ECLI:NL:RBROT:2014:240 Rechtbank Rotterdam , 17-01-2014 / 2022028

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 2022028 \ CV EXPL 13-15991

27 maart 20132022028 \ CV EXPL 13-15991Uitspraak: 17 januari 2014

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 27 maart 2013,

gemachtigde: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. P. Hoogenraad te Maassluis.

Partijen worden hierna: “de Stichting” respectievelijk “[gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

-

de dagvaarding, met producties;

-

de akte van de Stichting, met productie;

-

de conclusie van antwoord;

-

het vonnis d.d. 5 augustus 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

-

de faxbrief d.d. 20 augustus 2013 van de gemachtigde van [gedaagde], met productie;

-

het proces-verbaal van de op 30 september 2013 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

Met ingang van 23 mei 2006 huurt [gedaagde] van de Stichting de woning, gelegen te [adres](hierna: “het gehuurde”). Het gehuurde maakt deel uit van een complex van woningen die bereikbaar zijn middels een portiek.

2.2

In artikel 11 lid 3 van de op de huurovereenkomst toepasselijke voorwaarden is bepaald dat de huurder ervoor zal zorgdragen dat aan omwonenden geen overlast wordt veroorzaakt.

2.3

Bij brief van 24 november 2010 heeft de Stichting [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van door haar ontvangen klachten over het woongedrag van [gedaagde], meer bepaald geluidsoverlast van muziek en zijn hond.

2.4

Bij brief van 4 januari 2011 heeft de Stichting [gedaagde] het volgende geschreven:

“Geachte heer [gedaagde],

Eind november hebben wij enkele klachten van omwonenden ontvangen met betrekking tot geluidsoverlast.

gesprek

Vandaag bent u bij ons op kantoor geweest en hebben wij een gesprek gehad over deze klachten.

U herkende de klachten en gaf aan in het verleden op late tijdstippen harde muziek te hebben gedraaid. Ook omwonenden hebben u hierop aangesproken.

afspraken

Wij verwachten van u dat u rekening houdt met omwonenden en dan met name de tijdstippen waarop harde muziek wordt gedraaid. In het geval van een naderend feestje, zult bij de omwonende een briefje te zullen doen waarbij u hen hierover inlicht.

Tot slot

Wij wijzen u erop dat dit een waarschuwing was, en hopen dat de klachten niet meer voorkomen. Mochten wij opnieuw klachten ontvangen met betrekking tot geluidsoverlast, zullen wij een proces moeten opstarten. (…)

(…)”.

2.5

Bij brief van 6 april 2011 heeft de Stichting [gedaagde] het volgende geschreven:

“Geachte heer [gedaagde],

Op 4 januari hebben wij een gesprek gehad over de eerder ontvangen klachten in verband met overlast van onder andere harde muziek en het blaffen van uw hond.

klachten

Helaas hebben wij wederom klachten ontvangen van harde muziek op tijdstippen dat dit niet gewenst is. Ook hebben de klachten betrekking op het blaffen van de hond en de overlast die uw visite veroorzaakt.

afspraken

Er zijn in uw woonomgeving een groot aantal bewoners die erg gesteld zijn op hun rust. Dit vanwege drukke werkzaamheden gedurende de dag. Zij willen niet midden in de nacht worden geconfronteerd met harde muziek. Maasdelta heeft huisregels opgesteld die voor alle bewoners gelden. In deze huisregels staat onder andere dat het ’s-avonds na 20.00 uur rustig moet zijn, en na 22.00 uur stil.

Tot slot

Wij maken u erop attent dat de bij ons ingediende klachten worden opgeslagen in een dossier. Indien de klachten aanhouden, zullen wij met het gevormde dossier een procedure opstarten die ontruiming van de woning tot gevolg kunnen hebben. (…)

(…)”.

2.6

Bij brief van 4 mei 2011 heeft de Stichting [gedaagde] het volgende geschreven:

“Geachte heer [gedaagde],

Wederom hebben wij klachten ontvangen in verband met het blaffen van uw hond.

klachten

De klacht bestaat uit het blaffen van de hand op momenten dat u niet thuis bent. Tezamen met onze wijkmeester heb ik een buurtonderzoek gedaan om de geluidsoverlast van uw hond zelf te constateren en om navraag te doen bij omwonenden of zij de overlast herkennen.

afspraken

Tijdens eerdere correspondentie heb ik u erop gewezen dat Maasdelta huisregels heeft die voor alle bewoners gelden. In deze huisregels staat onder andere dat het ’s-avonds na 20.00 uur rustig moet zijn, en na 22.00 uur stil.

Bovenstaande is ook van toepassing op uw hond. Indien het u niet lukt om de hond zo op te voeden dat hij alleen thuis kan zijn zonder hard geblaf, adviseren wij u om maatregelen te nemen zodat omwonenden geen last van uw hond hebben tijdens uw afwezigheid.

Een van die maatregelen kan een blafband zijn.

Tot slot

Wij maken u erop attent dat de bij ons ingediende klachten worden opgeslagen in een dossier. Indien de klachten aanhouden, zullen wij met het gevormde dossier een procedure opstarten die ontruiming van de woning tot gevolg kunnen hebben. (…)

(…)”.

2.7

Bij brief van 2 oktober 2012 heeft de Stichting [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van door haar ontvangen klachten met betrekking tot geluidsoverlast.

2.8

Bij brief van 8 oktober 2012 heeft de Stichting [gedaagde] het volgende geschreven:

“Geachte heer [gedaagde],

Vandaag hebben mijn collega [A] en ik u gesproken over de overlastklachten die wij onlangs hebben ontvangen. U gaf aan de klachten te herkennen die door omwonende bij ons zijn ingediend.

Castreren hond

U vertelde voornemens te zijn op korte termijn uw hond te laten castreren. Met het castreren verwacht u dat de hond rustiger gaat worden. Wij hebben met u afgesproken dat het castreren voor 1 november 2012 gebeurd zal zijn.

(…)”.

2.9

Bij brief van 6 december 2012 heeft de Stichting [gedaagde] het volgende geschreven:

“Geachte heer [gedaagde],

Dinsdag 4 december hebben wij u aangesproken over de aanhoudende overlast die u geeft in het portiek.

Klachten

Zoals besproken ervaren omwonende regelmatig overlast van hond en ook van uw woongedrag. (…)

Blaffen hond

Omwonende geven aan dat de hond regelmatig aanslaat op geluiden in het portiek. Wij hebben u aangegeven dat het gebruik van een blafband misschien kan leiden tot op oplossing. Tijdens een eerder gesprek heeft u aangegeven de hond te laten castreren. Afspraak was dat u dit voor november zou realiseren. Helaas is dit door omstandigheden nog niet gebeurd. Wij hebben besproken dat u dit op korte termijn laat doen en Maasdelta daarvan op de hoogte brengt.

Uw woongedrag

Omwonende klagen eveneens over de geluidsoverlast die u veroorzaakt in de nachtelijke uren. Regelmatig ervaren zij in de nacht veel herrie op het moment dat u thuiskomt. Tijdens het gesprek hebben wij u erop gewezen dat wij geen overlast klachten in welke vorm dan ook willen ontvangen van omwonenden. Veroorzaakt u nog steeds overlast dan zijn we genoodzaakt om het opgebouwde dossier bij onze juridische afdeling aan te bieden. Wij gaan ervan uit dat u deze waarschuwing uiterst serieus neemt en wij geen klachten meer ontvangen.

(…)”.

2.10

Bij e-mail van 21 januari 2013 heeft [B], die op nummer [x]van het onderhavige woningcomplex woont, het volgende aan de Stichting geschreven:

“Beste [C],

Vannacht was het WEER raak. De buurman draait hele harde muziek met een zware bas en het wordt steeds luider. Ook maakt hij een kabaal alsof hij heel zijn huis aan het verbouwen is. Hij is heel lang niet meer in zijn huis geweest en de eerste de beste keer is het weer ellende. Met zo’n man kun je gewoon geen afspraken maken. Wij werken allemaal hier in het portiek en hij gaat door tot ’s ochtends vroeg met niks doen en ons lastig vallen. Ik vraag me af of ik niet meer stappen zal gaan ondernemen dan alleen maar steeds jullie berichten of de politie want blijkbaar helpt niets. Ik ben echt pisnijdig en zal het hier niet bij laten.

Zo’n idioot hoort hier niet thuis in een flat als deze.

(…)”.

2.11

Op 21 februari 2013 heeft de Stichting bij deze rechtbank een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend (zaaknummer 2006565 VZ VERZ 13-1294). Naar aanleiding daarvan zijn ter zitting van 24 april 2013, in aanwezigheid van [gedaagde] en zijn gemachtigde, vier door de Stichting voorgebrachte getuigen gehoord, te weten drie bewoners van het onderhavige complex ([D], [B] voornoemd en [E]) en [G], als woonconsulente werkzaam bij de Stichting en tevens de afzender van bovengenoemde brieven van de Stichting aan [gedaagde].

2.12

[D] heeft onder verband van de belofte onder meer het volgende verklaard:

“Ik woon op het [adres]. Dat is schuin onder de heer [gedaagde]. Sinds een aantal jaar, sinds de heer [gedaagde] een hond heeft, heb ik last van hem. Dat wil zeggen ik heb last van de hond. Dat is als ik thuis ben in de avonduren, en ook ’s nachts. Vooral in de zomer, als de deuren en ramen open zijn heb ik er echt last van. Anders heb ik er geen overlast van, maar hoor ik het wel. Ik heb er een paar keer wat over gezegd tegen de heer [gedaagde]. Hij reageerde dan goed, hij had er begrip voor en zei dat hij het vervelend vond. Hij beloofde dan ook dat het niet meer zou gebeuren. Het gebeurde echter wel weer. De afgelopen maanden heb ik geen overlast gehad.

Op vragen van mr. Heijmeriks antwoord ik als volgt:

De hond is er nog steeds, ik heb hem gisteren nog gezien. Ik hoor de hond nog wel.

Op vragen van mr. Hoogeraad antwoord ik als volgt:

Ik heb inderdaad één keer een klacht ingediend bij de verhuurder. Dat was in september of oktober 2012. Ik versta onder ’s nachts de uren tussen 22:00 uur en 06:00 uur ’s ochtends. De afgelopen jaren kwam het heel regelmatig voor dat ik de hond ’s nachts hoorde. Hoe vaak het precies is voorgekomen weet ik niet, ik heb dat niet bijgehouden. De laatste periode heb ik ’s nachts de hond niet gehoord.”

2.13

[B] heeft onder verband van de belofte het volgende verklaard:

“Ik woon op het [adres]. Dat is op de vierde etage, de heer [gedaagde] woont op de tweede etage. Er zit dus nog een etage tussen. U vraagt mij of ik weleens last van de heer [gedaagde] heb gehad. De keren zijn niet te tellen dat ik last heb gehad. Dat is al vanaf dat hij er kwam te wonen, in mei 2006. Het is eigenlijk nooit opgehouden, behalve een periode toen iemand anders in zijn woning verbleef. Ik woon er sinds 2005. De overlast bestaat uit muziek, hondengeblaf en gestommel. Ik weet dat het van de heer [gedaagde] afkomstig is, want mijn benedenbuurman is bijna nooit thuis. Bovendien ben ik meermalen bij de heer [gedaagde] gaan klagen ’s nachts. De overlast is ’s avonds en ’s nachts. Ik hoor hem ’s nachts al thuis komen, hij slaat dan met de deuren, de voordeur slaat hij met een klap dicht. Vervolgens gaat de muziek aan, ik hoor dan stemmen en geblaf en gegooi met een bal. Soms lijkt het of er een gevecht plaatsvindt. Ik hoor de ramen trillen. Als ik bij hem ging klagen dan reageerde hij nonchalant, voordat ik mijn verhaal kon doen ging de deur alweer dicht. Ik heb de overlast gemeld bij Maasdelta, dat is al een aantal jaren geleden. Op die brief is niet gereageerd. Ik ben daarna met een onderbuurvrouw van [gedaagde] gaan praten, die had ook een brief aan Maasdelta geschreven waar niet op was gereageerd. We besloten dat er iets moest gebeuren. We hebben ieder afzonderlijk per e-mail aan Maasdelta gemeld dat er van overlast sprake was.

Op vragen van mr. Heijmeriks antwoord ik als volgt:

De laatste tijd is het wat rustiger, dat is omdat [gedaagde] bijna nooit thuis is. In het weekend ben ik er bijna nooit. Als de heer [gedaagde] thuis is dan hoor ik het.

U vraagt mij of ik nog steeds achter de mededelingen die ik doe per e-mail sta, zoals die uit productie 10 bij het verzoekschrift zijn gevoegd. Ik sta daar nog volledig achter. U toont mij een afschrift van een door mij aan Maasdelta gezonden e-mail van 4 april 2013. Ik sta nog steeds achter hetgeen ik in die e-mail verklaar. Ik hoor u zeggen dat dit afschrift achter het proces-verbaal van dit getuigenverhoor zal worden geniet.

Op vragen van mr. Hoogeraad antwoord ik als volgt:

Ik hoor [gedaagde] één of twee keer per week ’s nachts thuiskomen of weggaan. Dan word ik wakker. Overdag ben ik niet thuis dus dan hoor ik ook niets. Nu hoor ik de hond bijna niet meer ’s nachts. Ik geloof dat de hond geholpen is. [gedaagde] hoor ik nog wel. Als hij thuiskomt gooit hij met de benedendeur en zijn huisdeur wordt dicht gegooid. Het kan zijn dat de deur niet goed sluit en dat hij daarom zijn huisdeur hard moet dichttrekken. [gedaagde] is heel luidruchtig.

Op vragen van mr. Heijmeriks antwoord ik als volgt:

[gedaagde] had regelmatig visite, de laatste tijd wat minder omdat hij de bui al voelt hangen. Het was dan net of er een feestje plaatsvond, met één of twee vrienden. Ik werd dan ’s nachts wakker en ging ook weleens naar hem toe om te klagen. Dan ging de muziek alleen maar harder als ik weer weg was. Ook als de politie was geweest en weer vertrokken was dan ging de volumeknop weer voluit.

Op vragen van mr. Hoogeraad antwoord ik als volgt:

U vraagt mij wanneer dat met die vrienden voor het laatst is gebeurd. Daar heb ik het over in mijn mail van 4 april 2013. Dat is dus kortgeleden. Ik keek toen uit het raam en ik zag hem beneden lopen. Ik schreeuwde naar hem dat het zachter moest en dat ik anders de politie zou bellen. Het werd toen rustiger. Daarvoor is het een tijdje rustiger geweest.”

De e-mail d.d. 4 april 2013 (22.21 uur) waaraan [B] refereert, bevat de volgende inhoud:

“Goede avond [C],

Helaas is het weer zover. Dhr. [gedaagde] komt met een enorm kabaal thuis met visite en gaat meteen de muziek voluit draaien. De hond is ook weer overduidelijk aanwezig en ik zou graag vannacht slapen aangezien ik morgen een begrafenis moet bijwonen.

Ongelofelijk dat hij nu gewoon vrolijk verder gaat. Wij zijn ontzettend de dupe. [E] en ik willen niets liever dan dat hij weggaat uit zijn woning. Dit is voor niemand hier leefbaar. Ook voor de mensen die hier wonen maar niets kunnen of durven ondernemen terwijl ze er absoluut last van hebben.

Zie hem net naar buiten lopen en heb m’n raam open gedaan en gezegd dat het zachter moet en zo niet dat ik dan de politie bel. Hij zegt iets wat ik niet kan verstaan en ik ben echt zo ontzettend boos dat ik maar snel het raam weer dicht doe. Nu ben ik eerlijk gezegd niet meer op mijn gemak in m’n eigen huis. Dat is al vaker het geval geweest maar m’n hart bonkt in m’n keel.

(…)”.

2.14

[E]heeft onder verband van de eed het volgende verklaard:

“Ik woon op het [adres], dat is direct onder [gedaagde]. Ik heb eigenlijk al sinds [gedaagde] er is komen wonen, in 2006, last van hem. De overlast bestaat uit luid gepraat of geschreeuw, geblaf van de hond, die hond maakt sowieso herrie. Ik hoor hem altijd lopen en ik hoor de hond ook met dingen over de grond slepen. Verder komt [gedaagde] op de vreemdste momenten thuis. Dat is zijn zaak, maar hij maakt daarbij heel veel kabaal. Hij maakt een klere herrie. Hij neemt dan vrienden mee, ik hoor vervolgens gepraat, harde muziek met harde bassen. Soms is [gedaagde] er niet en dan blaft de hond de hele nacht door. Het is weleens zo erg geweest dat ik maar ergens anders ging slapen. Ook is de politie weleens geweest, zij hebben toen de deur open gemaakt omdat [gedaagde] er niet was. De politie heeft toen de hond uitgelaten. [gedaagde] is ook weleens via mijn balkon naar boven geklommen.

Ik woon er al 25 jaar. Ik ben heel schappelijk en heb de eerste jaren er nooit iets van gezegd. Later wel. Één keer heeft hij zo hard de voordeur, de deur van het portiek dus, opengeslagen tegen de zijruit, dat die zijruit kapot is gegaan. De overlast is voornamelijk ’s avonds en ’s nachts. Overdag heb ik alleen last als de muziek heel hard staat. Overdag tolereer ik het meer. De laatste tijd heb ik soms wel en soms niet last van [gedaagde]. Dat hangt er vanaf of hij wel of niet thuis is. Als hij thuis is dan heb ik last van hem.

Op vragen van mr. Heijmeriks antwoord ik als volgt:

Ik sta achter mijn e-mails die ik geschreven heb aan Maasdelta en die deel uitmaken van productie 10 bij het verzoekschrift.

Op vragen van mr. Hoogeraad antwoord ik als volgt:

U vraagt mij hoe vaak ik in de periode van januari tot nu last heb gehad van de heer [gedaagde]. Hij is er vaak niet. Acht keer is niet te veel gezegd. Ik hoor dan muziek, praten en de hond. Met de hond bedoel ik dat de hond aanslaat, ik hoor de hond met speeltjes in de weer en ik hoor hem tippelen.”

2.15

[G] heeft onder verband van de belofte het volgende verklaard:

“De eerste klachten die wij van omwonenden over de heer [gedaagde] ontvingen zijn van eind 2010. Die klachten gingen over geluidsoverlast in de nachtelijke uren door [gedaagde] en zijn hond. Ik heb toen [gedaagde] op kantoor uitgenodigd voor een gesprek, het eerste gesprek vond volgens mij plaats eind 2010. Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden. Er werden dan afspraken gemaakt, maar [gedaagde] kwam die vervolgens niet na. Dat bleek omdat ik daarna weer klachten kreeg van omwonenden. De laatste klacht is van ongeveer één of twee maanden geleden, dat weet ik niet meer precies. Die klacht ging ook weer over geluidsoverlast ’s nachts. De afspraken die ik met [gedaagde] maakte zijn schriftelijk aan hem bevestigd. Verder is hij schriftelijk gewaarschuwd, ook voor verdergaande maatregelen. Ook dat maakte geen indruk kennelijk op [gedaagde].

Op vragen van mr. Hoogeraad antwoord ik als volgt:

Er heeft op 30 oktober 2012 een buurtonderzoek plaatsgevonden. Ik ben bij omwonenden aan de deur geweest. Veel bewoners waren niet thuis, maar ik heb wel gesproken met [B] en met de buurvrouw van [gedaagde]. Deze mensen zeiden dat zij last hadden van [gedaagde]. Ik ben die dag [gedaagde] buiten tegengekomen, hij was zijn hond aan het uitlaten. Ik heb dus geen hondengeblaf kunnen constateren, want de hond was buiten. Onlangs heb ik nog een klacht gekregen over het feit dat [gedaagde] over het balkon naar boven is geklommen om bij zijn woning te komen. In de periode vanaf januari 2013 heb ik diverse klachten ontvangen, ik weet alleen niet de exacte data. U vraagt mij of het rustiger is geworden. Ik woon zelf niet in die flat dus daar kan ik niets over zeggen.

Op vragen van mr. Heijmeriks antwoord ik als volgt:

Die buurvrouw die ik in het kader van het buurtonderzoek op 30 oktober 2012 heb gesproken woont direct naast [gedaagde].”

2.16

[gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om in het kader van het voorlopig getuigenverhoor in contra-enquête getuigen voor te brengen.

2.17

Bij brief van 28 april 2013 heeft [E] het volgende aan de gemachtigde van de Stichting geschreven:

“(…)

Afgelopen woensdag 24 april 2013 ben ik verschenen voor het getuigenverhoor inzake: Maasdelta/[gedaagde].

En het is niet te geloven maar op zondag 28 april 2013 tegen 01.00 uur begon de heftige ellende weer.

De heer [gedaagde] en hond kwamen weer eens onrust stoken. Ofwel ze kwamen thuis. Met de nodige kabaal.

7 minuten later vertrok de heer [gedaagde] weer. Blaffende hond achterlatend. Deze heeft van 01.30 uur tot 02.00 uur aan 1 stuk door blaffend lopen rennen en vliegen door de woning.

Om 02.00 uur kwam de heer [gedaagde] op de brommer weer aan. (…) Even snel was hij weer weg en de hond blafte nog steeds. Een half uur later hoorde ik de brommer weer aankomen. Beukte tegen de portiek deur en reed zo de kelder in.

Toen de heer [gedaagde] eenmaal in zijn woning was werd de hond geleidelijk aan ook weer rustig. Er werd natuurlijk luidkeels gestraft. We waren inmiddels 1,5 uur verder.

Ik denk niet dat ik u uitgebreid hoef te vertellen hoe ik me voel.

(…)”.

2.18

Op diezelfde datum heeft [B] aan de Stichting een e-mail gezonden met de volgende inhoud:

“Goedemorgen [C],

Waar ik bang voor was wordt helaas werkelijkheid. Dhr. [gedaagde] gaat nóg meer provoceren door afgelopen nacht zijn hond tot twee keer toe keihard blaffend achter te laten. Dit alles heeft geduurd van 01.00 uur tot 03.00 uur. Ik weet ook zeker dat heel het portiek hier niet van kon slapen zo hard was het geblaf. Ik ga dan ook nog even bij de andere buren langs.

Het scheelde weinig of ik had m’n huis verlaten om ergens anders te gaan slapen. Het is zo frustrerend dat je verder niks kunt doen. De politie komt niet omdat hij zelf niet thuis is.

(…)”.

2.19

Bij brief van 30 april 2013 heeft [E] het volgende aan de gemachtigde van de Stichting geschreven:

“(…)

Gisteren, 29 april, kwam ik tegen 22.30 uur thuis en werd al verwelkomd door harde muziek, luid gepraat en ook nog eens luidruchtige hond.

Wat nu weer!

Blijf ik in mijn woning slapen of ga ik ergens anders slapen?

Ik heb besloten om te blijven.

De muziek leek wat zachter te worden en dan maar proberen om te gaan slapen.

Wat natuurlijk niet lukt.

Tegen 24.00 uur werd de muziek luider.

Toen was de maat echt vol.

Politie gebeld.

Terwijl ik de politie aan de telefoon had gingen zij de deur uit, muziek was uit en hond was rustig.

Om 04.45 uur kwamen zij luid stommelend thuis.

Dit is geen doen! Ik schrijf het wel zo rustig op maar inwendig gebeurt er een heleboel. Het neemt bezit van je.

Ook het respect is ver te zoeken vind ik en het voelt alsof ik met mijn rug tegen de muur sta.

Hoe kweek je zenuwpatiënten terwijl diegene die het veroorzaakt er rustig op door leeft.

(…)”.

3 Het geschil

3.1

De Stichting heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de onder 2.1 genoemde huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen één week na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,- voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het te wijzen vonnis nalatig blijft om aan de inhoud van het vonnis te voldoen, alsook hem te veroordelen tot betaling van € 904,- aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Aan die vordering heeft de Stichting, onder verwijzing naar de door haar overgelegde stukken, naast de hiervoor genoemde feiten -samengevat en voor zover thans van belang weergegeven- ten grondslag dat [gedaagde] reeds lange tijd op grote schaal overlast veroorzaakt althans er in ieder geval niet voor zorgdraagt dat vanuit het gehuurde geen overlast aan direct omwonenden wordt veroorzaakt.

De hond van [gedaagde] veroorzaakt al vanaf 2010 ernstige overlast doordat deze zowel overdag als ’s-nachts zijn aanwezigheid in de woning kenbaar maakt middels zodanig luid geblaf dat de medebewoners van het complex vanaf 2010 daarvan overlast ondervinden. Hoewel de Stichting [gedaagde] hier al vele malen op heeft gewezen, blijkt [gedaagde] niet in staat of bereid te zijn ervoor zorg te dragen dat zijn hond geen overlast veroorzaakt aan direct omwonenden.

Daarnaast is het zo dat [gedaagde] vaak in de nachtelijke uren thuiskomt waarna hij, geen rekening houdend met de medehuurders, een ‘vrolijk keihard muziekje’ opzet, waardoor de medebewoners overlast ondervinden. De Stichting verwijst in dit verband naar de door haar als productie 4 bij dagvaarding overgelegde verklaringen van direct omwonenden.

De door [gedaagde] en zijn hond langdurig en structureel veroorzaakte overlast leveren een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] als huurder op. Ondanks de vele waarschuwingen van de Stichting en de toezeggingen van [gedaagde] blijft de overlast voortduren, reden waarom de huurovereenkomst thans dient te worden ontbonden.

Voorts dient [gedaagde] de Stichting een bedrag ad € 904,- aan buitengerechtelijke kosten te vergoeden; de Stichting heeft immers kosten gemaakt in een poging de zaak minnelijk te regelen in dier voege dat [gedaagde] zijn woongedrag zou aanpassen, in verband waarmee de Stichting wijst op de door haar als productie 3 overgelegde brieven.

3.2

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde, waartoe hij -eveneens samengevat en voor zover thans van belang weergegeven- het volgende heeft aangevoerd.

Hij betwist dat hij gedurende lange tijd en structureel overlast veroorzaakt. Daarbij stelt hij voorop dat niet alle woongeluiden als overlast kunnen worden gekwalificeerd. Van overlast is eerst sprake als een huurder gedrag vertoont dat afwijkt van wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. De overlast moet ook naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld, los van de verdraagzaamheid van bewoners.

De Stichting en in het bijzonder de als getuige gehoorde buren hebben echter een subjectief beeld gegeven. Het betreft kennelijk uitsluitend hun eigen -subjectieve- bevindingen.

Daarnaast heeft de Stichting onvoldoende gemotiveerd welke klachten zij met de door de buren afgelegde verklaringen wilde onderbouwen. Hoofdzakelijk wordt in die verklaringen gesproken over muziek, praten bij thuiskomst, geblaf althans het bij binnenkomst aanslaan van de hond en het dichtgooien van de buitendeur en de voordeur; dat kan objectief gezien niet als overlast worden beschouwd.

Verder is van belang dat mensen die, zoals hier, in een flat wonen, er rekening mee moeten houden dat zij op alle momenten van de dag met leefgeluiden van andere bewoners kunnen worden geconfronteerd, zoals het doortrekken van de wc, voetstappen en het blaffen van honden. Wel dient men de overlast die men veroorzaakt en die niet vermeden kan worden, tot een minimum te beperken. [gedaagde] merkt uitdrukkelijk op niet de intentie te hebben huiselijke geluiden te produceren louter om de buren overlast te bezorgen.

[gedaagde], die niet gehuwd is of samenwoont en dus ook wel ’s-nachts thuiskomt, heeft weliswaar een van de andere bewoners van het complex afwijkend leefpatroon, maar dat wil niet zeggen dat dan iedere vorm van overlast dient te worden vermeden; wel dient hij zich zodanig te gedragen dat overlast tot een minimum wordt beperkt. De vermeende overlast deed zich vaak voor bij het thuiskomen van [gedaagde] en met name in het weekeinde. Misschien wordt er dan tijdens de avond- en nachtelijke uren een half uur tot drie kwartier al dan niet luid gesproken. Verder blaft de hond van [gedaagde] bij thuiskomst; dat is niet te vermijden. Overigens is het [gedaagde] toegestaan een hond te houden. Het betreft derhalve eigenlijk normale woongeluiden, die door de gehorigheid van de woning gemakkelijk aan andere bewoners worden doorgegeven.

Voorts betwist [gedaagde] dat uit de door de voorgebrachte getuigen afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat er -objectief gezien- sprake is van overlast. Daarbij merkt hij op dat aan de objectiviteit van [B] kan worden getwijfeld, nu zij, terwijl zij twee verdiepingen boven [gedaagde] woont, volgens haar verklaring meer overlast van [gedaagde] zou ondervinden dan [D] volgens haar verklaring, terwijl [D] dichterbij [gedaagde] woont. Ook zijn er geen politierapporten overgelegd waaruit de gestelde structurele en voortdurende overlast blijkt.

[gedaagde] concludeert dat, alles bij elkaar genomen, er geen bewijs van overlast is.

De vordering dient dan ook te worden afgewezen.

Daarnaast verzet [gedaagde] zich tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4 De beoordeling

4.1

Vooropgesteld wordt dat, voor zover dat al niet uit het beginsel van goed huurderschap zou voortvloeien, [gedaagde] op grond van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde voorwaarden gehouden is ervoor zorg te dragen dat door hem aan omwonenden geen overlast wordt veroorzaakt.

Uit de toelichting van de Stichting blijkt dat de door haar gestelde langdurige en structurele overlast met name ziet op het zeer luide geblaf van de hond van [gedaagde], zowel ’s-nachts als overdag, en op het luidruchtig ’s-nachts thuiskomen van [gedaagde] zelf, en zijn daarop volgend gedrag, zoals het draaien van harde muziek.

Als productie 4 bij dagvaarding heeft de Stichting een overlastregistratieformulier, e-mails en brieven in het geding gebracht, waarin diverse omwonenden van [gedaagde] gedetailleerd, met datum en tijd, hebben uiteengezet dat en in welke vorm zij overlast van [gedaagde] en zijn hond hebben ondervonden. Het betreft dan onder meer ‘met veel kabaal’ ’s-nachts thuis komen, ’s-nachts luidkeels praten, ’s-nachts harde muziek draaien en urenlang aanhoudend geblaf van de hond van [gedaagde] ’s-avonds en ’s-nachts, op vele data en tijden in de periode van 2010 tot en met 2012. Deze stukken, waarop [gedaagde] niet, laat staat gemotiveerd, is ingegaan, bevestigen de door de Stichting gestelde langdurige en structurele overlast door [gedaagde] zelf en zijn hond, die uiteraard tot de verantwoordelijkheid van [gedaagde] behoort.

Ook de door de Stichting als productie 3 overgelegde brieven van haar medewerkster, [G], aan [gedaagde] (zie 2.3-2.9), op de inhoud waarvan [gedaagde] in deze procedure niet is ingegaan, vormen een bevestiging van die gestelde langdurige en structurele overlast. Daaruit blijkt immers dat [gedaagde] meermaals door de Stichting is aangesproken op door hem en zijn hond veroorzaakte geluidsoverlast vanaf eind 2010 tot eind 2012, dat [gedaagde] in daaropvolgende gesprekken met de Stichting die klachten ook heeft (h)erkend en heeft toegegeven op late tijdstippen harde muziek te hebben gedraaid, en dat de Stichting [gedaagde] meermaals heeft gewaarschuwd voor een procedure als deze indien de overlast niet zou ophouden.

Voorts bevestigen de getuigenverklaringen van medebewoners [D], [B] en [E] (zie 2.12-2.14), waaraan op de voet van artikel 192 lid 1 Rv in deze procedure “gewone” bewijskracht toekomt, dat [gedaagde] en zijn hond al jarenlang structureel geluidsoverlast aan de medebewoners van het complex veroorzaken, met name ’s-avonds en ’s-nachts. Hierbij merkt de kantonrechter op dat [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid die verklaringen te ontkrachten door middel van het houden van een contra-enquête.

Daarnaast heeft de gemachtigde van [gedaagde] ter comparitie verklaard dat er in het verleden ‘weleens wat is gebeurd’ en dat [gedaagde] dat ook heeft toegegeven, terwijl [gedaagde] toen heeft verklaard dat hij in een vervelende periode zat ‘toen er sprake was van overlast’, met welke verklaring [gedaagde] kennelijk terugkomt op zijn eerdere betwisting van de gestelde overlast. Bovendien blijkt uit het door de gemachtigde van [gedaagde] overgelegde kort geding vonnis d.d. 25 juli 2013 (zaaknummer 2091838 VV EXPL 13-333) dat [gedaagde] erkent het in het verleden ‘te bont’ te hebben gemaakt (zie 3.3.3 van dat vonnis).

4.2

Uit dit alles blijkt naar het oordeel van de kantonrechter overtuigend dat [gedaagde] en zijn hond in ieder geval in de periode vanaf 2010 tot en met 2012 structureel overlast hebben veroorzaakt voor de medebewoners van het complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, bestaande in ernstige geluidsoverlast ’s-avonds en vooral ’s-nachts, en wel van die omvang en met zo’n frequentie dat [gedaagde] dit niet kan afdoen met een beroep op de subjectieve beleving van de betrokkenen. Van door de medebewoners van het complex te dulden normale woon- en leefgeluiden is geen sprake. Het andersluidende verweer van [gedaagde] wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

4.3

Het structureel en langdurig (blijven) veroorzaken van zulke overlast, ondanks dat [gedaagde] daarop meermaals is aangesproken, levert een tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen jegens de Stichting uit hoofde van de onderhavige huurovereenkomst op en vormt op de voet van artikel 6:265 BW in beginsel grond voor ontbinding daarvan en veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde.

Ter comparitie van partijen heeft de gemachtigde van [gedaagde] nog aangevoerd dat er thans geen sprake is van overlast terwijl [gedaagde] zelf zegt dat zijn leefstijl is veranderd sinds hij als zzp’er werkt. Daarmee beoogt [gedaagde], naar de kantonrechter begrijpt, een beroep te doen op de uitzonderingsgrond van artikel 6:265 lid 1, slot BW. Dit kan [gedaagde] in de gegeven omstandigheden echter niet baten, nu de door hem en zijn hond veroorzaakte overlast daarvoor te structureel en te ernstig wordt beoordeeld. Bovendien is de kantonrechter er bepaald niet van overtuigd geraakt dat [gedaagde] inmiddels zijn woongedrag definitief heeft verbeterd, dit gelet op de klachten over overlast in 2013 zoals die blijken uit de e-mail van [B] d.d. 21 januari 2013 (zie 2.10), de getuigenverklaring van [B] en haar e-mail d.d. 4 april 2013 (zie 2.13), de getuigenverklaring van [E] (zie 2.14), de brief van [E] d.d. 28 april 2013 (zie 2.17), de e-mail van [B] van diezelfde datum (zie 2.18) en de brief van [E] d.d. 30 april 2013, welke klachten (die overwegend betrekking hebben op de periode nadat de Stichting onderhavige procedure had aangevangen) [gedaagde] niet concreet weersproken heeft.

Alles bij elkaar genomen weegt het gewicht van de tekortkoming van [gedaagde] in de gegeven omstandigheden (aanmerkelijk) zwaarder dan zijn woonbelang. Dat betekent dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wordt toegewezen. De ontruimingstermijn wordt in redelijkheid gesteld op veertien dagen.

Ook de in dat verband de Stichting gevorderde dwangsom wordt toegewezen, zij het in redelijkheid gematigd tot een bedrag van € 100,- per dag, tot een maximum van € 5.000,-.

4.4

De door de Stichting gevorderde buitengerechtelijke kosten worden evenwel afgewezen, nu zij, gegeven het door [gedaagde] ter zake gevoerde verweer, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er van haar zijde daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht van dien aard dat het, naast een eventuele proceskostenveroordeling, redelijk is daarvoor van [gedaagde] een vergoeding te verlangen.

4.5

[gedaagde] is hier de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom in de kosten van de procedure veroordeeld, daaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van de Stichting voor het bijwonen van het voorlopig getuigenverhoor en de taxe getuigen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 5.000,-;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 94,79 aan explootkosten, € 112,- aan griffierecht, € 20,- aan taxe getuigen en € 600,- aan salaris voor haar gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

525