ECLI:NL:RBOVE:2017:2625 Rechtbank Overijssel , 28-06-2017 / C/08/200697 / KG ZA 17-120

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/200697 / KG ZA 17-120

Vonnis in kort geding van 28 juni 2017

in de zaak van


[eiser]
,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W.J. Lenstra te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,

mede kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met producties

-

de producties 13 tot en met 18 aan de zijde van [eiser]

-

de mondelinge behandeling

-

de pleitnota van [eiser]

-

de pleitnota van De Ontvanger

-

de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een schikking.

1.2.

Vervolgens heeft de Ontvanger verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] staat bij de fiscus bekend als handelaar in vennootschappen. Bij onderzoek heeft een controlemedewerker van de fiscus op de privé- en zakelijke bankafschriften van [eiser] over de jaren 2011 tot en met september 2015 stortingen aangetroffen vanuit enkele vennootschappen waarin hij een (on)middellijk belang heeft (gehad) en vanuit een stichting waarvan hij bestuurder was. In de jaren 2011 tot en met 2014 heeft [eiser] nihil inkomen uit de vennootschappen aangegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting, terwijl hij volgens de Ontvanger per vennootschap een gebruikelijk loon van € 41.000,- tot € 44.000,- had moeten opnemen. Ook heeft hij geen onttrekkingen aan de stichting vermeld. De Ontvanger houdt er rekening mee dat er mogelijk sprake was van meer inkomen, bijvoorbeeld door contante onttrekkingen door [eiser] uit de vennootschappen en de stichting. Omdat [eiser] een gebruikelijk loon en de onttrekkingen uit de stichting had moeten vermelden in zijn aangiften, is de Inspecteur voornemens aan [eiser] navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013, een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2014 en een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2015 op te leggen. Dit zal rekening houdend met een belastingtarief van 52%, leiden tot een totaalbedrag van circa € 350.000,- inclusief vergrijpboeten (correcties van in totaal

€ 461.512,-; 52% inkomstenbelasting over deze correcties = € 239.986,-, vermeerderd met 50% vergrijpboeten van € 119.993,- over de jaren 2011 tot en met 2014 en exclusief heffingsrente en invorderingsgarantie. Gelet hierop heeft de Ontvanger zijn vordering op [eiser] , inclusief invorderingsrente en kosten, voorlopig op € 462.000,- begroot.

2.2.

Op 11 februari 2016 en op 16 februari 2016 heeft de Ontvanger onder verwijzing naar het door de Inspecteur verrichtte onderzoek en zijn voornemen om navorderingsaanslagen inkomstenbelasting aan [eiser] op te leggen, aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om haar verlof te verlenen om ten laste van [eiser] conservatoir (derden)beslag te leggen onder een vijftal banken (Triodos Bank N.V., SNS Bank N.V. en ASN Bank N.V., KNAB en BinckBank N.V. en op (on)roerende zaken.

2.3.

De verzoeken zijn door de voorzieningenrechter toegewezen, met begroting van de vordering van de Ontvanger op [eiser] op € 462.000,- inclusief invorderingsrente en kosten.

2.4.

Op 18 februari 2016 heeft de Ontvanger conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen van [eiser] , zijn aandeel in het woonhuis aan de [adres] te [plaats] , de inventaris en zijn auto.

2.5.

Op 18 april 2016 heeft [eiser] bij de Ontvanger een verzoek tot gedeeltelijke opheffing van de conservatoire beslagen ingediend. Bij brief van 2 mei 2016 heeft de Ontvanger [eiser] meegedeeld dat aan zijn verzoek niet tegemoet gekomen kan worden. De navorderingsaanslagen die door de Inspecteur zijn opgelegd zijn daarvoor voor de Ontvanger mede van belang. Ook het feit dat de Inspecteur nog niet alle aanslagen heeft vastgesteld, speelt een rol. Omdat [eiser] normaal gebruik kan blijven maken van zijn woning, auto en de inventaris, blijft ook het daarop rustende beslag van kracht, zo deelt de Ontvanger [eiser] mee.

2.6.

Op 2 mei 2016 heeft de Inspecteur aan [eiser] laten weten navorderingsaanslagen premies zorgverzekering over de jaren 2011 – 2016 op te leggen op basis van de volgende daartoe vastgestelde inkomsten:

2011: € 33.427,-

2012: € 50.064,-

2013: € 50.853,-

2014: € 5.414,-

2015: € 30.425,-

2016: €52.763,-.

Als [eiser] het niet eens is met deze (navorderings)aanslagen, dan kan hij een bezwaarschrift indienen binnen de op de aanslagbiljetten genoemde termijn.

2.7.

Bij brief van 8 maart 2017 heeft [eiser] zowel de Ontvanger als de Inspecteur een verzocht om de conservatoire beslagen gedeeltelijk op te heffen. Aan zijn verzoek legt hij ten grondslag dat beslag is gelegd voor € 317.948,-, terwijl - nadat de vergrijpboetes door de Belastingdienst op nihil zijn gesteld - het herberekende totaalbedrag aan aanslagen ib/ph € 186.097,- bedraagt. [eiser] verzoekt dan ook het beslag op de bankrekeningen op te heffen voor zover het de vordering overschrijdt.

[eiser] berekent de door de Belastingdienst uitgebrachte aanslagen als volgt:

IB Zvw

2011 € 52.114,- € 2.170,-

2012 € 45.016,- € 2.789,-

2013 € 46.718,- € 3.108,-

2014 € 33.002,- € 1.180,-

Totaal 176.805,- € 9.247,-

2.8.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 22 maart 2017 heeft de Belastingdienst uitspraak op bezwaar gedaan en Rijnbeek meegedeeld dat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekering over de jaren 2011 tot en met 2014 zijn verminderd, en wel in:

2011 met € 22.699,- terwijl de eerder vastgestelde navordering € 74.813,- bedroeg,

2012 met € 20.309,- terwijl de eerder vastgestelde navordering € 65.325,- bedroeg,

2013 met € 21.702,- terwijl de eerder vastgestelde navordering € 68.410,- bedroeg,

2014 met € 15.572,- terwijl de eerder vastgestelde navordering € 48.574,- bedroeg.

2.9.

In reactie op het verzoek 8 maart 2017 heeft de Ontvanger [eiser] bij brief van

23 maart 2017 laten weten dat zij op dat moment geen aanleiding heeft om de hoogte van het gelegde beslag aan te passen aan de op dat moment openstaande belastingschulden.

2.10.

[eiser] heeft zich naar eigen zeggen genoodzaakt gezien dit kort geding te entameren.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - de opheffing van het gelegde conservatoire beslag op de SNS-bankrekening [xxxx] , op de woning en op de roerende zaken (auto en huisraad) en de Ontvanger te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] dat het bedrag waarvoor beslag is gelegd de totale waarde van de belastingschuld fors overschrijdt, te meer daar de Belastingdienst bij vier uitspraken op bezwaar de eerdere aanslagen over de jaren 2011 tot en met 2014 substantieel heeft verlaagd. Hieruit volgt dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het inroepen van het beslag is gebleken, wat ingevolge artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) redenen zijn voor de opheffing van de conservatoire beslagen. [eiser] merkt nog op dat er voor de jaren 2015 en 2016 geen schulden aan de ontvanger open staan. Het beslag op de SNS-rekening dient derhalve volgens [eiser] geen in redelijkheid te respecteren belang, terwijl hij als natuurlijk persoon en ondernemer door het beslag op deze betaalrekening ernstig in zijn sociaal-maatschappelijke verkeer wordt belemmerd. [eiser] stelt dat automatische incasso’s niet meer worden afgeschreven en dat hij geen transacties meer kan doen. Ook het beslag op de woning, de inventaris en de auto dient volgens [eiser] geen in redelijkheid te respecteren belang en is zelfs vexatoir. [eiser] moet regelmatig naar het academisch ziekenhuis in Groningen en hij heeft daarvoor een auto nodig. Met betrekking tot de woning is het beslag gelegd op [eisers] ondeelbare aandeel in de woning, die mede aan zijn echtgenote in eigendom toebehoort. Er bestaat volgens [eiser] geen vrees voor verduistering met betrekking tot dit onroerend goed, zodat - nog los van de omstandigheid dat de beslagen op de Triodos- en KNAB rekeningen al voldoende zekerheid bieden - het beslag reeds hierom onredelijk is. Ter zitting heeft [eiser] nog betoogd dat de Ontvanger niet ontvankelijk is in zijn verweer, nu deze als overheidsinstelling heeft verzaakt met hem als belastingplichtige in overleg te treden, terwijl hij dat wel steeds tevergeefs heeft geprobeerd. Ook heeft [eiser] gesteld dat alle beslagen nietig zijn, aangezien zij zijn gelegd op basis van onbevoegd opgelegde aanslagen, die een strafrechtelijk doel hebben, namelijk het afromen van criminele winsten van [eiser] . [eiser] wijst erop dat hij enkel verdacht is en dat de gelden bovendien aantoonbaar afkomstig zijn uit de nalatenschap van zijn moeder.

3.3.

De Ontvanger voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het door [eiser] gestelde spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde.

4.2.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient een conservatoir beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

Voor zover [eiser] aan zijn stelling dat de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd ondeugdelijk zijn, ten grondslag legt dat de vordering is gebaseerd op onbevoegd opgelegde aanslagen, gaat [eiser] eraan voorbij dat dit argument niet in de onderhavige procedure tegen de Ontvanger aan de orde kan komen, maar aan de orde gesteld dient te worden in een procedure tegen (de inspecteur van) de belastingdienst, die de aanslagen, waarop de vordering is gebaseerd, vaststelt. De Ontvanger heeft enkel de taak om de vorderingen die voortvloeien uit de door de inspecteur vastgestelde aanslagen te innen. Reeds hierom passeert de voorzieningenrechter deze en daarmee samenhangende stellingen van [eiser] .

4.4.

[eiser] stelt dat het bedrag waarvoor conservatoir beslag is gelegd de totale waarde van de belastingschuld fors overschrijdt. Uit het verhandelde ter zitting en uit de gedingstukken leidt de voorzieningenrechter af dat de Ontvanger dit erkent. Immers, ter zitting heeft de Ontvanger zich - onder verwijzing naar een door haar opgesteld overzicht van door [eiser] onbetaald gelaten aanslagen - op het standpunt gesteld dat de openstaande schuld op dat moment € 236.500,- bedroeg, terwijl de de onder banken gelegde derdenbeslagen volgens de Ontvanger, die zich daarbij beroept op verklaringen van de banken, doel hebben getroffen voor in totaal € 320.067,72. Desondanks doen zich in de visie van de Ontvanger geen gronden voor die nopen tot opheffing van de conservatoire beslagen. De Ontvanger wijst er in dat kader op dat er naast de conservatoire beslagen ook executoriale beslagen zijn gelegd en dat er “een claim” ligt van het openbaar ministerie (OM). Opheffing van een deel van de beslagen, zoals [eiser] vordert, betekent volgens de Ontvanger feitelijk dat een groter deel van de vorderingen onverhaalbaar zullen zijn, waardoor het verlies van de belastingdienst en het OM aanzienlijk kunnen toenemen.

4.5.

De voorzieningenrechter volgt de Ontvanger niet in zijn stelling dat er geen gronden zijn die nopen tot opheffing van (een deel van) de conservatoire beslagen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de executoriale derdenbeslagen waarop de Ontvanger doelt en die met de aanslagnummers in de pleitnota zijn benoemd, zijn meegenomen in de berekening van de openstaande schuld van in totaal € 236.500,-, zodat deze executoriale beslagen geen post vormen waarmee nog geen rekening is gehouden. De stelling van de Ontvanger dat het OM voor een bedrag van € 82.000,- beslag heeft gelegd op onder meer de bankrekening bij de SNS Bank, is door haar niet onderbouwd. Indien en voor zover al van het bestaan van dit beslag dient te worden uitgegaan, gaat de voorzieningenrechter er bij gebrek aan andersluidende informatie vooralsnog vanuit, dat de vordering van de belastingdienst preferent is en dus voorgaat op de vordering van het OM. Uit het vorenstaande volgt dat, gelet op de door de Ontvanger gehanteerde bedragen, summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de Ontvanger ingeroepen recht en daarmee van het onnodige van het gelegde beslag blijkt, voor zover dit het bedrag van € 236.500,- te boven gaat. [eiser] stelt weliswaar dat de vorderingen die de belastingdienst op hem heeft, nog aanzienlijk lager zijn en dat de beslagen voor een aanzienlijk hoger bedrag doel hebben getroffen. Om vast te kunnen stellen welke van de verschillende standpunten van partijen in deze juist zijn, zou nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering nodig zijn. Voor een dergelijk nader onderzoek leent een kort gedingprocedure zich naar zijn aard evenwel niet. In de beoordeling van de stelling van [eiser] dat de Ontvanger niet ontvankelijk is in zijn verweer, nu zij als overheidsinstelling heeft verzaakt met hem als belastingplichtige in overleg te treden, zal de voorzieningenrechter om dezelfde reden niet treden.

4.6.

[eiser] heeft ter zitting desgevraagd gemeld dat het beslag op zijn bankrekeningen hem het zwaarst raakt en dat, als hij een voorkeur zou mogen uitspreken voor de volgorde van opheffing van de beslagen, hij de op de bankrekeningen liggende beslagen het liefst het eerst opgeheven ziet worden. [eiser] vordert echter – waar het zijn bankrekeningen betreft – enkel de opheffing van het conservatoire beslag dat ligt op de SNS rekening. Uit het door de Ontvanger in zijn pleitnota vermelde staatje van bedragen waarvoor de beslagen op de bankrekeningen doel hebben getroffen, blijkt dat het totaal bedrag van € 320.067,72 als volgt is samengesteld:

Triodos Bank € 95.474,77

Binck € 1.000,-

SNS Bank € 127.967,43

BNAB / Aegon € 94.482,72

€ 1.116,81

€ 25,99

---------------- +

TOTAAL € 320.067,72

4.7.

Indien het beslag op de bankrekening bij de SNS Bank wordt opgeheven resteert nog € 192.100,29. De beslagen op de overige bankrekeningen bieden derhalve te weinig verhaal voor de openstaande vorderingen van de Ontvanger. Er zijn echter ook nog conservatoire beslagen gelegd op de [eiser] toekomende helft van zijn woonhuis en op roerende zaken, dat wil zeggen op zijn auto en op de huisraad. Uitgaande van de door de Ontvanger gestelde en door [eiser] niet betwiste WOZ-waarde van de woning van

€ 165.000,-, kan er van worden uitgegaan dat met het beslag op de woning nog eens

€ 82.500,- van de vordering van de Ontvanger is afgedekt. De stelling van de zijde van de Ontvanger dat op de woning ook executoriaal beslag is gelegd is door haar niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter deze stelling zal passeren. Uit het vorengaande volgt dat het beslag op de woning samen met de bankbeslagen anders dan onder de SNS,

€ 274.600,29 vertegenwoordigen, derhalve een ruim hogere waarde dan de openstaande vorderingen die de Ontvanger moet innen.

4.8.

Gelet op de door [eiser] uitgesproken voorkeur, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te beslissen dat het conservatoire beslag op de bankrekening bij de SNS opgeheven dient te worden, evenals het conservatoire beslag op de auto en de huisraad, wegens de “overkill” aan zekerheden die de gelegde conservatoire beslagen vertegenwoordigen.

4.9.

In de omstandigheid dat partijen over een weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld worden ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door de Ontvanger ten laste van [eiser] onder de SNS Bank op bankrekening [xxxx] gelegde conservatoire beslag alsmede de conservatoire beslagen op de roerende zaken (de auto en de huisraad),

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.1

Voetnoten

1
type:

coll: