ECLI:NL:RBROT:2017:4433 Rechtbank Rotterdam , 06-06-2017 / 10/712040-15

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/712040-15

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

-

bewezenverklaring van het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde;

-

veroordeling van de verdachte ten aanzien van feit 1. primair en feit 2. tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden;

-

ten aanzien van feit 3: schuldigverklaring zonder strafoplegging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(primair)

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets/motorscooter), zich

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] ;

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl:

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 245

microgram, in ieder geval meer dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde

lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in

artikel 8, eerste of vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als

bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en/of

-hij, verdachte, dat voertuig heeft bestuurd zonder een daartoe vereist

rijbewijs, ondanks voornoemde omstandigheden dat voertuig is gaan besturen en blijven

besturen en/of met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, heeft gereden

en/of zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij het verloop van de weg, te

weten een bocht naar rechts, kon volgen en/of niet voldoende rechts heeft

gereden en/of op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer is gekomen en/of (aldaar) in botsing of aanrijding is gekomen met een tegemoetkomende

personenauto, waardoor de achterop het voertuig van verdachte zittende passagier, genaamd

[naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken bovenbeen

en een gebroken vinger) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als bestuurder van een

motorrijtuig (motorfiets/motorscooter) dit motorrijtuig heeft bestuurd na

zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn

adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vierde lid, aanhef en onder a

van de Wegenverkeerswet 1994, 245 microgram, in elk geval hoger dan 88

microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het

besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit

motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

3.

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als bestuurder van een

motorrijtuig (motorfiets/motorscooter) heeft gereden op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , zonder dat aan hem door de daartoe

bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet

1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe

dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

ten aanzien van de feiten 1. (primair) en 2:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid en vierde lid, van deze wet;

en

overtreding van artikel 8, derde en vierde lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft op 10 juni 2015 In Hellevoetsluis een verkeersongeval veroorzaakt. Hij verkeerde onder invloed van alcohol en heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden.

De gevolgen van het gedrag van verdachte zijn ernstig. Het slachtoffer heeft letsel opgelopen waardoor zij meerdere operaties heeft moeten ondergaan en zij langere tijd werd belemmerd in haar dagelijkse functioneren. De verdachte heeft zijn slachtoffer niet alleen verwond, maar heeft zich ook daarna niet om haar bekommerd.

Ten aanzien van het deelnemen aan het verkeer met alcohol op, overweegt de rechtbank dat het algemeen bekend is dat de concentratie, de waarneming en het reactievermogen door het gebruik van alcohol negatief worden beïnvloed. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte in het verleden tweemaal eerder voor rijden onder invloed is veroordeeld. De verdachte was een gewaarschuwd mens.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat het enige tijd heeft geduurd voordat de zaak op zitting is gekomen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 april 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in het kader van de Wegenverkeerswet 1994.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de rechtbank een lichtere mate van schuld bewezen acht (namelijk aanmerkelijk onvoorzichtig) dan waar de officier van justitie van uit is gegaan bij zijn strafeis (namelijk zeer onvoorzichtig), zal zij een lagere straf opleggen dan geëist. Daarbij komt dat de rechtbank het twee jaar na dit ongeval niet passend vindt om de verdachte daarvoor alsnog gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank acht oplegging van een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. De ernst van de gedragingen en de bescherming van de verkeersveiligheid vormen daarnaast aanleiding voor de rechtbank om een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat een afzonderlijke straf voor de onder 3. tenlastegelegde overtreding, geen toegevoegde waarde heeft en bepaalt dat voor dit feit aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 55, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 107, 164, 175, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerwet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat ten aanzien van het onder 3. bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mr. A.A. Kalk en mr. R.J.A.M. Cooijmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets/motorscooter), zich

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] ; welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl:

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 245

microgram, in ieder geval meer dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde

lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in

artikel 8, eerste of vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als

bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en/of

-hij, verdachte, dat voertuig heeft bestuurd zonder een daartoe vereist

rijbewijs, ondanks voornoemde omstandigheden dat voertuig is gaan besturen en blijven

besturen en/of met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, heeft gereden

en/of zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij het verloop van de weg, te

weten een bocht naar rechts, kon volgen en/of niet voldoende rechts heeft

gereden en/of op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer is gekomen en/of (aldaar) in botsing of aanrijding is gekomen met een tegemoetkomende

personenauto,

waardoor de achterop het voertuig van verdachte zittende passagier, genaamd

[naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken bovenbeen

en een gebroken vinger) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als bestuurder van een

motorrijtuig (motorfiets), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op

die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op

die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, heeft gereden

en/of zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij het verloop van de weg, te

weten een bocht naar rechts, kon volgen en/of niet voldoende rechts heeft

gereden en/of op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer is gekomen en/of (aldaar) in botsing of aanrijding is gekomen met een tegemoetkomende

personenauto;

2.

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als bestuurder van een

motorrijtuig (motorfiets/motorscooter) dit motorrijtuig heeft bestuurd na

zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn

adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vierde lid, aanhef en onder a

van de Wegenverkeerswet 1994, 245 microgram, in elk geval hoger dan 88

microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het

besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit

motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

3.

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Hellevoetsluis als bestuurder van een

motorrijtuig (motorfiets/motorscooter) heeft gereden op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , zonder dat aan hem door de daartoe

bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet

1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe

dat motorrijtuig behoorde.