ECLI:NL:RBROT:2017:4851 Rechtbank Rotterdam , 09-05-2017 / 10/711135-16 en 10/740003-17

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/711135-16 en 10/740003-17

Datum uitspraak: 9 mei 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:


[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. T.F.B. Veerman, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 25 april 2017.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 december 2016 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van 25 april 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:

-

bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/711135-16, onder 1 primair (impliciet primair), 2, 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 10/740003-17, onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

-

oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.1.

Standpunt officier van justitie:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten met betrekking tot beide dagvaardingen heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangiftes, de verklaringen van getuigen en verdachte, alsmede op de in het dossier gevoegde foto’s.

4.1.2.

Standpunt verdediging/verdachte

Parketnummer: 10/711135-16

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 dient te worden vrijgesproken, omdat beide feiten niet kunnen worden bewezen. De raadsman betoogde hiertoe het navolgende: Met betrekking tot feit 1 ontbrak bij verdachte de wetenschap of het vermoeden dat de kratten van misdrijf afkomstig zouden zijn. Aan verdachte was door derden aangegeven dat hij deze goederen kon meenemen en verdachte zelf had de indruk dat het restanten betrof van een strandfeest. In het dossier kan voorts geen relatie worden gevonden met enige aangifte van diefstal.

Ten aanzien van feit 2 ontkent verdachte dit feit te hebben gepleegd. Uit het dossier blijkt niet dat de winkelmedewerkers, die dit vermeende feit zouden hebben gezien, zijn gehoord. Evenmin blijkt uit het dossier dat de simkaarten zijn geteld. De betrokken verbalisant heeft aangegeven dat hij de wegnemingshandeling van een of meer simkaarten op de camerabeelden van de winkel niet heeft kunnen zien.

Ten aanzien van de overige drie feiten (3-5) refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer: 10/740003-17

Met betrekking tot feit 1 ontkent verdachte zijn moeder te hebben geslagen. De blauwe kleur van de aan verdachte ter zitting getoonde foto van moeders gezicht [blz. 31 proces-verbaal [proces-verbaalnummer 1] ] zou het gevolg van een gebeurtenis van oudere datum zijn.

Verdachte ontkent de onder feit 2 opgenomen mishandeling. De verwonding, zoals deze te zien is op de aan verdachte ter terechtzitting getoonde foto van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] is afkomstig van een fietsongeval dat zich eerder heeft voorgedaan. Wel erkent verdachte dat hij toen en daar [naam slachtoffer 1] in een armklem heeft genomen, maar alleen uit zelfverdediging omdat [naam slachtoffer 1] hem aanviel.

Verdachte ontkent de bedreigingen te hebben geuit, zoals opgenomen onder feit 3.

Met betrekking tot feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot feit 5 [parketnummer [nummer] ] verklaart verdachte dit feit zich niet meer te kunnen herinneren. De raadsman merkt op dat dit verwijt een gering feit betreft dat in 2015 is gepleegd en derhalve als een oud feit moet worden aangemerkt.

4.1.3

Beoordeling.

4.1.3.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder parketnummer 10/711135-16, onder 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 10/740003-17, onder 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/740003-17 onder 5 ten laste gelegde heeft de verdachte na zijn aanhouding, ten aanzien van dit feit op 29 oktober 2015 tegenover de politie een bekennende verklaring afgelegd. Op grond hiervan en van de overige zich ten aanzien van dit feit in het dossier bevindende bewijsmiddelen –in onderling verband bezien– zal dit feit bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/740003-17 onder 4 ten laste gelegde heeft de rechtbank geconstateerd dat in het landelijk aangifteformulier winkeldiefstal bij de omschrijving van het geconstateerde in eigen bewoordingen door de aangever abusievelijk de datum 24-12-2016 is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat deze dient te worden hersteld, met dien verstande dat de hiervoor cursief weergegeven zinsnede wordt vervangen door 21 januari 2017. Temeer gelet op de bekennende verklaring van de verdachte.

4.1.3.2 Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 10/711135-16, feit 2

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting is niet met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder parketnummer 10/711135-16, onder 2 tenlastegelegde diefstal.

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.1.3.3. Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1.

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 10/711135-16, onder 1 primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldheling.

De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de in proces-verbaal [proces-verbaalnummer 2] opgenomen aangifte van aangever [naam slachtoffer 2] , die verklaarde –zakelijk samengevat – dat tussen 7 en 8 oktober 2016 in de strandtent [naam horecagelegenheid 1] was ingebroken en (onder meer) blikken en kratten drank waren weggenomen. De verklaring van verdachte, afgelegd tegenover de politie [ blz. 33 van proces-verbaal [proces-verbaalnummer 3] ] –zakelijk samengevat - dat in de duinen veel goederen lagen, zoals volle flessen bier; dat hij deze goederen had gevonden en dat meerdere personen toen en daar kratten met volle flessen en patat verzamelden en meenamen en hem hadden gezegd dat dit goed was. Gelet op de aangifte en gezien de in proces-verbaal [proces-verbaalnummer 4] fotobijlage 4 opgenomen foto’s kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze goederen voor eenieder zijn achtergelaten, maar ligt het veeleer voor de hand dat het gaat om de (achtergelaten) buit van een strafbaar feit. Omdat verdachte heeft nagelaten enig onderzoek te doen naar de herkomst van deze goederen heeft verdachte hiermee welbewust het risico genomen dat deze goederen van misdrijf afkomstig zouden zijn.

4.1.3.4. Ten aanzien van het parketnummer 10/740003-17, onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hierna nader aangegeven [4.2] en grondt dit oordeel op de volgende overwegingen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 4 januari 2017 in het huis van diens moeder te Oostvoorne met diens stiefvader [naam slachtoffer 1] een worsteling heeft gehad, waarbij, toen zijn moeder hem van [naam slachtoffer 1] wilde lostrekken, hij haar een duw heeft gegeven.

Verdachte heeft aangegeven dat de worsteling is aangevangen door [naam slachtoffer 1] zelf en dat zijn moeder en zijn stiefvader zelf de hieraan voorafgaande ruzie zijn begonnen.

[naam slachtoffer 1] en de moeder van verdachte verklaarden beiden tegenover de politie [ [proces-verbaalnummer 1] ] dat verdachte de ruzie vanwege diens gedrag heeft veroorzaakt. [naam slachtoffer 1] verklaarde dat verdachte hem op enig moment in een wurggreep pakte en hem op de grond gooide, hem heeft geslagen, heeft geschopt en hem in de hand heeft gebeten.

De moeder van verdachte verklaarde dat op enig moment tijdens de onenigheid verdachte [naam slachtoffer 1] in een wurggreep had genomen en hem heeft geschopt. Toen zij [naam slachtoffer 1] van verdachte wilde bevrijden, gaf verdachte haar een harde klap in het gezicht. Tijdens deze ruzie heeft verdachte haar met een misdrijf tegen het leven bedreigd.

Het draait dus om de vraag of geloof gehecht moet worden aan de verklaringen van beide slachtoffers dan wel aan die van verdachte.

Op grond van na te noemen overwegingen hecht de rechtbank geloof aan de verklaringen van aangeefster [naam slachtoffer 3] en de getuige/slachtoffer [naam slachtoffer 1] . Laatstgenoemde heeft uit angst voor verdachte ervan afgezien aangifte te doen. De verklaringen die op verschillende momenten en onafhankelijk van elkaar tegen de politie zijn afgelegd, komen in belangrijke mate met elkaar overeen. De rechtbank zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken, zoals verder aangegeven in bijlage II.

Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat verdachte ook met betrekking tot de andere aan de rechtbank voorgelegde feiten buitensporig fysiek en verbaal agressief gedrag heeft laten zien. Dit gedrag werd versterkt door het gebruik van middelen, zoals alcohol en drugs.

Alhoewel niet woonachtig in het huis van zijn moeder, verbleef verdachte daar geregeld en toonde kennelijk ook op eerdere momenten dit agressieve gedrag, waardoor zijn moeder zodanige angst had dat zij bij (en na) eerdere gewelddadige situaties met haar zoon geen aangifte heeft durven doen. Tegenover de politie [ [proces-verbaalnummer 1] ] heeft moeder verklaard dat in de nacht van 4 januari 2017 voor haar de maat vol was en dat zij daarom de politie heeft gebeld. Zij verklaarde dat zij zelf en haar zoon hulp nodig hebben om uit deze situatie weg te komen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] in hun proces-verbaal [ [proces-verbaalnummer 1] ] hebben aangegeven, te weten dat zij in de nacht van 4 januari 2017 kort na de melding geen zichtbaar letsel bij aangeefster hebben waargenomen. Dit maakt de verklaring van verdachte ter terechtzitting ongeloofwaardig, als zou het letsel van zijn moeder, zoals op de foto zichtbaar en door verbalisant [naam verbalisant 3] [ [proces-verbaalnummer 1] ] op 5 januari 2017 geconstateerd, van een eerder moment zijn.

Dit geldt ook voor de verklaring van verdachte tijdens diens verhoor tegenover de politie afgelegd met betrekking tot door [naam slachtoffer 1] “gepleegde misdrijven”. Uit het door verbalisant [naam verbalisant 4] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen [ [proces-verbaalnummer 5] ] is het de rechtbank gebleken dat er geen registraties of aangiftes zijn gevonden die de verklaring van verdachte ondersteunen.

Bij het eind proces-verbaal ten aanzien van deze feiten is gevoegd een door de burgemeester van de gemeente Westvoorne afgegeven beschikking houdende het opleggen van een huisverbod, als bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod. Het is de rechtbank bekend dat een dergelijke beschikking niet op lichte gronden wordt afgegeven, alhoewel een indicatie van eerdere incidenten met betrekking tot verdachte en diens moeder en zijn verblijf bij haar bij het proces-verbaal zelf ontbreekt. Bovendien blijkt niet dat verdachte beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing, hetgeen er op wijst dat hij zich heeft neergelegd bij deze beslissing van de burgemeester.

4.2

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer

10/740003-17, onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder van het onder parketnummer 10/711135-16, onder 1 primair impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 10/740003-17, onder 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Parketnummer 10/711135-16

1.

Hij op of omstreeks 08 oktober 2016

te Rockanje en/of Oostvoorne en/of Westvoorne, althans in Nederland,

(een) goed(eren), te weten een krat(ten) met (bier) flesjes, heeft verworven

en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof;

3.

Hij op of omstreeks 08 oktober 2016

te Brielle, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een (houten) tafel (van een dienstvoertuig), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan politie Eenheid

Rotterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt;

4.

Hij op of omstreeks 08 oktober 2016

te Brielle, althans in Nederland,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet

tegen een of meer ambtenaren, [naam slachtoffer 4] , agent van de politie Eenheid

Rotterdam en/of [naam slachtoffer 5] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam,

werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte en/of het overbrengen van verdachte naar een politiebureau,

door hevig heen en weer te bewegen en/of te bijten, althans bijtende

bewegingen te maken in de richting van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] , en/of te

schoppen in de richting van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] ;

5.

Hij op of omstreeks 08 oktober 2016

te Brielle, althans in Nederland, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [naam slachtoffer 4] , agent van de politie Eenheid Rotterdan en/of [naam slachtoffer 5] , hoofdagent van de politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun

bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "puta madre" en/of "jullie kanker moeder", althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking en/of (vervolgens) naar/in de richting van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] te spugen, althans een feitelijkheid van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Onder Parketnummer 10/740003-17

1.

Hij op of omstreeks 04 januari 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

zijn moeder, [naam slachtoffer 3] , heeft mishandeld door meermalen, althans éémaal, in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] te slaan en/of te stompen;

2.

Hij op of omstreeks 04 januari 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal,

- een armklem om de nek/keel van die [naam slachtoffer 1] aan te leggen en/of

(vervolgens) die armklem (met kracht) aan te trekken en/of aangetrokken te

houden en/of

- ( met kracht) in de pink, althans de hand van die [naam slachtoffer 1] te bijten en/of

- tegen/op de rug en/of van die [naam slachtoffer 1] te

slaan en/of te stompen (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer 1] probeerde op te staan) tegen/op het lichaam van

die [naam slachtoffer 1] te trappen (met geschoeide voet(en));

3.

Hij op of omstreeks 04 januari 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

[naam slachtoffer 3] (zijn, verdachtes, moeder) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Kankermoeder, je moet sterven en anders breng ik je wel om" en/of "Ik maak jullie dood, ik maak mijn moeder dood" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

Hij op of omstreeks 21 januari 2017 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit een winkelpand

gelegen op/aan de [adres delict 1] , heeft weggenomen

twee, althans één, blikje(s) bier (merk Grolsch) en/of hazelnootpasta en/of

Babi Pangang, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

(Parketnummer [nummer] )

Hij op of omstreeks 29 oktober 2015 te Schiedam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand

(gelegen op/aan [adres delict 2] ) heeft weggenomen een potje glucosamine,

althans een winkelgoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Kruidvat. , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

Noodweerverweer ten aanzien van parketnummer 10/740003-17 feit 2

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte de tenlastegelegde handeling heeft begaan, maar dat hij heeft gehandeld uit noodweer. Kennelijk is er iets voorgevallen waardoor de verdachte zich bedreigd voelde door de aangever waarna hij hem in een wurgklem om de nek/keel heeft genomen. Gelet hierop dient de verdachte voor alle handelingen in de tenlastelegging te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

Zoals overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zijn stiefvader,

[naam slachtoffer 1] op 4 januari 2017 een armklem om de nek/keel heeft gelegd en tevens dat hij die [naam slachtoffer 1] in de pink/hand heeft gebeten en, terwijl [naam slachtoffer 1] op de grond lag, met zijn geschoeide voet tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat de verdachte dit heeft gedaan in een situatie waarin een ruzie was ontstaan tussen hemzelf en [naam slachtoffer 1] , waarbij zijn moeder tussenbeide heeft moeten komen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich had kunnen en moeten distantiëren van de situatie.

Het verweer hieromtrent wordt verworpen.

De bewezen feiten leveren op:

parketnummer 10/711135-16:

1 primair (impliciet). schuldheling;

3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

4 wederspannigheid, meermalen gepleegd;

5. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

parketnummer 10/740003-17:

1 mishandeling, begaan tegen zijn moeder

2. mishandeling;

3 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4 en 5. telkens: diefstal. .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van kratten met flesjes, terwijl hij had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. De verdachte heeft zich niet afgevraagd wat de herkomst van deze goederen waren. Op deze wijze heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit.

De verdachte heeft zich bij zijn aanhouding schuldig gemaakt aan wederspannigheid tegen twee verbalisanten, waarbij hij één van hen in een vinger/hand heeft gebeten. Ook heeft hij deze verbalisanten bespuugd en beledigd. Verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de verbalisanten en hun toch al verre van gemakkelijke taak ernstig bemoeilijkt. Dergelijke delicten versterken de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust. Door zich zo te gedragen heeft de verdachte kenbaar gemaakt geen enkele wijze respect te hebben voor deze gezagsdragers, hetgeen de rechtbank hem aanrekent.

De verdachte heeft terwijl hij in het politievoertuig naar het politiebureau werd vervoerd een tafel in dat voertuig vernield.

De verdachte heeft zijn moeder mishandeld door haar in het gezicht te slaan. Ook heeft hij zijn stiefvader mishandeld door hem in een wurggreep te nemen en hem tegen het lichaam te schoppen. De ernst van deze feiten wordt mede ingegeven door de omstandigheid dat de mishandeling tegen de moeder die in familierechtelijke betrekking staat tot verdachte, in het huis van moeder heeft plaatsgevonden.

De verdachte heeft zijn moeder tevens met de dood bedreigd.

Dat de verdachte met zijn fysieke en verbale agressie veel angst en spanning heeft veroorzaakt blijkt onder meer uit de reactie van zijn moeder in haar aangifte tegen de verdachte.

De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte door zijn buitensporig handelen met name zijn moeder, angst en een onveilig gevoel in haar eigen huis heeft bezorgd.

Anderzijds merkt de rechtbank op dat aan het buitensporig agressief handelen van de verdachte een langdurig lopende problematiek ten grondslag ligt.

De verdachte heeft zich ook tweemaal schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

Hij heeft daarbij geen respect getoond voor het eigendom van de betreffende winkels. De omstandigheid dat het weliswaar diefstal betrof van een beperkt aantal levensmiddelen voor eigen gebruik en een pot vitamine, doet niet af aan de overlast die dergelijke delicten veroorzaken. Daarbij komt dat dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij kunnen versterken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

- Klinisch psycholoog drs. [naam deskundige] , heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 april 2017. Dit rapport houdt het volgende in:

De verdachte lijdt aan complexe PTSS (posttraumatische stress stoornis), een persoonlijkheidsstoornis NAO (met antisociale, borderline en narcistische trekken) en misbruik van cannabis en alcohol. Uitgesloten dient te worden of de verdachte zwakbegaafd is. Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde gewelddadige feiten waren de genoemde stoornissen/gebreken aanwezig en actueel. Geadviseerd wordt om de verdachte de mishandeling (en bedreiging) van zijn moeder en stiefvader alsmede de misdragingen jegens de agenten in verminderde mate toe te rekenen. Omtrent de vermogensdelicten kan onderzoeker, wegens ontkenning van de verdachte, geen uitspraken doen.

De verdachte is een door zijn trauma's zeer beschadigde man, die minder dan de gemiddelde Nederlander in staat is om zijn emoties de baas te blijven en zijn gedrag te sturen. Dit geldt met name in situaties waarin hij (bewust of onbewust) herinnerd wordt aan de traumatische gebeurtenissen uit zijn jeugd. In een dergelijke triggersituatie wordt de verdachte grotendeels bestuurd door zijn emoties. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft geen huisvesting, werk of stabiel inkomen.

Daarnaast is hij verslavingsgevoelig en misbruikt hij alcohol en cannabis. Door de verdachte's turbulente en instabiele leven is er nooit ruimte geweest voor de verwerking van zijn trauma's. Daarnaast komt hij in het criminele en gebruikerscircuit veel mensen tegen die zijn ideeën over de wereld (mensen zijn erop uit om je te gebruiken) bevestigen. Tot slotte hebben de verdachte’s slechte levensomstandigheden er meerdere malen voor gezorgd dat hij gedwongen was terug te gaan naar zijn ouderlijk huis. Dit terwijl moeder en stiefvader een grote rol hebben gespeeld bij de traumatisering van de verdachte. Het terugplaatsen van de verdachte in deze situatie zorgt ongetwijfeld voor een verergering

van de PTSS symptomen. Geadviseerd wordt de verdachte klinisch te laten behandelen voor, in eerste instantie, zijn complexe PTSS.

Gezien de complexiteit van de problematiek en de verdachte's impulsieve en soms gewelddadige aard, lijkt het geïndiceerd deze behandeling binnen een FPK te laten plaatsvinden. Mocht de kliniek zelf niet het juiste behandelaanbod hebben voor de verdachte, kan mogelijk een trauma-specialist vanuit de ambulante forensische sector al binnen de kliniek met de behandeling starten. Initieel zal een stabilisatie periode nodig zijn, maar onderzoeker adviseert niet te lang te wachten met de start van de behandeling gezien de verdachte's affectieve, cognitieve en gedragsmatige onrust veroorzaakt lijken te worden door de trauma gerelateerde problematiek. Onderzoeker adviseert om voorgaand behandeladvies te realiseren binnen een ISD-maatregel. Behandeling van complexe PTSS is langdurig en intens. Een randvoorwaarde voor deze behandeling is het creëren van stabiliteit en structuur. De verdachte's huidige levensomstandigheden bieden dit niet. Een ISD-traject biedt de beste mogelijk op deze stabiliteit en structuur. Daarnaast kan door de relatieve lange duur van twee jaar van de maatregel gebouwd worden aan een duurzame behandelrelatie, waarbinnen de verdachte hopelijk gemotiveerd kan worden om behandeling (in welke vorm dan ook) na afloop van de ISD-maatregel voort te zetten.

Een klinische opname binnen een voorwaardelijk strafdeel is ook overwogen. Onderzoeker

denkt echter dat een behandeling binnen dit kader niet zal slagen wegens verdachtes

geringe spanningsboog, impulsiviteit en fragiele motivatie. De kans op een overtreding van de regels van de kliniek (bv door middelengebruik of agressiviteit) lijkt groot, met ontslag uit de kliniek (en terugplaatsing naar de PI) als gevolg.

- Bouman GGZ, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 april 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

In grote lijnen onderschrijft de reclassering het rapport van de psycholoog.

Het alcoholgebruik en de psychische problematiek lijken gerelateerd te zijn aan het ten laste gelegde. Naast deze criminogene factoren zijn er grote sociaal-maatschappelijke problemen; de verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, geen inkomen, een structurele dagbesteding en een steunend netwerk ontbreekt. Een eerder reclasseringstoezicht werd enkele maanden geleden voortijdig beëindigd, daar de verdachte zich niet had gehouden aan de bijzondere voorwaarden.

Behandeling gericht op de verslavings- en psychische problematiek en hulp op praktisch gebied wordt noodzakelijk geacht, om de kans op recidive, die hoog wordt ingeschat, te doen verminderen. In de afgelopen tijd werd vanuit het lokaal zorgnetwerk van de gemeente Westvoorne door de polikliniek van Bouman GGZ middels outreachende zorg getracht om de verdachte in beeld te houden en overlastgevend gedrag te verminderen. Dit heeft echter niet tot gewenst resultaat geleid. Ook het laatst opgelegde toezicht is negatief retour gezonden, dit al voordat er contact met de verdachte was omdat hij recidiveerde met onderhavige zaak. De mogelijkheden om de verdachte in een vrijwillig kader de noodzakelijke zorg te bieden worden als zeer gering ingeschat. Vanwege het eerder voortijdig beëindigde toezichten en het gebrek aan motivatie bij de verdachte, zou een strikter forensisch kader, zoals in de vorm van een ISD maatregel meer mogelijkheden bieden om de verdachte vanuit een gestructureerde setting de noodzakelijke zorg te bieden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusie van de psycholoog gedragen wordt door diens bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over. De verdachte wordt door de rechtbank in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

ISD 38m

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 maart 2017 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de psycholoog en reclassering dat (en waarom) oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen. De rechtbank stelt mede op grond van deze rapportages vast dat de eerder aan verdachte opgelegde strafrechtelijke sancties niet hebben geleid tot verandering van diens gedrag. Meerdere malen heeft verdachte zich onttrokken aan kansen – al dan niet in verplicht kader aangeboden – om hulp tot verbetering van diens situatie te benutten. Verdachte heeft geen vaste woon- en/of verblijfplaats en evenmin een geregeld inkomen en zal in geval van een crisis weer snel terugvallen op de ouderlijke voorzieningen. Zowel de rapporterende psycholoog als de reclassering houden ernstig rekening met de mogelijkheid dat verdachte zal recidiveren en verwachten van een niet klinische behandeling van de geconstateerde trauma’s en stoornissen – zoals door de raadsman voorgesteld - volstrekt onvoldoende effect.

De veiligheid van personen of goederen vereist dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale duur van twee jaren, zonder aftrek van de duur van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Daarbij is mede gelet op ernst van de begane feiten en de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen.

De rechtbank is van oordeel dat zowel voor de samenleving als verdachte zelf een strak juridisch kader van langere duur, hetgeen de ISD-maatregel biedt, waarin verdachte met uitgebreide hulpverlening en begeleiding kan werken aan zijn problemen, het meest aangewezen is.

Algemene afsluiting

Alles afwegend worden na te noemen maatregel passend en geboden geacht.

8 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd:

- ter zake van de onder parketnummer 10/740003-17, feit 1 en feit 3 ten laste gelegde feiten [naam benadeelde 1] . De benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 5.799,-- aan materiële schade en een vergoeding van € 10.000,-- aan immateriële schade.

- ter zake van de onder parketnummer 10/740003-17, feit 2 ten laste gelegde feit [naam benadeelde 2] . De benadeelde partij [naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 2.600,-- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,-- aan immateriële schade.

8.1.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de onder parketnummer 10/740003-17, onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder parketnummer 10/740003-17, onder 2 bewezenverklaarde feit. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.2.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partijen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38m, 38n, 57, 180, 266, 267, 285, 300, 304, 310, 350 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder hem onder parketnummer 10/711135-16, onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/711135-16, 1 primair impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 en de onder parketnummer 10/740003-17, 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Onder parketnummer 10/711135-16

1.

hij

op of omstreeks 08 oktober 2016

te Rockanje en/of Oostvoorne en/of Westvoorne, althans in Nederland,

(een) goed(eren), te weten een krat(ten) met (bier) flesjes, heeft verworven

en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 08 oktober 2016

te Rockanje en/of Westvoorne en/of Oostvoorne, althans in Nederland,

opzettelijk

(een) krat(ten) met (bier)flesjes, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 6] en/of [naam horecagelegenheid 2] en/of

[naam horecagelegenheid 3] en/of strandtent [naam horecagelegenheid 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door

misdrijf, te weten als vinder, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 08 oktober 2016

te Oostvoorne en/of Westvoorne,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een (hoeveelheid) (Lebara) simkaart(en), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (locatie [adres delict 3] ), in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 08 oktober 2016

te Brielle, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een (houten) tafel (van een dienstvoertuig), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan politie Eenheid

Rotterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op of omstreeks 08 oktober 2016

te Brielle, althans in Nederland,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet

tegen een of meer ambtenaren, [naam slachtoffer 4] , agent van de politie Eenheid

Rotterdam en/of [naam slachtoffer 5] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam,

werkzaam in de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte en/of het

overbrengen van verdachte naar een politiebureau,

door hevig heen en weer te bewegen en/of te bijten, althans bijtende

bewegingen te maken in de richting van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] , en/of te

schoppen in de richting van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] ;

art 180 Wetboek van Strafrecht

5.

hij

op of omstreeks 08 oktober 2016

te Brielle, althans in Nederland,

opzettelijk

(een) ambtena(a)r(en), te weten [naam slachtoffer 4] , agent van de politie Eenheid

Rotterdan en/of [naam slachtoffer 5] , hoofdagent van de politie Eenheid Rotterdam,

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun

bediening,

in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,

mondeling

heeft beledigd,

door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "puta madre" en/of "jullie kanker

moeder", althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking

en/of (vervolgens) naar/in de richting van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] te

spugen, althans een feitelijkheid van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Onder Parketnummer 10/740003-17

1.

hij

op of omstreeks 04 januari 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

zijn moeder, [naam slachtoffer 3] ,

heeft mishandeld door meermalen, althans éémaal, in/tegen het gezicht, althans

op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] te slaan en/of te stompen;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 04 januari 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

[naam benadeelde 2] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal,

- een armklem om de nek/keel van die [naam slachtoffer 1] aan te leggen en/of

(vervolgens) die armklem (met kracht) aan te trekken en/of aangetrokken te

houden en/of

- ( met kracht) in de pink, althans de hand van die [naam slachtoffer 1] te bijten en/of

- tegen/op de rug en/of de buik, althans het lichaam van die [naam slachtoffer 1] te

slaan en/of te stompen (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer 1] probeerde op te staan) tegen/op het lichaam van

die [naam slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen (met geschoeide voet(en));

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 04 januari 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

[naam slachtoffer 3] (zijn, verdachtes, moeder) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 3] dreigend de

woorden toegevoegd: "Kankermoeder, je moet sterven en anders breng ik je wel

om" en/of "Ik maak jullie dood, ik maak mijn moeder dood" , althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op of omstreeks 21 januari 2017 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit een winkelpand

gelegen op/aan de [adres delict 1] , heeft weggenomen

twee, althans één, blikje(s) bier (merk Grolsch) en/of hazelnootpasta en/of

Babi Pangang, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

5.

(Parketnummer [nummer] )

hij

op of omstreeks 29 oktober 2015 te Schiedam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand

(gelegen op/aan [adres delict 2] ) heeft weggenomen een potje glucosamine,

althans een winkelgoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Kruidvat, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht