ECLI:NL:RBROT:2017:3811 Rechtbank Rotterdam , 13-04-2017 / 15.2196

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 13 april 2017


[naam]

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekster,

curator: mr. J. Kloots.

1 De procedure

Verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van haar op 8 september 2015 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Verzoekster en de curator zijn gehoord ter terechtzitting van 30 maart 2017.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Bij brief van 6 februari 2017 heeft de curator positief geadviseerd ten aanzien van het verzoek. De curator heeft bericht dat verzoekster geen baan heeft en dat zij hem heeft meegedeeld dat zij op zoek is geweest naar een baan. De curator kan niet beoordelen of zij zich daarbij voldoende heeft ingespannen. De kans dat verzoekster met succes de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling kan nakomen acht de curator redelijk groot, zeker nu verzoekster kinderen te onderhouden heeft. Met betrekking tot de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden heeft de curator gemeld dat verzoekster kennelijk – ten onrechte – heeft vertrouwd op advies van derden over het laten verblijven van eigen kinderen op het eigen kinderdagverblijf. Daaruit is de grootste schuld – aan de belastingdienst – voortgekomen.

Ter terechtzitting heeft de curator verklaard dat de administratie van de onderneming van verzoekster niet voldeed aan de wettelijke eisen. De curator is evenwel van mening dat dit toelating tot de schuldsaneringsregeling niet in de weg hoeft te staan omdat het om een kleine onderneming gaat. De curator kan zich voorstellen dat de schuld aan de belastingdienst toelating in de weg zou kunnen staan, maar de curator heeft het idee dat verzoekster één en ander niet helemaal begrijpt en dat zij adviezen te gemakkelijk heeft opgevolgd.

Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat zij er niet bij stilgestaan heeft dat zij geen recht zou hebben op kinderopvangtoeslag voor het opvangen van haar eigen kinderen in haar eigen kinderopvangorganisatie. Haar werknemers vingen de kinderen in de opvang op. Zij deed zelf de administratie, maakte schoon en verzorgde de reclame. Van de toeslag werden lopende kosten van het kinderdagverblijf betaald. Verzoekster heeft verklaard dat zij op het formulier van de belastingdienst had ingevuld dat zij ondernemer was, maar dat zij daarbij niet kon aangeven dat de kinderopvang waar haar kinderen waren ingeschreven haar eigen onderneming was. Verzoekster heeft voorts verklaard dat zij pas in 2014 een brief kreeg van de belastingdienst dat de kinderopvangtoeslag teruggevorderd werd. Doordat zij geen kinderopvangtoeslag meer kreeg en enige andere ouders ook niet betaalden, kwam haar onderneming in de problemen en kon zij haar werknemers niet meer betalen. Voorts heeft verzoekster verklaard dat zij te laat inkomstenwijzigingen heeft doorgegeven aan de belastingdienst waardoor zij teveel huurtoeslag en kindgebondenbudget heeft ontvangen.

3 De beoordeling

Alvorens tot inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te gaan, dient de vraag te worden beantwoord of verzoekster een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. Nu het faillissement op eigen aangifte van verzoekster is uitgesproken, is het verzoek ontvankelijk.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat een verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Bij de beoordeling wordt voorts acht geslagen op de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling zoals opgenomen in Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.

Verzoekster heeft geen deugdelijke administratie van de door haar gevoerde onderneming aan de curator overhandigd. Het opmaken van jaarstukken en het voeren van een deugdelijke administratie is een belangrijke verplichting van een ondernemer, ongeacht of sprake is van een grote dan wel een kleine onderneming. Nu verzoekster niet aan die verplichting heeft voldaan, heeft verzoekster onvoldoende inzage in de rechten en verplichtingen van de gevoerde onderneming verschaft.

Daarnaast staat op de schuldenlijst van verzoekster een schuld van in totaal € 131.441,00 aan de Belastingdienst. Deze schuld is als volgt opgebouwd.

- € 1.921,00 in verband met te veel ontvangen huurtoeslag in de jaren 2010 en 2011;

- € 7.747,00 in zake inkomstenheffing 2013.

- € 1.281,00 aan teveel ontvangen kindgebondenbudget 2013;

- € 100.012,00 aan ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag in de jaren 2009 tot en met 2013;

- € 17.769,00 betreffende loonheffing 2015;

- € 2.711,00 ontstaan in 2016. Het is niet bekend waar dit bedrag betrekking op heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om bij het aanvragen van toeslagen er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft ter terechtzitting erkend dat zij dit niet heeft gedaan. Verzoekster heeft over een periode van vijf jaar ten onrechte kinderopvangtoeslag ontvangen, omdat zij haar kinderen in haar eigen kinderopvang opnam wat niet is toegestaan. Daar komt bij dat zij de kinderopvangtoeslag niet heeft aangewend waarvoor deze werd verstrekt. Verzoekster gebruikte de ontvangen kinderopvangtoeslag als financiering voor haar onderneming.

Verzoekster heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Het is de verantwoordelijkheid van verzoekster om uit te zoeken of zij in haar geval recht op kinderopvangtoeslag had. Dit heeft zij nagelaten. Zij had haar vragen rechtstreeks aan de belastingdienst kunnen en moeten stellen. Dat zij is afgegaan op adviezen en informatie van anderen moet voor haar risico blijven. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat zij het bedrag waarop geen recht bestond heeft aangewend om haar onderneming draaiende te houden. Zij had moeten begrijpen dat de kinderopvangtoeslag daarvoor niet was bedoeld. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Van een wending ten goede, in die zin dat verzoekster inmiddels de oorzaken die tot het ontstaan van de schulden hebben geleid, onder controle heeft gekregen, is vooralsnog niet gebleken, nu niet is gebleken dat verzoekster actief op zoek is naar fulltime betaald werk en nu er ook recent nog schulden (aan de Belastingdienst) zijn ontstaan, waarover verzoekster geen helderheid heeft kunnen geven.

De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot opheffing van haar faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.J. van Spengen, V.M. de Winkel en C. de Jong, rechters, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 april 2017.1

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Verder lezen