ECLI:NL:RBROT:2013:7043 Rechtbank Rotterdam , 04-09-2013 / C-10-417136 - HA ZA 13-122

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/417136 / HA ZA 13-122

Vonnis van 4 september 2013

in de zaak van


[eiser]
,

wonende te Zuidland,

eiser,

advocaat mr. J.H.M. Nijhuis,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARFLEX B.V.,

gevestigd te Oud-Beijerland,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Smit.

Partijen zullen hierna [eiser]en Marflex genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 5 juni 2013 en de daarin genoemde stukken.

-

het proces-verbaal van comparitie van 16 juli 2013 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser]heeft in de periode 1980 tot en met 2008 aan Marflex een bedrijfsruimte gehuurd aan de [adres]te Zuidland. Op deze locatie zijn meerdere loodsen gevestigd die in de betreffende periode door meerdere bedrijven zijn gehuurd. Marflex heeft gedurende een gedeelte van voornoemde periode onder meer de loodsen nummer 4 en 44 gehuurd. Aangrenzend aan loods 4 stond een zogenoemde cleanplaats (olie/waterscheider).

2.2.

In juni 2006 is vastgesteld dat sprake was van bodemverontreiniging aan de [adres]te Zuidland. In opdracht van Marflex heeft SGS Nederland B.V. (hierna: SGS)

onderzoek verricht naar deze bodemverontreiniging.

2.3.

In het rapport van SGS (productie 2) wordt onder meer vermeld:

“(…) De onderzoekslocatie betreft een terrein [met] een oppervlakte van circa 8.200 m², waarvan circa 4.681 m² is bebouwd met loodsen. (…) Op de locatie zijn diverse bedrijven gevestigd geweest en deze hebben allen met oliën, oplosmiddelen, brandstoffen, ontvetters en verf gewerkt. (…) Op dit moment is Marflex de laatste huurder op de locatie. (…)

2.6.

Uitgevoerde bodemonderzoek en sanering

(…)

Nul onderzoek locatie [adres]te Zuidland, Argus Milieukundig Ingenieursbureau, juli 1993 [2]

In 1993 is door Argus Milieukundig Ingenieursbureau een nulonderzoek verricht op de locatie. Uit dit onderzoek is gebleken dat de grond licht verontreinigd is met PAK. Bij de bovengrondse tank is een licht verhoogd minerale oliegehalte aangetond in de grond rond de grondwaterspiegel. Het grondwater was sterk verontreinigd met koper en licht verontreinigd met chroom, cadmium, zink, vluchtige aromaten en naftaleen. Het onderzoeksrapport is aanwezig in het archief van de DCMR Milieudienst Rijnmond.

Rapportage bodemonderzoek Marflex B.V. [adres]te Zuidland, Witteveen + Bos, Rt154.1.11. 16 december 1996 [3]

In de grond zijn plaatselijk overschreidingen van de streefwaarden vastgesteld voor minerale olie. Nabij de olie/waterafscheider is een lichte verontreiniging vermoedelijk met smeerolie aangetoond. Deze verontreiniging is globaal afgeperkt in horizontale en verticale richting. Aan de zuidzijde zijn overschrijdingen van de streefwaarden voor minerale olie vastgesteld. Onder de bedrijfshallen zijn eveneens overschrijdingen van de streefwaarden minerale olie vastgesteld. (…)

Soil examination at [adres]Zuidland, Verhoeve Milieu BV, 5 januari 2000 [5]

(…) Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Bij herontwikkeling zijn saneringsmaatregelen noodzakelijk. De exacte omvang van de verontreiniging is nog niet bepaald. (…)

T-0 onderzoek Hal 4, [adres]te Zuidland, ARA Adviesbureau, juli 2004 [7]

De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium en minerale olie. De ondergrond is licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met arseen en zink.

(…)

4.3.

Verontreinigingssituatie

Op basis van de gegevens uit de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken kan gesteld worden dat er op bijna de gehele locatie sprake is van licht verontreinigde grond met minerale olie, aromaten en zware metalen in de bovengrond (0 tot 0,5 m-mv).

(…)

5.1.

Conclusies en aanbevelingen

(…)

Loodsen 11 t/m 44

Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met zware metalen, hiervoor geldt een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet bodembescherming.

(…)

Zuidoostzijde loods 44

Op basis van thans beschikbare informatie is sprake van circa 10 m³ met minerale olie verontreinigde grond boven de interventiewaarde.

(…)

“Cleanplaats”

Op basis van de thans beschikbare informatie is er sprake van circa 10 m³ met minerale olie verontreinigde grond boven de interventiewaarde. (…) Het valt niet uit te sluiten dat deze verontreiniging reeds aanwezig was toen de “cleanplaats” gebouwd werd. (…)”

2.4.

In opdracht van Marflex heeft in maart 2008 een bodemsanering plaatsgevonden ter plaatse van de cleanplaats. De bodemsanering is uitgevoerd onder begeleiding van Dordrecht Research B.V. (hierna Dordrecht Research) in samenspraak met de toezichthouder van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR). Dordrecht Research heeft bij brief van 27 mei 2010 verslag gedaan van haar bevindingen tijdens de uitvoering van de sanering. Het verslag (productie 5) vermeldt, voor zover relevant:

“(…) Rond de olie/waterscheider is ca. 60 m² met minerale olie verontreinigde grond ontgraven tot zintuiglijk geen afwijkende geur meer waargenomen werd en/of om civieltechnische redenen niet verder gegraven kon worden. (…) Uitsluitend ter plaatse van put 1 (wand onder het pand) is een folie geplaatst omdat ter plaatse niet verder ontgraven kon worden.

(…)

Op basis van de analyseresultaten wordt geconstateerd dat, met uitzondering van putwand 1, de gehalten aan minerale olie van de overige putwanden en de putbodem zich ruimschoots beneden of rond de overeengekomen terugsaneerwaarde bevinden (…)

Op basis van de nacontroleresultaten is gebleken dat de verontreiniging behoudens een kleine restverontreiniging onder het pand, conform het overeengekomen plan van aanpak verwijderd is. (…)

Aanbevolen wordt de restverontreiniging te saneren zodra dit civieltechnisch kostenefficiënt realiseerbaar is. Bijvoorbeeld tijdens sloop of verbouwing van het pand. Voorafgaand aan deze eventuele sanering dient de omvang van de restverontreiniging te worden vastgesteld. Niet uitgesloten wordt dat de omvang dermate gering is dat voortzetting van de sanering milieuhygiënisch gezien niet rendabel wordt geacht. (…)”

2.5.

[eiser]en Marflex hebben op 16 februari 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de VO). In de VO (productie 4) wordt vermeld, voor zover relevant:

“(…)
in aanmerking nemende dat:
(…)

(D) op het terrein een verontreiniging is aangetroffen met minerale olie in de grond en het grondwater, welke verontreinigingsituatie in opdracht van Marflex is vastgesteld door SGS in het rapport van 13 juni 2006 “Eindsituatie bodemonderzoek [adres]te Zuidland (project 18033/18137);

(E) er geen sprake is van ernstige verontreiniging;

(…)

(J) [eiser]heeft verklaard tegen vergoeding in geld zoals aangegeven staat in de brief van Marflex d.d. 28 januari 2009 (bijlage 1) het gehuurde te aanvaarden in de staat waarin het zich thans bevindt, derhalve met inbegrip van de hiervoor omschreven verontreiniging;

(…)

(M) deze overeenkomst is te beschouwen als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:900 e.v. BW.

komen het volgende overeen:

(…)

5. [eiser]is vanaf de einddatum verantwoordelijk en aansprakelijk voor (de uitvoering van) de monitoring, sanering en eventuele nazorg van de verontreiniging zoals omschreven in het monitoringsplan en het Plan van aanpak conform de toepasselijke wettelijke regels en beleidsregels.

6. Marflex is ter zake de monitoring en (toekomstige) sanering van de grondvervuiling van het preceel aan de [adres]te Zuidland, (…) een eenmalige vergoeding aan [eiser]schuldig, zijnde een bedrag van € 35.000,00 (…)

7. Na voldoening van het bedrag zal Marflex jegens [eiser]finaal zijn

gekweten.

8. [eiser]doet afstand van alle civielrechtelijke rechten/of bevoegdheden jegens Marflex ter zake van verontreiniging van de grond en het grondwater.

9. Dit betekent dat in ieder geval, maar niet uitsluitend, voor rekening en risico van [eiser]komen eventuele meerkosten voor monitoring en sanering conform het Plan van Aanpak (…) alsmede alle kosten verband houdende met een eventuele andere, dat wil zeggen niet in het onder (D) van de considerans genoemde bodemonderzoeksrapport uit 2006 geconstateerde, verontreiniging die in de periode waarin Marflex de bedrijfsruimte huurde is ontstaan.

10. [eiser]aanvaardt aansprakelijkheid voor en vrijwaart Marfelx jegens derden (waaronder overheidsinstanties) van alle publiekrechtelijke en/of civielrechtelijke aansprakelijkheden terzake van verontreiniging van de bodem en/of grondwater en/of oppervlaktewater en/of waterbodem anders dan omschreven in de onder (D) en (F) van de considerans genoemde rapporten en vastgesteld bij deze overeenkomst. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser]vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-

een verklaring voor recht dat Marflex zich ter afwending van een schadeclaim op grond van de bodemverontreiniging van de verwijderde water/oliescheider niet kan beroepen op finale kwijting genoemd in de artikelen 7 tot en met 10 van de vaststellingsovereenkomst gedateerd 16 februari 2009,

-

subsidiair: een verklaring voor recht dat [eiser]heeft gedwaald bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst en voorts de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst te wijzigen in die zin dat het nadeel zoals omschreven onder punt 14 van de dagvaarding dat [eiser]ten gevolge van zijn dwaling lijdt, wordt opgeheven.

[eiser]stelt daartoe het volgende. De VO ziet op het vaststellen van een regeling met betrekking tot de bodemverontreiniging onder loods 44. [eiser]heeft Marflex niet finaal gekweten en gevrijwaard ter zake van overige verontreiniging op het terrein. De VO is een uitwerking van de brief van 28 januari 2009. In die brief wordt alleen over verontreining van de grond onder loods 44 gesproken. Daarnaast is in de considerans van de VO onder ‘E’ opgenomen dat geen sprake is van ernstige verontreiniging, hetgeen thans wel het geval blijkt te zijn. [eiser]heeft na het aangaan van de VO ontdekt dat ook sprake is van restverontreiniging ter plaatse van de cleanplaats. Marflex kan zich ter afwending van een schadeclaim vanwege die andere bodemverontreiniging niet beroepen op de VO. Indien geoordeeld zou worden dat de andere verontreiniging wél onder het bereik van de VO zou vallen, dan is een beroep op de finale kwijting door Marflex in strijd met de goede trouw, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Subsidiair heeft [eiser]gedwaald bij het aangaan van de VO. Voordat de VO werd gesloten, zijn [eiser]en Marflex overeengekomen dat Marflex de bodem ter plaatse van de cleanplaats zou saneren. Achteraf is gebleken dat dit niet volledig is gebeurd. Er is restverontreining achtergebleven, hetgeen Marflex voor [eiser]heeft verzwegen. De saneringskosten van de restverontreining bedragen ongeveer € 65.000,--. Indien [eiser]had geweten van de overige verontreining dan was hij de VO niet onder dezelfde voorwaarden aangegaan.

3.2.

Marflex voert verweer. De door [eiser]gestelde schade vanwege de restverontreiniging valt onder het bereik van de VO. [eiser]heeft Marflex finaal gekweten en gevrijwaard, niet alleen voor de verontreiniging onder loods 44 maar ook voor alle andere verontreiniging op het terrein. De vrijwaring kan slechts doorbroken worden in het uitzonderlijke geval van bedrog, misleiding c.q. verzwijging. Daar is geen sprake van. [eiser]was op de hoogte van het resultaat van de door Marflex uitgevoerde sanering bij de cleanplaats. Die sanering is volgens het plan van aanpak uitgevoerd en goedgekeurd door DCMR. Omdat op de grens tussen één putwand van de cleanplaats en loods 4 niet verder kan worden gegraven (in verband met de constructie van de loods) is de grond afgedekt met folie en is een geringe restverontreiniging achtergebleven. Die was zo gering dat het niet rendabel werd geacht om verder te saneren. Marflex verwijst naar het verslag van Dordrecht Research. [eiser]wist hiervan. Daarnaast was [eiser]op de hoogte van de inhoud van het rapport van SGS en wist hij dus dat het gehele terrein was verontreinigd, en niet alleen ter plaatse van loods 44.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen twisten allereerst over de vraag of zij zich met het sluiten van de VO hebben gebonden aan een beslissing ten aanzien van restverontreiniging nabij de cleanplaats. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Partijen zijn immers volgens artikel 9 van de VO overeengekomen dat alle kosten die verband houden met een eventuele andere verontreiniging (dan de verontreiniging onder loods 44) die in de periode waarin Marflex de bedrijfsruimte huurde zijn ontstaan, voor rekening en risico [eiser]komen. De tekst is ondubbelzinnig. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat overige verontreiniging, zoals die nabij de cleanplaats, valt onder het bereik van de VO. De door [eiser]aangehaalde inhoud van de brief alsmede de considerans van de VO leggen onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen oordelen dat partijen een andere bedoeling hadden dan in de tekst van de VO is weergegeven. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat de VO is opgesteld naar aanleiding van het rapport van SGS waarin wordt vermeld dat ook op andere plaatsen dan ter plaatse van loods 44, sprake is van bodemverontreiniging.

4.2.

Aldus heeft [eiser]Marflex in beginsel finaal gekweten en gevrijwaard voor (schade ten gevolge van) de gestelde restverontreiniging nabij de cleanplaats.

4.3.

Een vaststellingsovereenkomst is een verbintenisscheppende overeenkomst waarbij partijen zich ter voorkoming of beëindiging van onzekerheid of geschil binden aan een tot een vaststelling leidende beslissing over wat tussen hen rechtens is. Zij aanvaarden daarbij dat deze vaststelling mogelijk afwijkt van wat tussen hen rechtens was. Aan de bindende kracht van de vaststelling dient een belangrijk gewicht te worden toegekend.

4.4.

Artikel 7:904 lid 1 BW bepaalt dat indien gebondenheid aan een beslissing van een partij in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, de beslissing vernietigbaar is. Vernietiging op grond van de redelijkheid en billijkheid is mogelijk als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, zijn overschreden. Indien de beslisser alle omstandigheden van het geval daarbij in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen, is de beslissing aantastbaar. De in dit kader door de rechtbank uit te voeren toetsing heeft een marginaal karakter.

4.5.

Dat [eiser]op de hoogte was van het resultaat van de sanering van de cleanplaats (in het bijzonder dat bij één putwand niet verder gegraven kon worden waardoor een restverontreiniging is achtergebleven) staat niet vast. [eiser]heeft immers gemotiveerd betwist dat hij hiervan door Marflex op de hoogte is gesteld en er zijn geen stukken overgelegd waaruit die wetenschap zou kunnen worden afgeleid. De vraag of [eiser]op de hiervan op de hoogte was, kan echter in het midden worden gelaten, gelet op het volgende.

4.6.

[eiser]was voorafgaand aan het sluiten van de VO bekend met het rapport van SGS waarin wordt vermeld dat bodemverontreiniging op de gehele locatie te verwachten valt. Gelet hierop en gezien de tekst van artikel 9 van de VO, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat [eiser]rekening heeft gehouden, althans heeft moeten houden, met de mogelijkheid van andere verontreinigingen op het terrein dan slechts die ter plaatse van loods 44. Voor die onzekerheid is de zekerheid van betaling door Marflex van een bedrag van € 35.000,-- in de plaats gekomen.

4.7.

In een geval als het onderhavige, kunnen alleen ernstige gebreken in de beslissing de gebondenheid aan de VO naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Dat [eiser]na het aangaan van de VO heeft ontdekt dat sprake is van overige verontreiniging op het terrein, wettigt niet de gevolgtrekking dat van zodanige ernstige gebreken sprake is.

Dwaling

4.8.

Op grond van artikel 6:228 lid 1 BW kan een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, worden vernietigd. Op grond van vaste jurisprudentie dient de rechtbank een beroep op dwaling in geval van een vaststellingsovereenkomst met terughoudendheid toe te passen.

4.9.

[eiser]stelt dat hij heeft gedwaald bij het aangaan van de VO nu hij in de veronderstelling was dat de verontreiniging ter plaatse van loods 44 de enige was. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 4.6., komt die gestelde dwaling voor rekening van Van Noort.

4.10.

Daarnaast heeft [eiser]gesteld dat hij de VO niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien Marflex hem had ingelicht over de nabij de cleanplaats achtergebleven restverontreiniging. Marflex heeft onbetwist aangevoerd dat zij ten tijde van het aangaan van de VO (en ook thans nog) uitging van de situatie zoals beschreven in het verslag van Dordrecht Research. Die voorstelling van zaken komt erop neer dat de sanering conform het plan van aanpak was uitgevoerd en was geaccordeerd door DCMR, en dat sprake was van een kleine restverontreiniging waarvan niet werd uitgesloten dat de omvang dermate gering is dat verdere sanering milieuhygiënisch niet rendabel is. [eiser]heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat de VO bij die voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten.

4.11.

De vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.12.

[eiser]zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Marflex begroot op: € 589,00 aan griffierecht + € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 452,00 per punt) = € 1.493,00.

5 De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser]in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Marflex begroot op € 1.493,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken op

4 september 2013.

2457