ECLI:NL:RBROT:2017:3832 Rechtbank Rotterdam , 16-05-2017 / 10/220427-15

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-220427-15

Datum uitspraak: 16 mei 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R. Bonis, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. W.B.J. ten Have, heeft gevorderd:

-

bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

-

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 89 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering en dat hij een ambulante behandeling zal ondergaan, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Papendrecht, meermalen telkens een persoon, [naam slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] , waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht , bestaande dat overwicht hieruit dat hij, verdachte, veel ouder was dan die [naam slachtoffer] en wist dat die [naam slachtoffer] 16 en/of 17 jaar was, telkens opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, te weten het meermalen, althans eenmaal, :

- zich laten pijpen door die [naam slachtoffer] , en/of

- zich laten aftrekken door die [naam slachtoffer] , en/of

- vingeren van die [naam slachtoffer] , en/of

- likken/zuigen aan de vagina van die [naam slachtoffer] , en/of

- wrijven over de (met kleding bedekte) borsten van die [naam slachtoffer] , en/of

- wrijven (met zijn, verdachtes, penis) over de vagina van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of van hem te dulden, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met het nichtje van zijn vriendin van nog geen 18 jaar. Hiermee heeft de verdachte het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen om haar seksualiteit in haar eigen tempo in een gelijkwaardige relatie te ontdekken. Niet zelden ondervinden de slachtoffers van seksueel misbruik gedurende langere tijd in hun leven hinder van hetgeen hen is overkomen. Ook het slachtoffer ondervindt blijkens de door haar opgemaakte slachtofferverklaring nog veel hinder van het misbruik door verdachte. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met deze ernstige gevolgen voor het slachtoffer en kennelijk slechts oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeftebevrediging.

Daar komt nog bij dat het slachtoffer de verdachte zag als haar ouder en het gevoel had dat ze tegen hem alles kon vertellen. Zij zag de verdachte als iemand die het goed met haar voor had en die ze volledig kon vertrouwen. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, maar heeft hij ook misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en het overwicht dat hij als 60 jarige op haar had.

De ernst van het bewezen verklaarde blijkt ook uit het gegeven dat de wet in dit geval een taakstraf niet toelaat, als daarbij niet ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op het blanco uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 maart 2017 op naam van de verdachte.

7.3.2.

Rapportage

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de rapportage over de verdachte van Reclassering Nederland van 22 januari 2016. In dit rapport komt naar voren dat de verdachte niet de indruk maakte dat hij zich ten volle bewust is van zijn grensoverschrijdende gedrag en wat voor impact zijn gedrag (al dan niet op lange termijn) zou kunnen hebben op het slachtoffer. De verdachte heeft voor zichzelf niet duidelijk kunnen krijgen waardoor hij zich grensoverschrijdend naar zijn nichtje heeft opgesteld en heeft op die vraag slechts kunnen antwoorden dat zijn lustgevoelens haar verleiding niet hebben kunnen weerstaan. Gelet op verdachtes beperkte probleembesef en –inzicht acht de reclassering behandeling noodzakelijk. Er wordt in geval van een veroordeling geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulante behandelverplichting.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht het echter van belang dat de verdachte wordt begeleid door de reclassering en zal meewerken aan een behandeling gericht op zijn beperkte probleembesef en -inzicht bij een instelling voor forensische zorg zoals [naam instelling] of soortgelijke instelling. Zoals blijkt uit zijn verklaringen, zowel tijdens het vooronderzoek als op de zitting, neemt de verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en legt hij een deel daarvan nog altijd bij zijn nichtje ‘wier verleiding hij niet kon weerstaan’. De rechtbank zal daarom bij het bepalen van de strafmaat het accent leggen op deze noodzakelijke behandeling en het onvoorwaardelijk deel van deze straf beperken tot de duur van het voorarrest (één dag).

In overeenstemming met het advies van de reclassering, die bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals in dit geval, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 29 september 2014 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Tussen 29 september 2014 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim twee jaren en zeven maanden. Omdat in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er sprake van een overschrijding van die termijn met ruim zeven maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen taakstraf met 40 uur.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , ter zake van het ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 30,80 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.300,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft, mede gelet op de onderbouwing daarvan, integrale toewijzing van de vordering alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade niet betwist.

De verdediging heeft aangevoerd dat de immateriële schadevergoeding daarentegen dient te worden gematigd, gelet op de verschillen tussen het geval dat betrekking heeft op de uitspraak van rechtbank Zutphen van 18 december 2011 - waarnaar in de onderbouwing van deze post wordt verwezen - en het onderhavige geval. De leeftijden van de slachtoffers verschillen, de relatie tussen het slachtoffer en de dader ligt anders en de duur van de seksuele handelingen is in het onderhavige geval beperkter.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en deze vordering niet is weersproken, zal deze worden toegewezen.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting van de hoogte van de vordering door de verdachte, worden toegewezen. De betwisting acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 februari 2013.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.330,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 248a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 89 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal meewerken aan een behandeling gericht op zijn beperkte probleembesef en -inzicht bij een instelling voor forensische zorg zoals [naam instelling] of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.330,80 (zegge: duizend driehonderd-en-dertig euro en tachtig eurocent), bestaande uit € 30,80 aan materiële schade en

€ 1.300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.330,80 (hoofdsom, zegge: duizend driehonderd-en-dertig euro en tachtig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen voor de duur van 26 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en E.M.D. Angela, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Papendrecht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een persoon, [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, bestaande dat overwicht hieruit dat hij, verdachte, (veel) ouder was dan die [naam slachtoffer] en/of wist dat die [naam slachtoffer] 16 en/of 17 jaar was, (telkens) opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- zich laten pijpen door die [naam slachtoffer] , en/of

- zich laten aftrekken door die [naam slachtoffer] , en/of

- vingeren van die [naam slachtoffer] , en/of

- likken/zuigen aan/in/over de vagina van die [naam slachtoffer] , en/of

- wrijven over de (met kleding bedekte) borsten van die [naam slachtoffer] , en/of

- wrijven (met zijn, verdachtes, penis) over de vagina van die [naam slachtoffer] .