ECLI:NL:RBROT:2017:3012 Rechtbank Rotterdam , 28-02-2017 / 5500023 VZ VERZ 16-21986

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 5500023 VZ VERZ 16-21986

Uitspraak: 28 februari 2017

Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van


[verzoekster]
,

wonende te [plaatsnaam],

verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. I. Ouwehand (FNV Individuele Belangenbehartiging) te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dolmans Schoonmaakdiensten B.V.,

gevestigd te IJsselstein,

verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mw. mr. N. van den Berg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[verzoekster]” respectievelijk “Dolmans”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen ter griffie op 9 november 2016;

- het verweerschrift, tevens inhoudende voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen, ontvangen ter griffie op 5 januari 2017;

- het verweerschrift in het voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen, ontvangen ter griffie op 10 januari 2017;

- het proces-verbaal van de op 11 januari 2017 gehouden enquête ingevolge de ambtshalve mondelinge beslissing van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek;

- het proces-verbaal van de op 1 februari 2017 gehouden contra-enquête ingevolge de ambtshalve mondelinge beslissing van de kantonrechter tijdens de voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017 en is -na een aanhouding daarvan op verzoek van beide partijen- voortgezet op 1 februari 2017.

[verzoekster] is daarbij in persoon verschenen, vergezeld van haar dochter, mevrouw [naam dochter], en bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Ouwehand en een tolk in de Turkse taal.

Dolmans is verschenen bij mevrouw [B.] (manager personeelszaken bij Dolmans) bij beide behandelingen, mevrouw

[C.] (objectleidster bij Dolmans) en de heer [D.] (projectmanager bij Dolmans), bijgestaan door de gemachtigde, mr. Van den Berg. Partijen hebben ieder hun standpunten mondeling toegelicht, waarbij de gemachtigde van Dolmans gebruik heeft gemaakt van een schriftelijke pleitnota. Van hetgeen op de terechtzitting is besproken, heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De beschikking is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Dolmans exploiteert een schoonmaakonderneming.

2.2

[verzoekster], geboren op [geboortedatum], is sinds 1 april 2015 voor onbepaalde duur in dienst van Dolmans, laatstelijk in de functie van “medewerker algemeen schoononderhoud I” tegen een bruto uurloon groot € 11,69, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en emolumenten, bij een werkweek van 30,25 uur.

2.3

Eerder, direct voorafgaand aan het dienstverband bij Dolmans, was [verzoekster] op hetzelfde object als waar zij werkzaam is/was voor Dolmans - [naam ziekenhuis] - , in dienst van schoonmaakbedrijf Hago vanaf 1 september 2010.

2.4

In artikel 14 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:

Werknemer verklaart zich ermee bekend dat hij/zij het vertrouwen geniet met betrekking tot de eigendommen van de klant van werkgever. Indien werkgever constateert dat werknemer dit vertrouwen beschaamt door eigendommen van de klant van werkgever, waarbij de waarde geen rol speelt, weg te nemen, daaronder mede begrepen het gebruik maken van telefoon van de klant anders dan in noodgevallen, zal werkgever dit te allen tijde aanmerken als een dringende reden met ontslag op staande voet tot gevolg.

2.5

Het object [naam ziekenhuis], een psychiatrisch ziekenhuis, bestaat uit meerdere paviljoenen. [verzoekster] was tewerkgesteld op de locatie genaamd [naam locatie], zijnde de opdrachtgever van Dolmans. Op die locatie zijn zogeheten “Algemene gedrag- en huisregels” van toepassing. In die regels is, voor zover thans relevant, het volgende vastgelegd:

“(…)

Omgang eigendommen Dolmans

(…) je moet zorgvuldig omgaan met de spullen van Dolmans en mag niets meenemen wat niet van jou is. De spullen zijn bedoeld voor gebruik in het bedrijf en zijn dus ook bedrijfseigendom. Dus ook niet rolletjes plakband, dat melk- of suikerzakje of wat papier.

(…)

Gedrag tijdens uw werkzaamheden

-

Kom nooit in bureauladen of kasten die in gebruik zijn bij de klant.

-

Kom nooit aan eigendommen van cliënten.

(…)

Sanctiebeleid

Onder onacceptabel gedrag wordt verstaan: (…)

Diefstal

(…)

Bij alle hierboven genoemde vergrijpen zal in overleg met de Manager Personeelszaken in de regel ontslag volgen. (…)”

2.6

[verzoekster] maakt bij haar werkzaamheden gebruik van een werkkarretje/trolley van Dolmans, waarin de materialen en schoonmaakmiddelen liggen die [verzoekster] nodig heeft voor haar dagelijks werk, waaronder ook vuilniszakken.

2.7.

Op de locatie waar [verzoekster] te werk is gesteld is een werkkast van Dolmans aanwezig, met daarin de werkmaterialen van Dolmans opgeslagen. [verzoekster] dient voor haar werkzaamheden gebruik te maken van de werkmaterialen uit de werkkast van Dolmans.

2.8

[verzoekster] werkt gewoonlijk op zondagen 4,5 uur, te beginnen om 6.00 uur en eindigend op 10.30 uur. Op zondag 18 september 2016 heeft [verzoekster] op verzoek van Dolmans langer dan gebruikelijk doorgewerkt in verband met ziekte van een collega.

2.9

Tijdens haar werkzaamheden op de betreffende zondag 18 september 2016 heeft [verzoekster] uit de voorraadkast van [naam locatie] (derhalve niet zijnde de werkkast van Dolmans) een pakje koekjes, een pakje drinken en een rol vuilniszakken gepakt. Zij heeft deze spullen in een vuilniszak gestopt en op haar werkkarretje/trolley neergelegd. Een en ander is op camerabeelden waar te nemen, die zijn vastgelegd met de camera’s die binnen de locaties zijn geplaatst, onder meer boven de betreffende voorraadkast van [naam locatie].

2.10

Vervolgens heeft [verzoekster] een koekje en een bekertje sap genuttigd.

2.11

Op dinsdag 20 september 2016 heeft Dolmans telefonisch contact gehad met [verzoekster] en is zij uitgenodigd voor een gesprek. Dat gesprek vond plaats op woensdag 21 september 2016 ten kantore van Dolmans. In dat gesprek heeft de heer [D.] (projectmanager) aan [verzoekster] medegedeeld dat zij is geschorst en dat Dolmans nader onderzoek gaat verrichten naar hetgeen op 18 september 2016 is voorgevallen. Tegelijkertijd is zij uitgenodigd voor een gesprek, twee dagen later, op vrijdag

23 september 2016.

2.12

Partijen hebben elkaar vervolgens gesproken op 23 september 2016.

Namens Dolmans waren bij dat gesprek aanwezig mevrouw [B.] (manager personeelszaken), mevrouw [C.] (objectleidster) en de heer

[D.].

2.13

Tijdens meergenoemd gesprek is [verzoekster] geconfronteerd met de bevindingen als vastgelegd op de camerabeelden die zijn gemaakt op zondag 18 september 2016. Aan het eind van het gesprek is aan [verzoekster] medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen.

2.14

Bij brief, gedateerd 23 september 2016, is het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet bevestigd. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

“(…)

4. Vanmorgen heb ik u meerdere keren gevraagd wat er was gebeurd. U bleef aangeven dat er niets was gebeurd. Op het moment dat de heer [D.] de kamer verliet gaf u toe dat u uit de kast drinken en iets te eten heeft gehaald. Als reden gaf u aan dat u geen geld heeft om eten te kopen. Ik heb u aangegeven dat u niets te zoeken heeft in de betreffende kast. Deze is immers van de klant.

5. Als gevolg van deze bekentenis hebben wij u de camerabeelden laten zien op het hoofdkantoor van [naam locatie]. Het was duidelijk te zien dat u 2 keer spullen uit de kast van de klant heeft weggenomen. U heeft erkend dat u inderdaad spullen uit de kast heeft weggenomen. Ik heb u nogmaals aangegeven dat u niets te zoeken heeft in de kast van onze klant.

6. U bent er door mij op aangesproken dat liegen voor ons als werkgever en door de opdrachtgever niet wordt getolereerd.

7. Ik heb u medegedeeld dat door deze diefstal de klant geen vertrouwen meer heeft in u en dat u met onmiddellijke ingang ontslag op staande voet krijgt vanwege diefstal. U heeft erkend dat u bij uw indiensttreding de houding en gedragsregels van [naam locatie] heeft ontvangen. In dit reglement staat dat bij diefstal ontslag volgt.

(…)

CONCLUSIE:

Met ingang van vrijdag 23 september 2016 hebben wij u op staande voet ontslagen in verband met diefstal, welke u heeft erkend te hebben gepleegd.

(…)”

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoekster] heeft (primair) verzocht -kort gezegd- het aan haar op 23 september 2016 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en Dolmans te veroordelen tot betaling van enkele bedragen aan achterstallig loon (vermeerderd met rente en wettelijke verhoging), alsmede te veroordelen tot wedertewerkstelling, met veroordeling van Dolmans in de kosten van het geding.

3.2

Subsidiair heeft zij verzocht om veroordeling van Dolmans tot betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW groot € 25.000,- bruto, alsmede de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW groot € 3.309,44 bruto en voorts een bedrag aan loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren ex artikel 7:671 BW groot € 4.582,30 bruto, eveneens met veroordeling van Dolsmans in de kosten van het geding.

3.3

Aan dat verzoek heeft [verzoekster] het volgende (samengevat weergegeven) ten grondslag gelegd. Aangevoerd wordt dat geen sprake is geweest van diefstal door [verzoekster], zodat, daarop voortbordurend, evenmin gesproken kan worden van een dringende reden voor het ontslag. Op zichzelf genomen is wel juist dat, zoals ook op de camerabeelden die zijn gemaakt op zondag 18 september 2016 is te zien, [verzoekster] tijdens haar werkzaamheden de voorraadkast van [naam locatie] (de opdrachtgever waar zij werkte) is ingegaan om daar iets uit te pakken. Dat betrof een rol vuilniszakken, een pak koekjes en een pak drinken.

De rol vuilniszakken heeft [verzoekster] nodig voor haar werkzaamheden als schoonmaakster.

Zij weet niet beter dan dat zij, als zij werkspullen moet aanvullen, dat doet uit de voorraadkast van [naam locatie]. Dat is een gewoonte binnen haar werk. In die voorraadkast ligt toiletpapier, papieren handdoeken, vuilniszakken etc., die [verzoekster] nodig heeft.

Het pakje koekjes en pak drinken heeft [verzoekster] uit nood gepakt. Zij moest namelijk die zondag onverwachts langer doorwerken waardoor de noodzaak ontstond voor [verzoekster] om tijdens het werk en om medische reden iets te eten en te drinken, zodat zij haar medicijnen kon innemen. Dat heeft zij gedaan door een koekje en wat te drinken te nemen uit de voorraadkast van [naam locatie]. Het restant van de koekjes en het pak drinken heeft zij weggegooid in haar werkkarretje en dus niet meegenomen naar huis. Van de door Dolmans gestelde diefstal van eigendommen van [naam locatie] is geen sprake. [verzoekster] heeft niets gestolen. [verzoekster] heeft nooit eerder dan die bewuste zondag iets te eten gepakt uit de kast van [naam locatie]. Dat deed zij die dag voor het eerst en ook alleen vanwege haar medicatie. Daar komt nog bij dat [verzoekster] al sinds jaar en dag in de schoonmaakbranche werkt, dat zij altijd goed heeft gefunctioneerd (een onberispelijke staat van dienst) en dat zij die dag haar normale werk heeft gedaan, zoals zij dat altijd deed.

4 Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek

4.1

Dolmans heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding.

Samengevat betoogt zij dat het ontslag op staande voet stand houdt, dat sprake is geweest van diefstal door [verzoekster] en dat - om die reden - geen plaats is voor enige vergoeding, noch een billijke vergoeding, noch de wettelijke transitievergoeding. Dolmans verwijst ter onderbouwing van haar verweer naar de camerabeelden, die door haar bij de processtukken zijn overgelegd. Voor Dolmans staat vast dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Dat is voor Dolmans onacceptabel en ingeval van diefstal volgt ontslag op staande voet.

4.2

Dolmans voert als verweer dat op de camerabeelden te zien is dat [verzoekster] tijdens haar werk bij [naam locatie] op zondag 18 september 2016 de voorraadkast van [naam locatie] ingaat, daar enige tijd bezig is, en vervolgens -tweemaal- met een gevulde vuilniszak uit de voorraadkast loopt en deze onderop haar werkkarretje legt. Het gaat, zo is uit de omvang van de vuilniszakken die zij gevuld meeneemt op te maken, volgens Dolmans om meer dan alleen het pakje koekjes en pak drinken waarover [verzoekster] heeft verklaard. Bovendien is [verzoekster] niet consistent geweest in haar verklaringen. Zij stelt nu dat zij om medische reden

-en omdat zij langer moest doorwerken-, haar medicijnen moest innemen die dag en dat zij (daarom) iets te eten en te drinken heeft genomen.

Evenwel, aanvankelijk, dat wil zeggen tijdens het gesprek op vrijdag 23 september 2016 heeft zij verklaard dat zij geen geld had voor eten en drinken en dat zij om die reden de spullen uit de voorraadkast van [naam locatie] heeft gepakt.

Voor Dolmans staat hoe dan ook vast dat [verzoekster] tot tweemaal toe een vuilniszak vult met spullen uit de voorraadkast van [naam locatie]. Zij heeft daarover die zondag niets gemeld bij [naam locatie] en evenmin bij Dolmans. Dat is diefstal en dat op zichzelf levert een dringende reden op voor de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst. De omvang van de diefstal speelt, naar vaste jurisprudentie, hierin geen rol. Het ontslag is daarom terecht gegeven, zodat alle primaire verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen, aldus nog steeds Dolmans. Datzelfde geldt voor de subsidiaire verzoeken van [verzoekster].

4.3

In het voorwaardelijk tegenverzoek heeft Dolmans verzocht de arbeidsovereenkomst (dat wil zeggen voor zover het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt en de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd op 23 september 2016) te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onder a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onder e, subsidiair onder g, BW. Naar het oordeel van Dolmans is sprake van een redelijke grond (primair gelegen in het verwijtbaar handelen van [verzoekster], subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding) en is herplaatsing van [verzoekster] in een andere passende functie niet aan de orde. Zij verzoekt daarbij tevens om te bepalen dat, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verzoekster] als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 sub c BW, Dolmans niet de transitievergoeding aan [verzoekster] verschuldigd is.

4.4

[verzoekster] heeft op haar beurt verweer gevoerd in het voorwaardelijk tegenverzoek. Voor zover daaraan wordt toegekomen, zal op dat verweer nader worden ingegaan.

4.5

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd zal, voor zover relevant, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

5 De beoordeling van de beide verzoeken

5.1

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek dermate verweven, dat deze gezamenlijk beoordeeld kunnen worden.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd en voorts (in het geval daaraan wordt toegekomen) in het voorwaardelijk tegenverzoek om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden, op de door Dolmans aangevoerde gronden.

5.2

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven. Daartoe wordt het volgende overwogen. Aan het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet, is -kort gezegd- ten grondslag gelegd dat zij, zoals in de ontslagbrief van

23 september 2016 aan [verzoekster] is medegedeeld, diefstal heeft gepleegd doordat zij op zondag 18 september 2016 twee keer spullen uit de voorraadkast van [naam locatie] heeft weggenomen. Dit is ook met haar besproken in het gesprek op 23 september 2016.

5.3

[verzoekster] is tevens in de gelegenheid gesteld de camerabeelden te bekijken, hetgeen zij heeft gedaan. Die camerabeelden zijn bovendien tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek op 11 januari 2017 in aanwezigheid van partijen -en dus ook [verzoekster]- nauwgezet, van seconde tot seconde, bekeken. [verzoekster] heeft daarbij steeds haar visie op de beelden kunnen geven, meer in het bijzonder wat zij in de voorraadkast van [naam locatie] heeft gepakt en waarom zij dat heeft gedaan. Daar komt nog bij dat [verzoekster] als getuige is gehoord in contra-enquête op 1 februari 2017, tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling van het verzoek.

5.4

Op grond van de thans vaststaande bevindingen, zoals ook te zien op de door Dolmans overgelegde camerabeelden, die verder door [verzoekster] niet zijn weersproken, alsmede hetgeen Dolmans in haar processtukken gedetailleerd en met tijdstippen heeft aangevoerd (onderbouwd met de genoemde camerabeelden), stelt de kantonrechter vast dat op de beelden van zondag 18 september 2016 het volgende is waar te nemen;

- [10.36 [10.36 uur] [verzoekster] komt met haar werkkarretje aangelopen in de hal, zij zet haar karretje stil, loopt de betreffende voorraadkast van [naam locatie] in. Het licht in de voorraadkast gaat aan en [verzoekster] maakt bewegingen in de kast (zij loopt heen en weer). Er wordt iets gepakt in de kast door [verzoekster], zij maakt links en rechts met beide armen bewegingen. Zij loopt vervolgens uit de kast naar buiten terug naar haar werkkarretje;

- [10.37 [10.37 uur] [verzoekster] pakt een vuilniszak van haar werkkarretje en loopt daarmee terug naar de voorraadkast. Zij loopt heen en weer in de kast, van links naar rechts. Zij is even bezig in de kast en loopt dan weer naar buiten met in haar rechterhand een gevulde vuilniszak en legt deze op/onderin haar karretje;

- [10.38 [10.38 uur] [verzoekster] staat bij haar werkkarretje, pakt van een rol opnieuw een grijze vuilniszak en loopt terug naar de voorraadkast. Zij is daar bezig en maakt bewegingen. Zij loopt daarna uit de kast en sluit de deur. In haar rechterhand houdt zij een gevulde, grijze vuilniszak vast. Zij stopt de zak onderop haar werkkarretje en loopt weg met het karretje naar rechts de gang in.

5.5

[verzoekster] erkent dat zij heeft gehandeld zoals hiervoor samengevat is weergegeven.

Ter zitting van 11 januari 2017 heeft zij desgevraagd (en samengevat weergegeven) verklaard dat zij toiletpapier en handdoekpapier nodig had voor haar werk. Dat zocht zij in de voorraadkast van [naam locatie]. Zij heeft inderdaad tweemaal een grijze vuilniszak van haar werkkarretje gepakt en die gevuld met spullen uit de voorraadkast van [naam locatie].

Zij had grote vuilniszakken nodig voor haar werk. Die zocht zij in de kast en heeft zij in de kleine grijze vuilniszak gestopt, waarmee zij uit de voorraadkast naar buiten loopt.

Dat [verzoekster] een pakje koekjes en een pak drinken heeft meegenomen uit de kast en in de grijze vuilniszak heeft gestopt, zoals zij eerder tegenover Dolmans had verklaard, heeft [verzoekster] ter zitting wederom erkend. Als reden geeft zij ter zitting aan dat zij dat heeft gedaan omdat zij langer moest doorwerken en haar medicatie moest innemen.

[verzoekster] is vervolgens op haar verzoek in contra-enquête als getuige gehoord op 1 februari 2017. Zij heeft als getuige over de gebeurtenissen op 18 september 2016, voor zover thans relevant, het volgende verklaard:

“(…) Het klopt dat in het gesprek op 23 september 2016 is besproken dat ik iets te eten en te drinken heb gepakt uit de werkkast van [naam locatie] tijdens het werk. Ik heb ook gezegd dat ik plastic afvalzakken uit die kast heb meegenomen.

U vraagt mij waarom ik het eten en het drinken heb gepakt. Ik heb gezegd in het gesprek dat ik trilde. Nu u dit zo voorleest, merk ik op dat ik bedoeld heb dat ik iets moest eten en drinken om mijn tablet in te nemen. Ik heb iets te drinken genomen om een tabletje in te nemen en een koekje. Dat deed ik in mijn eigen werkkast, nadat ik eerst nog mijn handen had gewassen. De rest van het eten en drinken heb ik in de prullenmand in mijn werkkarretje gegooid. Op uw vraag waarom ik geen water uit de toiletruimte heb genomen voor het innemen van mijn tablet in plaats van eten en drinken uit de werkkast van [naam locatie], antwoord ik u dat ik op mijn werkplek in [naam ziekenhuis] geen water drink omdat ik dat vies vind.

U houdt mij voor dat mevrouw [B.] de vorige keer als getuige heeft verklaard dat zij niets wist over medicijngebruik. Ik heb dat wel gezegd tijdens het gesprek op

23 september 2016.

U houdt mij voor dat mevrouw [C.] de vorige keer als getuige heeft verklaard dat ik heb gezegd dat ik het eten en drinken heb meegenomen omdat ik geen geld heb. Het klopt dat mevrouw [C.] mij heeft gevraagd waarom ik eten en drinken heb gepakt. Ik heb haar gezegd dat ik mijn geld thuis was vergeten.

U houdt mij voor dat mevrouw [C.] niets heeft verklaard over medicijngebruik.

Ik heb dat toen wel gezegd in dat gesprek. (…)”

5.6

De kantonrechter neemt op grond van de processtukken, de camerabeelden en hetgeen ter zitting is besproken, alsmede de inhoud van de getuigenverklaringen als vastgelegd in het proces-verbaal daarvan, als vaststaand aan dat [verzoekster] inderdaad, zoals door Dolmans ook is betoogd, zonder gegronde reden en/of voorafgaande toestemming van [naam locatie] dan wel Dolmans spullen heeft meegenomen uit de voorraadkast van [naam locatie].

Die spullen betroffen, zo is ook vast komen te staan, een rol vuilniszakken, een pakje koekjes en een pak drinken.

Op vragen van de kantonrechter waarom [verzoekster] heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan, en waarom zij tot tweemaal toe de voorraadkast is ingegaan met een lege vuilniszak die zij dan vult met spullen uit de voorraadkast en op haar werkkarretje neerlegt, heeft [verzoekster], ook na herhaaldelijk doorvragen, geen eenduidig antwoord kunnen geven. Zij wisselt wat betreft de details van haar antwoord op die vragen voortdurend. Een plausibele verklaring voor haar handelwijze heeft zij tot op heden dan ook niet kunnen geven.

Niet duidelijk is geworden waarom [verzoekster] haar werkspullen (vuilniszakken) bijvult vanuit de voorraadkast van [naam locatie]. Er is, zo is onweersproken door Dolsmans aangevoerd, een aparte voorraadkast met daarin de werkmaterialen van Dolmans. Voor zover [verzoekster] werkspullen moet bijvullen (papieren handdoeken, toiletpapier, vuilniszakken, schoonmaakmiddelen etc.) dan gebeurt dat vanuit de werkkast van Dolmans en uitdrukkelijk niet vanuit de voorraadkast van [naam locatie]. Een gebruik om dat anders te doen en dus wel spullen uit die kast bij te vullen, zoals [verzoekster] heeft gesteld, is de kantonrechter niet gebleken en ligt bovendien ook niet voor de hand. Waarom [verzoekster] dan toch een rol vuilniszakken uit de voorraadkast van [naam locatie] pakt voor haar werkzaamheden, én deze dan (ver)stopt in een andere vuilniszak, is tot op heden onduidelijk gebleven.

Voor wat betreft het pakje koekjes en pak drinken heeft [verzoekster], kort gezegd, betoogd dat er een medische noodzaak was. Dolmans heeft dat gemotiveerd weersproken, waarbij zij meer in het bijzonder heeft betoogd dat [verzoekster] nooit eerder iets heeft verklaard of gezegd over medicatie die zij moest innemen op de werkplek. Zo daarvan sprake is geweest, lag het op haar weg dat te melden bij een medewerker van [naam locatie], dan wel had zij dat meteen dan wel de dag daarop, maandag 19 september, bij Dolmans moeten melden. Dat heeft [verzoekster] nagelaten. Ook in het gesprek van vrijdag 23 september 2016 is door [verzoekster] geen melding gemaakt van medicatie die zij moest innemen, aldus Dolmans.

5.7

De kantonrechter overweegt dat ook op dit onderdeel van haar verklaringen, de medische noodzaak van het meenemen van een pakje koekjes en pak drinken om die te nuttigen, [verzoekster] wispelturig is in haar verklaringen tot dusver, hetgeen meer vraagtekens oproept dan dat zij daaromtrent helderheid verschaft.

Volgens Dolmans heeft zij in het gesprek op 23 september 2016 verklaard dat zij geen geld heeft voor eten en drinken en dat zij daarom koek en drinken heeft gepakt uit de voorraadkast. Later heeft [verzoekster] die verklaring veranderd, in die zin dat zij in het kader van deze procedure betoogt dat er een medische noodzaak was voor [verzoekster] om haar medicijnen in te nemen en dat zij daarom eten/drinken uit de voorraadkast heeft gepakt.

5.8

Die door haar gestelde medische noodzaak heeft zij, hoewel zij daartoe ruim de gelegenheid heeft gehad, op geen enkele wijze nader onderbouwd, noch met medische stukken, noch met een verklaring van een arts of iets dergelijks. Bovendien hebben de getuigen aan de zijde van Dolsmans, mevrouw [B.] (manager personeelszaken bij Dolmans) en mevrouw [C.] (objectleidster bij Dolmans) beiden verklaard dat tijdens het gesprek niet aan de orde is geweest dat [verzoekster] medicijnen moest gebruiken.

5.9

Het voorgaande tezamen bezien leidt de kantonrechter tot geen andere conclusie dan dat vast is komen te staan dat [verzoekster] tijdens haar werk op zondag 18 september 2016 tot tweemaal toe uit de voorraadkast van [naam locatie] spullen (een rol vuilniszakken, een pak koekjes en een pak drinken) heeft meegenomen en op haar werkkarretje heeft gelegd. Een geloofwaardige én consistente verklaring voor haar handelwijze heeft [verzoekster] niet kunnen geven. Daarmee staat vast dat zij de eigendommen van [naam locatie] heeft meegenomen. Dat kwalificeert als diefstal. Hetgeen [verzoekster] verder nog heeft aangevoerd, te weten dat zij al sinds 1991 in de schoonmaakbranche werkt, dat zij altijd met veel plezier heeft gewerkt en een onberispelijke staat van dienst heeft, leiden (aangenomen dat daarvan sprake is) niet tot een ander oordeel en doen evenmin af aan de ernst van de gedraging. Dolmans moet te allen tijde op haar medewerkers kunnen vertrouwen, nu deze te werk worden gesteld bij de opdrachtgever en in die functie dagelijks te maken hebben met eigendommen van haar opdrachtgevers. In die rol zijn integriteit en betrouwbaarheid essentieel.

5.10

De kantonrechter komt tot de slotsom dat de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast zijn komen te staan en een dringende reden opleveren in de zin van artikel 7:677 BW en dat Dolmans dat ontslag dan ook op goede gronden heeft gegeven.

Het primaire verzoek van [verzoekster] tot vernietiging zal daarom worden afgewezen.

Reeds daarom treffen alle (primair gevorderde) nevenverzoeken van [verzoekster], als hiervoor onder r.o. 3.1 weergegeven, hetzelfde lot.

5.11

[verzoekster] heeft subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet is geëindigd, verzocht om een billijke vergoeding en de wettelijke transitievergoeding. Die vorderingen liggen voor afwijzing gereed, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen en beslist met betrekking tot het primaire verzoek van [verzoekster]. De kantonrechter heeft hiervoor immers uitvoerig uiteen gezet en geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel betoogt kan worden dat een dringende reden niet -zonder meer- samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval

(de diefstal) ook een ernstige verwijtbaarheid op. Er is met andere woorden sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW.

5.12

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het subsidiaire verzoek om toekenning van die billijke vergoeding eveneens worden afgewezen.

5.13

Eenzelfde oordeel geldt voor de transitievergoeding.

Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Daarvan is in dit geval gebleken, zodat Dolmans op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 7, onder c, BW ook geen transitievergoeding verschuldigd is.

5.14

Door Dolmans is op de voet van artikel 7:671b BW een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingediend.

Dit verzoek is primair gebaseerd op de redelijke grond als opgenomen onder artikel 7:669 lid 3 onder e BW, namelijk het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster], zodanig dat van Dolmans in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing wordt verwezen naar het feitencomplex dat heeft geleid tot het ontslag op staande voet. Subsidiair wordt een beroep gedaan op de redelijke grond onder g van laatstgenoemd artikel, te weten een verstoorde arbeidsverhouding.

5.15

De vraag die zich echter opdringt, is of Dolmans nog belang heeft bij haar voorwaardelijk ingediende ontbindingsverzoek, nu de afwijzing van het verzoek tot vernietiging meebrengt dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter rechtsgeldig is beëindigd. Strikt genomen moet dus worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de aan het verzoek verbonden voorwaarde. Dolmans heeft immers verzocht de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, dat wil zeggen indien het gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd. Nu is geoordeeld dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven, is bedoelde voorwaarde niet vervuld. Verder wordt in dit verband nog gewezen op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 23 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2998) waarin (onder meer), is geoordeeld dat indien het door de werknemer ingediende verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, de werkgever - al naar gelang de formulering van de voorwaarde - geen belang meer bij het voorwaardelijke ontbindingsverzoek heeft. Laatstgenoemde situatie doet zich in de onderhavige zaak voor, zodat geoordeeld moet worden dat Dolmans, gelet op de voorwaarde waaronder zij haar voorwaardelijk verzoek heeft ingediend, geen belang meer bij dat verzoek heeft.

5.16

Dat geldt evenwel niet voor het onderdeel van het verzoek van Dolmans waarin zij heeft verzocht om te bepalen dat zij geen transitievergoeding aan [verzoekster] verschuldigd is.

Dat verzoek ligt, gelet op al hetgeen hiervoor al is overwogen, in het bijzonder onder r.o. 5.13, voor toewijzing gereed, een en ander als hierna in het dictum is bepaald.

5.17

In de uitkomst van deze procedure wordt aanleiding gezien [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

inzake het verzoek van [verzoekster]:

wijst het verzoek af;

inzake het voorwaardelijk tegenverzoek van Dolmans:

bepaalt dat Dolmans geen transitievergoeding aan [verzoekster] is verschuldigd;

wijst het verzoek voor het overige af;

inzake het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek:

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Dolmans begroot op € 900,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

741