ECLI:NL:RBOVE:2017:2557 Rechtbank Overijssel , 22-06-2017 / Awb 17/129

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 17/129

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen


[eiser]

wonende te [woonplaats] , eiser,

en

het hoofd van de afdeling Financiën van de eenheid Advies & Faciliteiten van de gemeente Zwolle, verweerder,

gemachtigde: M. Boer-Beulakker.17/129

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser op 19 september 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting, opgelegd. Op 24 oktober 2016 heeft verweerder aan eiser het verzoek gedaan de naheffingsaanslag van € 61,00 te voldoen vóór 21 november 2016.

Eiser heeft bij brief van 7 november 2016 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 november 2016 heeft verweerder eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en ambtshalve het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen bij brief van 6 januari 2017 bezwaar gemaakt.

Op 30 januari 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 juni 2017 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten

2 De feiten

Op 19 september 2016 heeft eiser zijn auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [naam straat] te Zwolle. De parkeercontroleur van de gemeente Zwolle heeft op deze dag om 17:51 uur geconstateerd dat de auto van eiser geparkeerd stond op een parkeerplaats waarbij parkeerbelasting voldaan dient te worden voldaan door middel van het kopen van een kaartje bij de parkeerautomaat dan wel door middel van belparkeren. Er is geen naheffingsaanslag parkeerbelastingen op de daarvoor gebruikelijke plaats achter de ruitenwisser aangebracht. Bovendien heeft de parkeercontroleur aan eiser geen naheffingsaanslag uit kunnen reiken, omdat eiser weg reed. Op 24 oktober 2016 heeft verweerder aan eiser het verzoek gedaan de naheffingsaanslag van € 61,00 te voldoen vóór 21 november 2016. Eiser heeft bij brief van 7 november 2016 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag, waarna besluitvorming heeft plaatsgevonden zoals beschreven in de vorige rubriek.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is de vraag of verweerder de naheffingsaanslag terecht aan eiser heeft opgelegd.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zijn bezwaar ruimschoots op tijd heeft ingediend. Verder is verweerder in het geheel niet ingegaan op zijn argument dat hij het voorstel van de verbalisant om € 0,50 te betalen heeft willen opvolgen door middel van het gebruik van Yellowbrick. Yellowbrick heeft bevestigd dat hun faciliteit door de gemeente Zwolle is aanvaard en dat het niet aan de verbalisant is om te bepalen hoe parkeerkosten worden bepaald.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift alsnog op het standpunt gesteld dat het beroep voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn bezwaar gegrond is ter achten, doch dat de aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot vermindering van de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelastingen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de uitspraak op het bezwaar te vernietigen met het in stand laten van de rechtsgevolgen.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn van zes weken na oplegging van de naheffingsaanslag is ingediend. Eiser heeft evenwel gesteld dat hij de naheffingsaanslag niet op de voorruit heeft aangetroffen en de parkeercontroleur geen naheffingsaanslag aan eiser heeft kunnen uit reiken, omdat hij wegreed. Het verzoek tot betaling van de parkeerbelasting met dagtekening 24 oktober 2016 is dan ook het eerste moment waarop eiser met de naheffingsaanslag parkeerbelastingen bekend is geraakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en heeft verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daarom kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Het beroep is dan ook reeds om die reden gegrond.

3. Indien de heffingsambtenaar de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de heffingsambtenaar op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet. Uit de omstandigheid dat zowel eiser in het beroepschrift als ter zitting en verweerder in het verweerschrift uitgebreid inhoudelijk op de zaak zijn ingegaan, maakt de rechtbank op dat partijen een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter voorstaan. De rechtbank ziet in dit geval daarom aanleiding om van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb af te wijken en zal de zaak inhoudelijk behandelen.

4.1.

Niet in geschil is dat eiser voor het parkeren van het voertuig op de onderhavige plaats op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd was. Ingevolge artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, wordt als het op aangifte voldoen van parkeerbelasting uitsluitend aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

Vast staat dat de parkeercontroleur geen geldig parkeerbewijs op de daartoe bestemde plaats achter de voorruit heeft aangetroffen. Daarnaast is de parkeercontroleur gebleken dat het voertuig van eiser niet digitaal was aangemeld. Hieruit volgt dat op het moment van uit-schrijven van de naheffingsaanslag eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelastingen.

Eiser heeft aangevoerd dat hij gebruik wenste te maken van de door de parkeercontroleur geboden gelegenheid alsnog aan de aangifteverplichting te voldoen middels het betalen van

€ 0,50 via Yellowbrick. De parkeercontroleur heeft dit niet toegestaan.

De rechtbank is van oordeel dat bij de constatering van het feit dat niet aan de aangifteplicht is voldaan, de parkeercontroleur niet verplicht is om de parkeerder alsnog in de gelegenheid te stellen om aan de aangifteverplichting te voldoen. Indien de parkeercontroleur er aanleiding toe ziet om in een specifiek geval de parkeerder alsnog de mogelijkheid te geven om aan de aangifteverplichting te voldoen, acht de rechtbank het alleszins redelijk dat de parkeercontroleur daar voorwaarden aan stelt, zoals in dit geval het kopen van een kaartje bij de parkeerautomaat. In dat geval is direct zichtbaar dat € 0,50 is betaald. Bij gebruikmaking van belparkeren is het voor de parkeercontroleur niet direct zichtbaar en bovendien is een aanmelding direct weer ongedaan te maken. Ter zitting heeft eiser dit laatste bevestigd.

Nu eiser geen gehoor heeft gegeven aan genoemde voorwaarde is de rechtbank van oordeel dat de parkeercontroleur op goede gronden de naheffingsaanslag heeft opgelegd, omdat eiser niet voldaan heeft aan de aangifteplicht parkeerbelastingen.

4.2.

Naar aanleiding van het beroepschrift wenst de rechtbank nog op te merken dat het niet aan eiser is om het antwoord op de vraag of hij wel of niet een parkeerbonnetje haalt af te laten hangen van de tijd die hij nodig meent te hebben voor het doen van een boodschap of het voeren van een gesprek. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat de parkeercontroleur onredelijk zou hebben gehandeld door het opstellen van een naheffingsaanslag parkeerbelastingen op het moment dat de overtreding was geconstateerd. De rechtbank is van oordeel dat het weigeren van eiser gebruik te maken van de door de parkeercontroleur geboden gelegenheid alsnog te voldoen aan de aangifteverplichting, gelet op alle feiten en omstandigheden, in dit geval voor zien eigen rekening en risico dient te blijven. Ter zitting heeft eiser verder verklaard dat de kern van zijn beroep is gelegen in de irritatie die de parkeercontroleur bij hem heeft veroorzaakt door zijn beschuldiging dat eiser een poging tot oplichting zou willen doen. De rechtbank kan zich in dit verband enkel baseren op de verklaringen van eiser en de parkeercontroleur en is van oordeel dat in casu meer waarde dient te worden gehecht aan de ambtsedig door de parkeercontroleur afgelegde verklaring dan aan de verklaringen van eiser. De rechtbank acht het aannemelijk dat de stroeve communicatie met name is ontstaan door de opstelling van eiser erop neerkomend dat hij van oordeel was dat er vanwege zijn korte bezoek aan een winkel in het geheel geen verplichting voor hem bestond aangifte te doen.

5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, maar blijft de naheffingsaanslag in stand.

Proceskosten

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu dergelijke kosten noch zijn gesteld of zijn gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.