ECLI:NL:RBROT:2016:3435 Rechtbank Rotterdam , 09-05-2016 / ROT15_7289

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/7289

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2016 in de zaak tussen


[naam] , te [woonplaats], eiser,

en

Externe klachtencommissie Raad voor de Kinderbescherming, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 3 april 2015 heeft eiser een klacht bij verweerder ingediend.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn brief van 3 april 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Eiser is verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat in onderhavige zaak allereerst de vraag dient te worden beantwoord of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.

1.1

Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 9:1, eerste lid, van de Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan.

In artikel 9:3 van de Awb is bepaald dat tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan geen beroep kan worden ingesteld.

In artikel 9:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis stelt van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel daarover alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Op grond van het tweede lid wordt bij de kennisgeving vermeld bij welke ombudsman en binnen welke termijn de klager vervolgens een verzoekschrift kan indienen.

1.2

De rechtbank overweegt dat de wetgever met het opnemen van hoofdstuk 9 in de Awb betreffende klachtbehandeling en met de uitbreiding daarvan tot het zogenoemde externe klachtrecht de wijze van klachtbehandeling en de uitkomst daarvan als zodanig op een bijzondere wijze heeft geregeld. Als gevolg van de bijzondere regeling van hoofdstuk 9 van de Awb en in het bijzonder van de artikelen 9:3 en 9:12, tweede lid, staan ten aanzien van beslissingen betreffende een klacht(behandeling) niet de gebruikelijke rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger) beroep open.

1.3

De rechtbank stelt vast dat eiser op 12 januari 2015 een klacht heeft ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming (Raad) tegen een raadsmedewerker die op 13 februari 2014 ter zitting heeft opgetreden. Bij afdoeningsbrief van 27 maart 2015 heeft de Raad eiser geïnformeerd over haar bevindingen en over haar oordeel over de klacht. De Raad heeft eiser meegedeeld dat hij binnen zes weken zijn klacht aan de externe klachtencommissie van de Raad kan voorleggen.

Vervolgens heeft eiser op 3 april 2015 een klacht ingediend bij de externe klachtencommissie van de Raad. Omdat een reactie uitbleef, heeft eiser op 9 juli 2015 een ingebrekestelling verzonden en op 17 november 2015 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing.

1.4

Eisers brief van 3 april 2015 betreft een klacht in de zin van de artikelen 9:1 en 9:3 van de Awb. Op grond van artikel 9:3 van de Awb kan tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht geen beroep worden ingesteld.

1.5

Eiser heeft nog betoogd dat sprake is van met een besluit gelijk te stellen weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb. In dat kader heeft eiser er op gewezen dat hij verweerder reeds vele malen schriftelijk om een reactie heeft verzocht en dat hij hierop nimmer antwoord heeft gekregen. Dit betoog faalt. Uit de zinsnede “inzake de behandeling van een klacht” in artikel 9.3 van de Awb volgt dat dit wetsartikel niet alleen betrekking heeft op het oordeel van een bestuursorgaan op een klacht, maar ook op de (fictieve) weigering een klacht (verder of opnieuw) in behandeling te nemen

1.6

Het voorgaande brengt met zich dat, nu eiser geen beroep bij de rechtbank kan instellen, hij evenmin een beroep kan doen op de in afdeling 4.1.3 van de Awb neergelegde dwangsomregeling.

2. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Abdelgabar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.