - meervoudig
RechtsgebiedStraf(proces)recht