ECLI:NL:RBROT:2017:4288 Rechtbank Rotterdam , 24-01-2017 / 10/681241-16

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/681241-16

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Grave, huis van bewaring te Grave,

raadsvrouw mr. R.S. Boonstra, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.A. Castelein heeft gevorderd:

-

bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

-

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Er dient om die reden bewijsuitsluiting te volgen ten aanzien van de aangetroffen drugs op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er resteert aldus te weinig wettig en overtuigende bewijs om de ten laste gelegde gedraging bewezen te achten, zodat vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat het feit niet tezamen en in vereniging gepleegd is. Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte dan wel tussen de verdachte en een ander of anderen. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte betrokken is geweest bij het plan om de drugs uit te voeren. De verdachte is slechts verzocht om de drugs in Nederland op te halen. De medeverdachte was blijkens de verklaring van de verdachte en de medeverdachte niet op de hoogte van dit transport. De verdachte is een kleine schakel geweest in een veel groter geheel, wat onvoldoende is om te kunnen spreken van medeplegen. Hierdoor dient partiële vrijspraak te volgen, aldus de verdediging.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde bepleit de verdediging (primair) vrijspraak, nu niet vast staat dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is. Het enige aanknopingspunt in het dossier is het gegeven dat het geld tezamen met de drugs ontvangen is.

4.1.2.

Beoordeling

Uit het proces-verbaal van de politie met betrekking tot de aanhouding van de verdachte blijkt niet duidelijk waarom een stopteken is gegeven aan de auto waarin de verdachte zich op dat moment bevond. Gelet op het feit dat de auto op een gegeven moment sneller reed dan de toegestane snelheid is aannemelijk dat het stopteken is gegeven ter controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994, waartoe de bevoegdheid op dat moment aanwezig was. Het gegeven dat de politie in hun proces-verbaal (op bladzijde 77 en volgende van het politieproces-verbaal d.d. 8 oktober 2016) niet hebben opgeschreven op grond waarvan zij een stopteken hebben gegeven, is een vormfout. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval met deze enkele constatering kan worden volstaan.

De politie zag vervolgens hevige bewegingen in de auto en er werd een tas via het autoraam naar buiten gegooid. In die tas werd vervolgens een in grijze duck tape omwikkeld pakket aangetroffen. Het is de politie ambtshalve bekend dat verdovende middelen op deze wijze worden verpakt en vervoerd. Hierna werd de verdachte aangehouden. Gelet op voornoemde omstandigheden was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld. De aanhouding van de verdachte is derhalve rechtmatig geweest.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde onder feit 1 het volgende af. Uit de eigen verklaring van de verdachte blijkt dat hij met een ander naar Nederland is gekomen om drugs op te halen en deze naar Antwerpen te vervoeren. Hij heeft de drugs ook opgehaald. De verdachte is aangehouden terwijl hij onderweg was naar Antwerpen met ongeveer één kilo heroïne. De verdachte was afhankelijk van nadere instructies ten aanzien van de aflevering hiervan. De verdachte heeft niet zelf betaald voor de heroïne. De verdachte heeft dit transport duidelijk niet alleen voorbereid en uitgevoerd, maar hij heeft daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer onbekende gebleven personen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit oordeelt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft het bij hem aangetroffen geld blijkens zijn eigen verklaring tezamen met de heroïne in ontvangst genomen. Zowel het geld als de heroïne moest door de verdachte in Antwerpen worden afgeven aan de opdrachtgever of contactpersoon. Er bestaat dan ook een duidelijke relatie tussen de heroïne en het aangetroffen geld. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat de verdachte wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 06 oktober 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 998 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 06 oktober 2016, te Dordrecht, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 8.080 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 8.080 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat

voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

5.1.

Kwalificatie

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich, ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde, subsidiair op het standpunt dat het aangetroffen geld, te weten € 8.080, -, uit eigen misdrijf afkomstig is, waardoor het ten laste gelegde feit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, nu er geen handelingen hebben plaatsgevonden zoals verhullen, verbergen of verstoppen van het aangetroffen geld. De verdachte dient ontslagen te worden van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

5.1.2.

Beoordeling

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het totale bedrag van € 8.080, -, onder zich had voor een (onbekende) ander. Het geld was niet van de verdachte. De verdachte zou het geld afleveren met de heroïne en hij heeft het geld ook ontvangen tezamen met de heroïne. Het gehele bedrag is aldus afkomstig uit enig misdrijf. Het onder 2 ten laste gelegde levert een strafbaar feit op.

5.1.3.

Conclusie

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder a, van de Opiumwet gegeven verbod

2 witwassen.

5.1.4. Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van bijna één kilogram heroïne. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in het buitenland in stand gehouden. De uitvoerders van die verdovende middelen moeten mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat heroïne een stof is die verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Tevens gaat het transport van drugs gepaard met criminaliteit, zowel aan de kant van de toeleveranciers als aan de kant van de gebruikers daarvan. De verdachte heeft dit alles voor lief genomen en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 8.080, - . Door zijn handelen heeft hij kennelijk opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie willen onttrekken. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 oktober 2016, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een uittreksel uit het European Criminal Records Information System van 19 oktober 2016, waaruit blijkt dat de verdachte in het buitenland meerdere malen veroordeeld is voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding. De verdachte wist voor het begaan van het strafbare feit dat zijn vrouw in verwachting was en heeft desondanks de keuze gemaakt om mee te werken aan dit transport. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend worden de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden geacht.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen een geldbedrag ad € 8.080, - verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging doet een verzoek tot teruggave van het geld aan de verdachte, nu primair vrijspraak is bepleit.

8.3.

Beoordeling

Het in beslag genomen geldbedrag ad € 8.080, - zal worden verbeurd verklaard. Het bewezen verklaarde feit 2 is met betrekking tot dit voorwerp begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 2 het in beslag genomen geld ad

€ 8.080, -.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. P. Putters en E.M.D. Angela, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 06 oktober 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 998 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 06 oktober 2016, te Dordrecht, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 8.080 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 8.080 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;