ECLI:NL:RBROT:2017:4415 Rechtbank Rotterdam , 24-05-2017 / C/10/500692 / HA ZA 16-434

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/500692 / HA ZA 16-434

Vonnis van 24 mei 2017

in de zaak van

1 [eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers

advocaat mr. A. Schep te Oud-Beijerland,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. Roodhof te Grou,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.H. Benard te Rotterdam.

Eisers zullen gezamenlijk als zodanig worden aangeduid, danwel ieder afzonderlijk als [eiseres 1] , respectievelijk [eiser 2] . Gedaagden zullen hierna als zodanig worden aangeduid, danwel respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het incidentele vonnis van 3 augustus 2016 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

-

de conclusie van antwoord, met productie, zijdens [gedaagde 1] ;

-

de conclusie van antwoord, zijdens [gedaagde 3] ;

-

de brief van 5 oktober 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

-

de akte overleggen producties/uitlating, zijdens [gedaagde 1] ;

-

de akte houdende wijziging/aanvulling eis met productie 25 en 26, zijdens eisers;

-

de akte overleggen producties/uitlating, zijdens [gedaagde 1] ;

-

de brief van mr. Schep van 17 januari 2017, met bijlagen (pleitaantekeningen en productie 27);

-

de brief van mr. Schep van 31 januari 2017 met productie 27 (reactie eisers op akte [gedaagde 1] );

-

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 14 februari 2017 en de reacties daarop van mr. Schep bij faxbrief van 23 februari 2017 en van mr. Roodhof bij faxbrief van 23 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 oktober 1998 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Erflater was in gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [erflaatster] (hierna ook: erflaatster). Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorden onder meer twee percelen in Poortugaal, kadastraal bekend gemeente Poortugaal, [percelen] (hierna: de percelen).

2.2.

Uit het huwelijk van erflater met [erflaatster] zijn vier ten tijde van het overlijden

van erflater in leven zijnde kinderen geboren, te weten [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [eiser 2] en [eiseres 1] .

2.3.

Erflater heeft in zijn laatste testament zijn echtgenote en hun vier kinderen, ieder

voor het 2/11 gedeelte, tot zijn erfgenamen benoemd. Voorts heeft hij voor het 1/11 gedeelte van zijn nalatenschap tot zijn erfgename benoemd [gedaagde 3] , zijnde een dochter van erflaatster. In het testament heeft erflater een ouderlijke boedelverdeling opgenomen. Hiermee werden alle goederen van de nalatenschap toegedeeld aan erflaatster, onder de verplichting alle schulden voor haar rekening te nemen. Wegens de overbedeling aan erflaatster hebben de kinderen een vordering in contanten verkregen ter grootte van ieders erfdeel.

2.4.

In oktober 2000 hebben [gedaagde 1] en erflaatster ter zake van

de percelen een pachtovereenkomst gesloten.

2.5.

In een taxatierapport van 18 januari 2010 heeft de heer [makelaar] van [makelaarskantoor] de percelen getaxeerd op een onderhandse vrijwillige verkoopwaarde in verpachte staat van € 40.000,00.

2.6.

Op 23 november 2012 heeft erflaatster het 13/22 aandeel in de percelen aan [gedaagde 1]

geleverd. In de notariële akte van levering staat onder meer vermeld:

‘KOOPPRIJS

De koopprijs van het verkochte bedraagt TWEE EN DERTIG DUIZEND VIJF HONDERD EURO (€ 32.500,00), welk bedrag door onderlinge verrekening tussen verkoper en koper is voldaan'.

2.7.

Op 23 november 2013 is tussen [gedaagde 1] en erflaatster een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij erflaatster aan [gedaagde 1] een bedrag van € 32.500,= heeft geleend voor de financiering van de koopsom van de percelen.

2.8.

Op 23 december 2012 is erflaatster overleden. In het laatste testament van erflaatster, verleden op 3 oktober 2012, is onder meer opgenomen:

II Legaat

Ik legateer aan mijn zoon de heer [gedaagde 1] , (…), mijn onverdeeld aandeel in de eigendom van de percelen grond gelegen aan/nabij de Albrandsdijk te Poortugaal , sectie C, nummer 141, (…), en nummer 1028, (…), zulks tegen inbreng in mijn nalatenschap van de waarde in het economisch verkeer.(…)

III. Executele

1. Benoeming executeur

Ik benoem tot executeur de heer [gedaagde 1] voornoemd.”

In voormeld testament is ten aanzien van de erfstelling geen bepaling opgenomen, waardoor tot haar nalatenschap haar vijf in leven zijnde kinderen zijn geroepen, ieder voor het 1/5 gedeelte van haar nalatenschap.

[gedaagde 1] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard.

2.9.

In de aangifte erfbelasting 2012 van erflaatster staat op blad 2 van het 'overzicht

van de nalatenschap' vermeld dat erflaatster ten tijde van haar overlijden een vordering op [gedaagde 1] had van € 32.500,00.

2.10.

In een taxatierapport van 11 maart 2013 heeft de heer [taxateur] van [makelaarskantoor] de verkoopwaarde van de percelen vrij van huur en gebruik met agrarische bestemming getaxeerd op een bedrag van € 165.900,= en vrij van huur met bouwvergunning (bedrijfs)woning op een bedrag van € 393.000,=.

2.11.

Per brief van 11 september 2015 van notaris mr. [notaris] aan de heer [adviseur eisers] , toenmalig adviseur van eisers, is nadere informatie verstrekt over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

2.12.

Per e-mail van 24 maart 2016 heeft de heer [werknemer gemeente] , werkzaam bij de afdeling Vergunningverlening van de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk, aan de advocaat van eisers onder meer geschreven:

“De betreffende percelen zijn gesitueerd in het bestemmingsplan “Polder Albrandswaard”.

Dit plan is vastgesteld en dus in werking !

Maar er is wel beroep tegen het plan ingesteld maar er is geen voorlopige voorziening gevraagd, het plan is dus nog niet onherroepelijk.

Perceel 141:

De bestemming is “Agrarisch met waarden”

Tevens gelden de dubbelbestemming “Waarde-archeologie-1”en “leiding-water”

En de aanduidingen “geluidzone-industrie” en “wijzigingsgebied-6”.

Wij wijzen u er tevens op dat op de internetsite www.ruimtelijkeplannen.nl het betreffende bestemmingsplan (plankaart, legenda, bestemmingen, voorschriften, wijzigingsbevoegdheden e.d.) digitaal beschikbaar is”

3 Het geschil

3.1.

De gewijzigde vordering van eisers luidt – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. Primair:

1. te verklaren voor recht dat de pachtovereenkomst d.d. oktober 2000 en de verkoop en levering bij notariële akte d.d. 23 november 2012 dienen te worden aangemerkt als vernietigbare, Paulianeuze, rechtshandelingen in de zin van het bepaalde in artikel 3:45 BW,

2. nietig te verklaren, althans te vernietigen deze rechtshandelingen, te weten de pachtovereenkomst en de koopovereenkomst met de akte van levering d.d. 23 november 2012,

3. gedaagden te veroordelen om binnen een week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, door middel van een door eisers, althans door de rechtbank, aan te wijzen notaris, hun medewerking te verlenen aan de juridische eigendomsoverdracht van het onverdeelde aandeel ad 13/22 deel in de twee percelen land, te weten:

a. perceel/terrein (grasland) gelegen te Poortugaal, Albrandswaardsedijk, kadastraal bekend als gemeente Poortugaal, [perceel] ;

b. perceel/terrein (akkerbouw) gelegen te Poortugaal, Albrandswaardsedijk, kadastraal bekend als gemeente Poortugaal, [perceel] ;

geheel onbelast en vrij van beslagen, aan de deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster, alsmede hun medewerking daartoe te verlenen aan de door deze notaris op te maken en te passeren akte van levering, alsmede de overschrijving daarvan in het kadaster, met de bepaling voorts dat deze juridische overdracht geschiedt om niet, althans tegen een door de rechtbank te bepalen bedrag, welk bedrag alsdan niet door eisers dient te worden voldaan, doch dient te strekken in mindering op de erfdelen van procespartijen in de nalatenschap van de erflaatster,

4. te bepalen dat, indien gedaagden niet binnen hiervoor vermelde termijn hun medewerking verlenen aan de hiervoor gevorderde juridische levering, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van gedaagden, dus van hun handtekeningen onder alle documenten die getekend moeten worden om te komen tot de eigendomsoverdracht van het voormelde 13/22 aandeel in de voormelde onroerende zaken, [perceel] , aan de deelgenoten van de onverdeelde nalatenschap van erflaatster, te weten procespartijen, met machtiging van eisers om een afschrift van dit vonnis te doen inschrijven in de openbare registers,

5. te bepalen dat de hiervoor genoemde percelen, onderhands zullen worden verkocht tegen de hoogst mogelijke prijs door bemiddeling van de makelaar [makelaarskantoor] te Poortugaal, althans een door de rechtbank aan te wijzen makelaar, een en ander op basis van een door deze makelaar, althans door de door de rechtbank te benoemen makelaar, nieuw op te maken taxatierapport, van de vrije waarde van deze percelen in het economisch verkeer, en rekening houdend met de regeling in het nieuwe bestemmingsplan, "Polder Albrandswaard", alwaar de beide voornoemde percelen zijn gelegen,

6. te bepalen dat, indien gedaagden niet binnen een week nadat voornoemde makelaar een geschikte koper heeft gevonden voor deze genoemde percelen, die bereid is de koopovereenkomst te ondertekenen, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, hun medewerking verlenen aan de verkoop en de juridische levering van de genoemde percelen, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van gedaagden, dus van hun handtekeningen onder alle documenten die getekend moeten worden om te komen tot de eigendomsoverdracht van de voornoemde percelen aan de hiervoor bedoelde koper daarvan, met machtiging van eisers om een afschrift van dit vonnis te doen inschrijven in de openbare registers,

7. te bepalen dat de koopprijs betreffende verkoop van voormelde percelen zal worden gestort op een door eisers, althans door de rechtbank aan te wijzen boedelrekening,

8. [gedaagde 1] te veroordelen om, aan de deelgenoten van de onverdeelde nalatenschap van eisers, in casu procespartijen, te betalen ter zake van het voormelde gebruik van de genoemde percelen te Poortugaal, de wettelijke rente over de koopprijs daarvan omschreven, zulks vanaf overlijdensdatum van erflaatster, zijnde 23 december 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan die der voldoening en te bepalen dat dit bedrag eveneens op de boedelrekening als voornoemd zal worden gestort,

9. te bepalen dat te gelde worden gemaakt de effecten van Robeco Balanced Mix, aantal 755.7383, welke op het overzicht d.d. 3 juli 2014 behorende bij de aangifte erfbelasting van erflaatster onder nummer 350.00 zijn vermeld met een waarde van € 41.482,00, alsmede alle overige goederen behorende tot die nalatenschap en zijn vermeld in productie 6.3. bij dagvaarding en in paragraaf 90 e.v. van de dagvaarding en dat de opbrengst wordt gestort op de voormelde boedelrekening, zulks met uitzondering van de post vordering [gedaagde 1] ad € 32.500,00 (productie. 6 c), aangezien [gedaagde 1] dit bedrag niet van erflaatster heeft geleend,

10. te bepalen dat het saldo van deze boedelrekening, met in achtneming van hetgeen hierboven is gevorderd, in gelijke delen onder de erfgenamen van erflaatster,

de procespartijen, zal worden verdeeld,

11. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten;

B. Subsidiair:

12. te verklaren voor recht dat de pachtovereenkomst en de koopovereenkomst met akte van levering, betreffende de voormelde percelen, dienen te worden aangemerkt als verkapte giften aan [gedaagde 1] , in de zin van artikel 4:229 BW, te weten voor een bedrag ad € 393.000,00, althans voor een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen,

13. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] deze verkapte gift ad € 393.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met een rente van 6% per jaar, ex artikel 4:233 lid 1 BW, vanaf de dag dat de nalatenschap van erflaatster is opengevallen, te weten d.d. 23 december 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding, dient in te brengen in de nalatenschap van erflaatster, zoals bepaald in de artikelen 4:229 e.v. BW,

14. [gedaagde 1] te veroordelen tot inbreng van de voornoemde verkapte gift, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met een rente daarover ad 6%, vanaf de dag dat de nalatenschap van erflaatster is opengevallen, te weten 23 december 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding, dient in te brengen in de nalatenschap van erflaatster,

15. alsmede primair de verdeling van de nalatenschap van erflaatster ex artikel 3:185 BW zelf vast te stellen, rekening houdend met hetgeen in de dagvaarding is gesteld en hetgeen in deze akte is gesteld en wordt gevorderd,

en subsidiair met inachtneming van het bepaalde in artikel 677 Rv, gedaagden te bevelen, om met eisers en met inachtneming van het hiervoor en in de dagvaarding gestelde over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, ten overstaan van een door de rechtbank te benoemen boedelnotaris en met aanwijzing van een of meer onzijdige personen, die de eventueel onwillige gedaagde(n) rechtsgeldig kunnen vertegenwoordigen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor elke dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven, zulks vanaf 8 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis,

16. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten.

Zowel primair als subsidiair:

17. [gedaagde 2] te veroordelen de uitspraak van de rechtbank te gehengen en te gedogen.

3.2.

Het verweer van [gedaagde 1] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eisers bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure en in de nakosten.

3.3.

Het verweer van [gedaagde 3] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eisers bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend. Nu door de overige gedaagden is voortgeprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Ten opzichte van de niet verschenen partij geldt dat de vordering in beginsel wordt toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Naar vaste jurisprudentie werken de door de wel verschenen gedaagde gevoerde verweren niet in het voordeel van de gedaagde die niet is verschenen, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing (HR 28 mei 1999, NJ 2000, 290). Die situatie doet zich hier voor. Eisers vorderen jegens [gedaagde 2] immers een verklaringen voor recht. Toewijzing van deze verklaringen vorderingen jegens [gedaagde 2] en afwijzing van de vorderingen jegens de overige gedaagden, zou leiden tot een tegenstrijdig vonnis.

4.2.

Eisers hebben hun eis gewijzigd. Bij exploot van betekening van de akte houdende wijziging/aanvulling eis is de akte aan [gedaagde 2] betekend, zodat deze eiswijziging eveneens tegen hem heeft te gelden. Gedaagden hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Nu de rechtbank deze ook niet ambtshalve in strijd acht met een goede procesorde, zal zij recht doen op de aldus gewijzigde, onder 3.1 weergegeven eis.

4.3.

Eisers vorderen primair – samengevat – de vernietiging van de pachtovereenkomst en de levering aan [gedaagde 1] van het 13/22 aandeel van de percelen. Daartoe hebben eisers het volgende aangevoerd.

De pachtovereenkomst betreft een schijnhandeling die tot doel had [gedaagde 1] om niet, althans tegen een te lage tegenprestatie, in het bezit te stellen van de percelen. Dit blijkt uit de omstandigheden dat de percelen in strijd met artikel 7:312 BW niet worden gebruikt ter uitoefening van de bedrijfsmatige landbouw en de percelen in strijd met artikel 7:225 BW aan derden in onderpacht zijn uitgegeven voor het houden van paarden.

Ook de notariële akte d.d. 23 november 2012 is een schijnhandeling. Dit blijkt uit de volgende omstandigheden. In tegenstelling tot in de notariële akte is opgenomen, is de koopprijs van € 32.500,00 niet door verrekening voldaan, omdat erflaatster bij leven geen geld schuldig was aan [gedaagde 1] . Ten onrechte is voorts in de notariële akte opgenomen dat de percelen vrij van pacht worden geleverd en dat [gedaagde 1] reeds tot 2/22 onverdeeld aandeel in deze percelen gerechtigd was. De koopprijs van € 32.500,00 komt ook niet overeen met de werkelijke waarde op de vrije markt van de percelen, die –blijkens het taxatierapport van 11 maart 2013 – € 393.000,00 bedraagt.

Als gevolg van de pachtovereenkomst in combinatie met de taxatie ad € 40.000,00 door [makelaarskantoor] en de levering van de percelen om niet is [gedaagde 1] ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de mede-erfgenamen, die door deze rechtshandeling zijn benadeeld. Immers, met de levering is een belangrijk vermogensobject aan de nalatenschap van erflaatster onttrokken. Er is sprake van onverplichte rechtshandelingen, omdat erflaatster niet verplicht was de transactie uit te voeren. [gedaagde 1] wist van de benadeling, omdat hij de genoemde koopprijs niet aan erflaatster heeft betaald en de werkelijke waarde van de percelen als gevolg van het gewijzigde bestemmingsplan vele malen hoger lag.

4.4.

Eisers vorderen subsidiair – samengevat – een verklaring voor recht dat de pacht en de levering van de percelen dienen te worden aangemerkt als een verkapte gift en dat [gedaagde 1] de percelen dient in te brengen in de nalatenschap van erflaatster. Daartoe stellen eisers dat erflaatster met het sluiten van de pachtovereenkomst en de levering van de percelen de bedoeling had [gedaagde 1] te bevoordelen boven haar andere kinderen/de toekomstige erfgenamen. Eisers leggen daaraan dezelfde omstandigheden ten grondslag als aan de primaire vordering tot vernietiging.

4.5.

Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 3] hebben aangevoerd dat eisers in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn.

[gedaagde 3] heeft aangevoerd dat eisers niet bevoegd zijn tot het instellen van rechtsvorderingen tegen mededeelgenoten in een nog onverdeelde nalatenschap ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van deze onverdeelde nalatenschap. De gestelde schulden van [gedaagde 1] kunnen slechts ingevolge artikel 3:184 lid 1 BW worden betrokken in een verdelingsprocedure.

[gedaagde 1] heeft in dit verband voorts aangevoerd dat hij in zijn hoedanigheid van executeur opgeroepen had behoren te worden opgeroepen, aangezien de vorderingen (deels) zien op de nalatenschap van erflaatster. Nu dit niet is gebeurd, dienen eisers in de vordering die betrekking hebben op de nalatenschap niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.6.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Dit geschil betreft de vernietiging van rechtshandelingen die voor het overlijden van erflaatster zijn verricht. Het betreft dus geen vordering in een nog onverdeelde nalatenschap. Voorts geldt dat enkel voor zover eisers zouden zijn opgekomen tegen handelingen die [gedaagde 1] heeft verricht ter uitvoering van het testament van erflaatster, hij in zijn hoedanigheid van executeur zou behoren te worden gedagvaard.

4.7.

[gedaagde 1] heeft verder aangevoerd dat de vordering tot vernietiging is verjaard. Daartoe heeft [gedaagde 1] het volgende gesteld. Ingevolge artikel 3:52 lid 1 aanhef en sub d BW verjaren rechtsvorderingen tot vernietiging op grond van artikel 3:45 BW drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. De pachtovereenkomst is in 2000 aangegaan, zodat de vordering tot vernietiging van die overeenkomst in 2003 is verjaard. De levering van de percelen is geschied op 23 november 2012, zodat de vordering tot vernietiging op 23 november 2015 is verjaard. Eisers hebben hun (buitengerechtelijke) vordering tot vernietiging kenbaar gemaakt bij brief van 24 februari 2016, derhalve nadat de vordering reeds was verjaard.

4.8.

Eisers hebben aangevoerd dat zij eerst met de brief van 11 september 2015 (zie 2.11) met de precieze gang van zaken rondom de pachtovereenkomst en de levering van de percelen bekend zijn geworden en vanaf die datum de bevoegdheid de vernietigingsgrond in te roepen aan hen ten dienste is komen te staan.

4.9.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3:52 BW blijkt dat de wetgever met de woorden ‘ten dienste komen te staan’ heeft bedoeld te bewerkstelligen dat de verjaring een aanvang neemt zodra de partij die een beroep op de vernietigbaarheid toekomt, die bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen. Voorts leent deze regel zich voor flexibele toepassing. Een en ander vindt zijn bevestiging in de uitwerking die deze algemene regel heeft gevonden in de gevallen, genoemd onder a, b en c van artikel 3:52 lid 1 BW (HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9951). Om de bevoegdheid tot vernietiging daadwerkelijk te kunnen uitoefenen is nodig dat degene die deze bevoegdheid wenst uit te oefenen bekend is met de omstandigheden waaronder te vernietiging rechtshandeling tot stand is gekomen. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien dat eisers meteen bij het tot stand komen van de pachtovereenkomst en bij de levering van de percelen met die omstandigheden bekend waren, terwijl zij geen partij bij de overeenkomst en/of levering zijn geweest. [gedaagde 1] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist de stelling van eisers dat zij eerst met de brief van 11 september 2015 (zie 2.11) met de precieze gang van zaken rondom de pachtovereenkomst en de levering van de percelen bekend zijn geworden. Derhalve is vanaf dat moment de bevoegdheid tot vernietiging aan hen ten dienste is komen te staan. De buitengerechtelijke vernietiging op 24 februari 2016 is dus tijdig gedaan.

4.10.

[gedaagde 1] betwist dat de pachtovereenkomst en de levering van de percelen voor vernietiging in aanmerking komen. Daartoe stelt [gedaagde 1] het volgende.

De pachtovereenkomst is in oktober 2000 aangegaan voor de duur van 6 jaar en daarna op grond van de wet met dezelfde termijn verlengd, met dien verstande dat de pacht (feitelijk) is geëindigd per november 2012 toen de percelen grond door erflaatster (als eigenaar/verpachter) aan [gedaagde 1] (als voormalig pachter) zijn verkocht. Gedurende de looptijd van de overeenkomst is uitvoering gegeven aan de pachtovereenkomst en is de pachtvergoeding betaald.

Aan de levering van de percelen ligt een rechtsgeldige mondelinge koopovereenkomst ten grondslag. De in die koopovereenkomst overeengekomen koopsom is bepaald op grond van het taxatierapport van [makelaarskantoor] . Deze koopsom heeft [gedaagde 1] van erflaatster geleend bij overeenkomst van 23 november 2012 (zie 2.7). Terugbetaling van het geleende bedrag geschiedt door verrekening daarvan met de aanspraken van [gedaagde 1] op de nalatenschap van erflaatster.

Er is derhalve geen sprake van een onverplichte rechtshandeling. Ook blijkt niet van een vermoeden van benadeling van eisers.

4.11.

Zowel [eiseres 1] als [gedaagde 3] betwisten dat sprake is van een verkapte gift, omdat geen sprake is van een gift die dient te worden ingebracht in de zin van artikel 4:229 BW.

4.12.

Artikel 3:45 BW bepaalt dat indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, de rechtshandeling vernietigbaar is en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.

4.13.

Naar oordeel van de rechtbank hebben erflaatster en [gedaagde 1] met de levering van de percelen geen onverplichte rechtshandeling verricht. [gedaagde 1] heeft de percelen van erflaatster gekocht voor een koopsom van € 32.500,00. Deze koopsom komt overeen met de getaxeerde waarde door [makelaarskantoor] . Betaling van deze koopsom geschiedt door verrekening van dit bedrag met het aandeel in de nalatenschap van [gedaagde 1] . Uit de aangifte erfbelasting blijkt dat de nalatenschap een vordering heeft op [gedaagde 1] ter grootte van € 32.500,00. Eisers hebben nog aangevoerd dat deze koopprijs, gelet op de werkelijke waarde van de percelen, te laag was. Eisers hebben deze stelling onderbouwd door erop te wijzen dat als de bestemming van de percelen wijzigt de waarde van de percelen veel hoger zal worden en daarbij verwezen naar het taxatierapport van 11 maart 2013. Echter, niet gebleken is dat de bestemming van de percelen is gewijzigd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.

Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde 1] acht de rechtbank het ook niet aannemelijk dat de pachtovereenkomst enkel een schijnhandeling betreft. Daarvoor zitten onvoldoende aanknopingspunten in de processtukken.

4.14.

Dit betekent dat het beroep van eisers op vernietiging van de pachtovereenkomst en van de levering van de percelen niet slaagt.

4.15.

De primaire vorderingen onder 9 en 10 van het petitum, voor zover deze naast de gevorderde vernietiging zelfstandige betekenis hebben, zijn door eisers niet, althans onvoldoende, onderbouwd en zullen om die reden worden afgewezen.

4.16.

Eisers hebben aan hun subsidiaire vorderingen dezelfde omstandigheden ten grondslag gelegd als aan hun primaire vorderingen. De rechtbank heeft reeds bij de beoordeling van de primaire vorderingen onvoldoende aannemelijk geacht dat de waarde van het overgedragen onverdeelde aandeel in de percelen uitsteeg boven de koopprijs; derhalve is er geen sprake van een ‘verkapte gift’. De rechtbank is bovendien met gedaagden van oordeel dat hier geen sprake is van inbrengverplichting voor zover de werkelijke waarde zou uitstijgen boven de afgesproken koopprijs, nu gesteld noch gebleken is dat erflaatster een dergelijke verplichting bij gift of testament heeft voorgeschreven, zoals artikel 4:229 lid 1 BW eist.

4.17.

Dit betekent dat er geen verplichting van de zijde van [gedaagde 1] bestaat om terzake van de levering in november 2013 van het onverdeelde aandeel in de percelen enig bedrag in de nalatenschap van erflaatster in te brengen. Ter zake van de schuldig gebleven koopsom geldt het bepaalde in artikel 4:228 BW.

4.18.

Ter comparitie hebben eisers nog het volgende aangevoerd. Erflaatster heeft in het testament van 3 oktober 2012 haar onverdeelde aandeel aan [gedaagde 1] gelegateerd tegen een inbrengverplichting. Het legaat moet zo worden uitgelegd dat de inbrengverplichting ook ziet op het 13/22 deel van de percelen dat al voor het overlijden van erflaatster aan [gedaagde 1] was overgedragen, omdat uit dit testament blijkt dat dit de bedoeling van erflaatster was.

4.19.

De rechtbank overweegt als volgt. In het legaat is woordelijk opgenomen dat testatrice haar ‘onverdeeld aandeel’ in de eigendom van de percelen legateert. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit heldere bewoordingen: niet de gehele percelen, maar ‘mijn onverdeeld aandeel’ wordt gelegateerd. Aan de uitleg van het testament komt de rechtbank derhalve niet toe (artikel 4:46 BW). Daar komt bij, dat artikel 4:49 BW bepaalt dat een legaat van een goed dat bij het openvallen van de nalatenschap niet daartoe behoort, vervalt, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild. In het onderhavige geval behoorden niet de gehele percelen, doch slechts een aandeel daarin tot de nalatenschap. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van de in de tenzij-clausule geformuleerde uitzondering, zodat ook om deze reden de stellingen van eisers niet worden gevolgd.

4.20.

De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering bij gebrek aan deugdelijke grondslag in al haar onderdelen zal worden afgewezen.

4.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.

2111/2053