ECLI:NL:RBROT:2017:2086 Rechtbank Rotterdam , 23-03-2017 / ROT 16/3486

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/3486

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2017 in de zaak tussen


[naam 1] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H. Sanders.

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot tenuitvoerlegging met onmiddellijke ingang van het aan eiseres op 7 september 2015 opgelegde voorwaardelijke strafontslag.

Bij besluit van 29 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2] (plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de Penitentiaire Inrichting (PI) [woonplaats] ) en [naam 3] (HR-adviseur).

Overwegingen

1.1

Eiseres was sinds 16 april 1999 werkzaam als medior penitentiair inrichtingswerker bij de PI [woonplaats] , locatie [plaats 1] . Op 11 maart 2011 heeft eiseres zich ziek gemeld.

Op 11 september 2013 is haar eervol ontslag verleend wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Bij uitspraak van 23 juli 2014 (ROT 14/352) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit tot eervol ontslag herroepen.

Bij brief van 24 juli 2015 heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat zij haar eigen functie weer volledig kan uitoefenen en dat haar WGA-uitkering per 25 september 2015 wordt beëindigd. Tijdens een gesprek op 5 augustus 2015 tussen eiseres en haar werkgever is afgesproken dat eiseres opnieuw de Basis Beroepsopleiding zal gaan volgen en dat ze een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) aanvraagt gelet op de lange periode waarin ze niet werkzaam is geweest. Met ingang van 6 augustus 2015 heeft zij werkzaamheden in het kader van toezicht op de bouw verricht op de locatie [plaats 2] van de PI [woonplaats] .

Op 2 september 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie eiseres op de hoogte gesteld van zijn voornemen de aanvraag van eiseres om een VOG af te wijzen.

Eiseres heeft hiervan op 2 oktober 2015 tijdens een voortgangsgesprek melding gemaakt.

1.2

Eiseres is bij besluit van 7 september 2015 voorwaardelijk ontslag opgelegd. Daarbij is bepaald dat het ontslag pas ten uitvoer zal worden gelegd als eiseres zich binnen twee jaar opnieuw schuldig maakt aan (soortgelijk of enig ander ernstig) plichtsverzuim.

Ter zitting is gebleken dat tegen het voorwaardelijke ontslag niet tijdig bezwaar is gemaakt, zodat dit besluit in rechte vast staat.

1.3

Op 18 november 2015 heeft verweerder, na eiseres in kennis te hebben gesteld van het voornemen daartoe en haar in de gelegenheid te hebben gesteld daarop haar zienswijze te geven, besloten tot ten uitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag. Aan het primaire besluit zijn gedragingen ten grondslag gelegd, die naar het oordeel van verweerder de kwalificatie van ernstig plichtsverzuim opleveren. Het betreft het door eiseres niet tijdig melden dat haar aanvraag om een VOG zal worden afgewezen vanwege antecedenten alsmede het niet melden van deze antecedenten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 14 maart 2016, het primaire besluit gehandhaafd.

3. Op grond van artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 81, derde lid, van het ARAR kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

De Circulaire Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen van 3 november 2009 (Gedragscode) vermeldt dat het opzettelijk verzwijgen van informatie waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die voor een collega of de dienst belangrijk is, niet wordt getolereerd. Verder vermeldt de Gedragscode dat de ambtenaar onder meer een meldplicht heeft als deze zelf verdachte is in een strafzaak.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder andere de uitspraken van 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508 en 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3738) moet bij toetsing van een besluit als het onderhavige tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag alleen beoordeeld worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats meer voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld, en zo ja, of de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen zijn afgewogen en of in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging kon worden gekomen. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.

5. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaarden voor tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag zijn vervuld. Zij overweegt daartoe het volgende.

5.1

Eiseres heeft op 17 augustus 2012 een agent beledigd en mishandeld.

Op 28 mei 2013 heeft eiseres in verband hiermede ter voorkoming van strafvervolging een transactie aanvaard inhoudende taakstraffen van respectievelijk 30 en 50 uren alsmede het betalen van een schadevergoeding van € 400,-. Eiseres heeft deze feiten in weerwil van de Gedragscode niet gemeld bij haar leidinggevende of het bevoegde gezag. Dat eiseres op het moment van het incident arbeidsongeschikt was, maakt niet dat zij daartoe niet verplicht was; ook gedurende arbeidsongeschiktheid gelden de Gedragscode en het ARAR onverkort.

5.2

Voorts heeft eiseres niet betwist dat zij niet tijdig heeft gemeld dat haar aanvraag om een VOG zou worden afgewezen vanwege deze antecedenten. Voor zover eiseres stelt dat verweerder niet bevoegd was haar te vragen een VOG aan te vragen volgt de rechtbank haar daarin niet. Nog daargelaten dat tijdens het gesprek op 5 augustus 2015 is afgesproken dat eiseres een VOG zou aanvragen, is verweerder te allen tijde bevoegd een VOG verplicht te stellen.

5.3

Verweerder heeft de gedragingen kunnen kwalificeren als zeer ernstig plichtsverzuim. Door in strijd met de Gedragscode te handelen heeft eiseres zich niet als een goed ambtenaar gedragen. Het niet melden van haar contact met politie en justitie en het onjuist verklaren over de afgifte van de VOG heeft verweerder eiseres zwaar mogen aanrekenen.

5.4

Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij geen beroep op ontoerekenbaarheid doet, zodat dit geen nadere bespreking behoeft.

6. Verweerder was, gelet op het feit dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan in verband met het besluit van 7 september 2015 relevant plichtsverzuim, bevoegd tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid tot de tenuitvoerlegging had kunnen komen, is niet gebleken. Wat eiseres heeft aangevoerd over een emotionele overreactie, ziet op het incident van 17 augustus 2012 zelf en niet op de tegengeworpen gedragingen. Dat eiseres de antecedenten en de omstandigheid dat de aanvraag om de VOG zou worden afgewezen niet durfde te melden kan niet als verzachtende omstandigheid worden aangemerkt. De meldplicht ziet juist vaak op gevoelige zaken, die als ze niet worden gemeld, een veiligheidsrisico kunnen vormen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, mr. I.M. Ludwig en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.