ECLI:NL:RBROT:2017:4522 Rechtbank Rotterdam , 13-04-2017 / 10/701002-16

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/701002-16

Datum uitspraak: 13 april 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.J. van Bel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. van Diemen heeft gevorderd:

-

bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

-

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2 en 3

Het onder 2 en 3 tenlastegelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

Door de verdediging is aangevoerd dat het onder 1 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangeefster verklaart dat zij nog een gesprek gehad heeft met de broer van de verdachte nadat zij mishandeld was. De broer van de verdachte verklaart echter dat toen hij dit gesprek voerde, er nog niets met aangeefster aan de hand was en dat hij in ieder geval geen bloed gezien heeft. Het is niet duidelijk hoe het daar precies gegaan is. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie aangegeven dat hij ruzie had met zijn vriendin en dat het letsel wat zij heeft opgelopen waarschijnlijk is ontstaan doordat hij haar geslagen heeft. Blijkens de verklaring van de FARR-arts is het letsel dat de aangeefster had ook passend bij de door haar beschreven mishandelingen. Het onder 1 tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de gebroken neus van het slachtoffer niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel, dit mede nu blijkens de verklaring van de FARR- arts de genezing maximaal 6 weken zal duren.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht)

- die [naam slachtoffer] bij de haren vast te pakken en/of die [naam slachtoffer] (vervolgens) op de grond gooien en/of tegen een muur te duwen en/of

- aan de haren van die [naam slachtoffer] te trekken en/of

- meermalen, althans éénmaal, tegen/in het gezicht en/of tegen/op het lichaam van die [naam slachtoffer] te slaan en/of te stompen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 03 januari 2016 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon (merk/type Apple iPhone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 03 januari 2016 te Rotterdam opzettelijk twee, althans één, ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam en/of [slachtoffer 2] , agent van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn/haar bediening, in hun/zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen/hem/haar de woorden toe te voegen: "Jullie kanker skotoe, jullie zijn kankerlijers, jullie zijn kanker pussy's", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

De bewezen feiten leveren op:

1 Mishandeling;

2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele toebehoort aan een ander, vernielen;

3. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft onder invloed van alcohol (zo verklaart hij zelf) drie vervelende strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld door haar aan haar haren te trekken, op de grond en tegen een muur te gooien en haar te slaan. De aangeefster voelde zich een boksbal en heeft hier onder andere een gebroken neus aan overgehouden. Zelfs de broer van de verdachte is uit angst weg gegaan uit de woning waar het allemaal plaats vond. Na de mishandeling, heeft de verdachte ook nog de iPhone van de aangeefster vernield. Als de verdachte vervolgens door een aantal agenten mee wordt genomen, blijft hij hen onafgebroken beledigen tot aan het bureau. De rechtbank rekent de verdachte deze wijze van handelen aan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf tevens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Straf

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In beginsel kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal daar echter van afzien, omdat het een feit betreft van ruim een jaar geleden en de verdachte en zijn ex-vriendin nu weer een goede band hebben. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt een werkstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregelAls benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 827,66 voor materiële schade en een vergoeding van € 750,- voor immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering integraal dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, terwijl tevens de schadevergoedings-maatregel dient te worden opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de relatie tussen de verdachte en de benadeelde partij inmiddels is hersteld. Voorts dient de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van materiele schade ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de verdediging vrijspraak van dat feit heeft bepleit. Voor het overige stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering tot vergoeding van materiële schade gematigd dient te worden. Met name het bedrag dat met betrekking tot feit 2 voor de telefoon gevraagd wordt is te hoog.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-, zodat het immateriële deel van de vordering in zijn geheel zal worden toegewezen. De omstandigheid dat de verdachte en de benadeelde partij zich inmiddels weer hebben verzoend, staat aan de toewijzing van deze vordering niet in de weg.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dat deel van de vordering worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor feit 2, de telefoon, zal de rechtbank de gevorderde schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 300,-. Voorzover dit onderdeel van de vordering anders of meer bedraagt, vormt de vaststelling daarvan een onevenredige belasting van dit strafgeding en zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1316,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 267, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 96 (zesennegentig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 48 (achtenveertig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, waarvan de tenuitvoerlegging bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 1317,66 (zegge: duizenddriehonderdzeventien euro en zesenzestig cent), bestaande uit € 567,66 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1317,66 (zegge: duizenddriehonderdzeventien euro en zesenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 1317,66 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. van den Berg, voorzitter,

en mrs. L. Feraaune en M.E. van der Zouw, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld

door (met kracht)

- die [naam slachtoffer] bij de haren vast te pakken en/of die [naam slachtoffer] (vervolgens) op de grond gooien en/of tegen een muur te duwen en/of

- aan de haren van die [naam slachtoffer] te trekken en/of

- meermalen, althans éénmaal, tegen/in het gezicht en/of tegen/op het lichaam van die [naam slachtoffer] te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus ten gevolge heeft gehad;

art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 januari 2016 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon (merk/type Apple iPhone 6), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art. 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 03 januari 2016 te Rotterdam opzettelijk twee, althans één, ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam en/of [slachtoffer 2] , agent van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn/haar bediening, in hun/zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen/hem/haar de woorden toe te voegen: "Jullie kanker skotoe, jullie zijn kankerlijers, jullie zijn kanker pussy's", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art. 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht