ECLI:NL:RBROT:2017:5031 Rechtbank Rotterdam , 03-07-2017 / ROT 16/3733

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/3733

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2017 in de zaak tussen


[naam] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. C.C.N. Brens-Cats,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2015 (primair besluit I) heeft verweerder eiser medegedeeld dat de kosten van de ontmanteling van een hennepkwekerij in de woning aan de [adres] (hierna: de woning) bij hem in rekening worden gebracht.

Bij besluit van 27 november 2015 (primair besluit II) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 4.000,- opgelegd omdat in de woning woonruimte zonder een onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot woonruimte is onttrokken ten behoeve van hennepteelt.

Bij besluit van 18 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren gericht tegen het verhalen van de kosten van de ontmanteling van de hennepkwekerij ongegrond verklaard en primair besluit I gehandhaafd, de bezwaren gericht tegen de boete gedeeltelijk gegrond verklaard, de motivering aangepast zoals in het advies van de bezwaarschriftencommissie is opgenomen en de boete verlaagd naar € 2.000,-, en voor het overige primair besluit II gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 6 april 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser gevraagd de post verletkosten die is vermeld op het proceskostenformulier te onderbouwen. Bij brief van 19 april 2017 is eiser op deze vraag ingegaan.

Nadat zowel eiser als verweerder toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser is eigenaar van de woning en verhuurde deze. Op 1 mei 2015 is tijdens een inspectie van de woning gebleken dat de woonkamer en drie slaapkamers in gebruik waren ten behoeve van hennepteelt. Dat deel van de woning was daardoor niet langer geschikt voor bewoning. Verweerder heeft eiser een bestuurlijke boete opgelegd omdat hij de woning in strijd met 21, aanhef en onder a, en artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met artikel 16a van de Huisvestingsverordening Stadsregio Rotterdam 2006 zonder een onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot woonruimte heeft onttrokken ten behoeve van hennepteelt. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven af te zien van de oplegging van de bestuurlijke boete dan wel matiging van de hoogte van de boete is volgens verweerder niet gebleken. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om af te zien van invordering van de bestuurlijke boete. Verweerder heeft de boete in het bestreden besluit verlaagd tot € 2.000,- omdat niet gebleken is van bedrijfsmatige exploitatie van de hennepkwekerij.

1.2

Op 1 mei 2015 heeft verweerder spoedeisende bestuursdwang toegepast door de in de woning aangetroffen hennepkwekerij onmiddellijk te laten ontmantelen. Van de ontmanteling is een rapport opgesteld door het Cluster Stadsontwikkeling, Toezicht Gebouwen, van de gemeente Rotterdam en door een fraudespecialist van Stedin Netbeheer (Stedin). In de woning is 52 m2 kweekoppervlakte, zijn acht transformatoren en zijn vijf assimilatielampen aangetroffen. Deze lampen en transformatoren waren op hout gemonteerd. Er was voorts sprake van open aansluitingen, een niet geaarde installatie en diefstal van energie. De fraudespecialist van Stedin heeft geconstateerd dat door de elektrische installatie van de hennepkwekerij een ernstig gevaar op brand en elektrocutie aanwezig was. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de hennepkwekerij vanwege ernstig gevaar voor omwonenden terecht met spoed is ontmanteld. De hennepkwekerij in de woning was gevaarlijk voor de volksgezondheid en er was ernstig brand- en elektrocutiegevaar. Eiser is als overtreder aangemerkt en gelet daarop zijn de kosten op hem verhaald. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt en dat dus de kosten van de ontmanteling van de hennepkwekerij niet op hem verhaald hadden mogen worden. Eiser wist niet en had niet kunnen weten dat een deel van het verhuurde zou worden gebruikt als hennepkwekerij. Eiser heeft er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat het appartement zou worden gebruikt voor illegale praktijken als hennepteelt. Zo heeft eiser een kopie gevraagd van het legitimatiebewijs van de huurder, heeft hij de huurovereenkomst door de huurder laten ondertekenen, en heeft hij de huurder gevraagd om salarisspecificaties. Ook is eiser twee keer langs het appartement gereden en heeft hij aan de buren gevraagd of ze iets te melden hadden over de huurder. Dat was niet het geval. Eiser heeft de buren gevraagd hem direct te melden als er problemen waren met de huurder. Hij heeft echter van hen geen klachten gehoord. Eiser vindt het niet gebruikelijk om de woning ter controle binnen te bekijken. Dat de borg en/of de eerste huur contant werd betaald is niet heel ongebruikelijk. Eiser is van mening dat de bij hem in rekening gebrachte kosten van ontmanteling onevenredig hoog waren. Daarbij is van belang dat na de ontruiming nog veel spullen werden aangetroffen die hij zelf heeft moeten afvoeren. Eiser meent dat ten onrechte gebruik is gemaakt van spoedeisende bestuursdwang, nu de hennepkwekerij al was ontmanteld. Ook was de huurder al vertrokken, zodat de hennepkwekerij niet snel weer zou worden opgestart. Eiser stelt dat aan hem geen bestuurlijke boete kon worden opgelegd. Hij is immers geen overtreder maar slachtoffer. Mocht sprake zijn van een overtreding, dan is deze eiser niet te verwijten. Gelet daarop dient de boete gematigd te worden. Daarbij is eiser van mening dat zijn financiële situatie in aanmerking dient te worden genomen. Eiser heeft veel schulden en hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening van de gemeente Emmen. Een nieuwe schuld kan er toe leiden dat de schuldhulpverlening wordt beëindigd.

3.1

Ten aanzien van het bestreden besluit, voor zover daarin op de bezwaren tegen primair besluit I is beslist, spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt en mitsdien de kosten, verband houdend met de toepassing van bestuursdwang, ten laste van eiser heeft mogen brengen en of verweerder in verband met de aangetroffen hennepkwekerij bevoegd was tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang.

3.2

Niet in geschil is dat drie slaapkamers en de woonkamers van de woning volledig waren ingericht als hennepkwekerij. Het gebruik van een ruimte voor de teelt van hennep is wettelijk (onder andere op grond van de Opiumwet) niet toegestaan en is daarnaast in strijd met het bepaalde in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet.

3.3

Ter beoordeling staat vervolgens of eiser als eigenaar en verhuurder van de woning als overtreder is aan te merken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - onder meer de uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:288) - is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt.

3.4

Als verhuurder lag het op de weg van eiser om in zekere mate toezicht te houden op het gebruik van de woning. Ter zitting heeft eiser medegedeeld dat hij niet steeds kon langs gaan om toezicht te houden op de woning en dat hij daarom met de buren heeft afgesproken dat zij toezicht houden. Daarmee heeft eiser onvoldoende toezicht gehouden op het gebruik dat van de verhuurde woning wordt gemaakt. Eiser had de woning regelmatig moeten bezoeken ter inspectie en had het toezicht niet kunnen uitbesteden aan de buren, waarbij nog van belang is dat niet gebleken is dat de buren wel de woning hebben bezocht. Door in onvoldoende mate toezicht te houden op de woning is eiser tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem kon en mocht worden gevergd. Hieruit volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist of niet kon weten dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. Hij kan dan ook als overtreder worden aangemerkt.

3.5

Nu de fraudespecialist van Stedin heeft geconstateerd dat door de elektrische installatie van de hennepkwekerij een ernstig gevaar op brand en elektrocutie aanwezig was, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat sprake was van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb op grond waarvan verweerder bevoegd was te besluiten bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande last. Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang en over kunnen gaan tot de onmiddellijke ontmanteling van de hennepkwekerij. Verweerder hoefde eiser niet eerst in de gelegenheid te stellen om de hennepkwekerij zelf te ontmantelen. Dat de hennepkwekerij niet in bedrijf was en de fraudespecialist de elektrische installatie had veiliggesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het veiligstellen van de elektrische installatie is een handeling die in het kader van de ontmanteling is uitgevoerd en maakt daar onlosmakelijk deel van uit. Verweerder wijst terecht op het risico dat indien wordt volstaan met het veiligstellen van de elektrische installatie de hennepkwekerij weer in gebruik kan worden genomen. Bovendien wordt met de ontruiming voorkomen dat (elders) met dezelfde apparatuur een nieuwe hennepkwekerij wordt opgezet.

3.6

Dat eiser na de ontmanteling nog zakken met hennepresten, afzuiginstallaties en potten heeft aangetroffen, betekent op zichzelf niet dat verweerder te hoge kosten voor de ontmanteling bij eiser in rekening heeft gebracht. Eiser heeft zijn betoog dat de ontmantelingskosten te hoog zijn niet anderszins onderbouwd, zodat dat betoog faalt. De stelling van eiser dat hij schade heeft geleden door de wijze van ontmanteling van de hennepkwekerij betreft niet een besluit maar feitelijk handelen waarover de bestuursrechter niet bevoegd is te oordelen. Bovendien is de gestelde schade niet gespecificeerd of onderbouwd.

3.7

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het in rekening brengen van de kosten van ontmanteling van de hennepkwekerij, is ongegrond.

4.1

Ten aanzien van het bestreden besluit, voor zover daarin op de bezwaren tegen primair besluit II is besloten, overweegt de rechtbank het volgende.

4.2

Vast staat dat de woonkamer en drie slaapkamers in de woning werden gebruikt voor hennepteelt. Daarmee is de woning niet langer geschikt voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze geschikt is zonder gebruik van de woonkamer en de drie slaapkamers voor hennepteelt. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank tevens van oordeel dat eiser ter zake van de overtreding een verwijt kan worden gemaakt. Verweerder was dan ook bevoegd eiser een boete op te leggen.

4.3

Verweerder heeft in het bestreden besluit de aan eiser opgelegde bestuurlijke boete verlaagd naar € 2.000,- omdat niet is gebleken van bedrijfsmatige exploitatie. Daarbij dient nog beoordeeld te worden of in hetgeen eiser heeft aangevoerd bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb zijn gelegen, die verweerder aanleiding hadden moeten geven om de boete te matigen. Bij de beoordeling of een opgelegde boete voldoet aan de eisen van een evenredige sanctie, is de mate waarin de boete de betrokkene treft van belang. In de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel vierde tranche Awb heeft de regering vermeld dat, in lijn met artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht, ook de draagkracht van de overtreder een rol kan spelen:

“In de meeste gevallen zal het bestuursorgaan ervan mogen uitgaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van een boete. Maar zeker bij hogere boeten zal het bestuursorgaan zich ervan moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft. Wat een hoge boete is, zal daarbij van de context afhangen. Het ligt voor de hand dat de draagkracht bijvoorbeeld bij boeten op het gebied van de sociale zekerheid eerder en vaker een rol zal spelen dan op veel andere terreinen.” (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 141-142).

4.4

Gelet hierop treft een met het oog op zijn draagkracht passende bestuurlijke boete de betrokkene dus niet onevenredig in zijn inkomen en vermogen. Hieruit volgt dat een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht moet slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.

4.5

Eiser heeft aangevoerd dat hij veel schulden heeft en in verband daarmee is toegelaten tot de schuldhulpverlening van de gemeente Emmen. Een nieuwe schuld leidt ertoe dat de schuldhulpverlening wordt beëindigd. Dit betoog van eiser impliceert dat de boete op nihil zou moeten worden gesteld om te voorkomen dat de schuldhulpverlening wordt beëindigd. Tot een matiging tot nihil bestaat echter geen grond nu dat zou betekenen dat aan personen die zijn toegelaten tot gemeentelijke schuldhulpverlening nooit een boete zou kunnen worden opgelegd. Die consequentie strekt naar het oordeel van de rechtbank te ver en doet te veel afbreuk aan doel en functie van de wettelijke bevoegdheid een boete op te leggen. Bovendien is de draagkracht van eiser slechts een van de in aanmerking te nemen factoren is die tot (verdere) matiging van een evenredig vast te stellen boete leiden (ECLI:NL:CRVB:2017:1816). Verder is van belang dat bij invordering van de boete de beslagvrije voet in acht moet worden genomen door verweerder. Wel ziet de rechtbank in de financiële omstandigheden van eiser aanleiding de boete verder te matigen. Daarbij zoekt de rechtbank, evenals in haar uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2824, voor de wijze van matiging aansluiting bij de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 (onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:9) over de nadere invulling en uitwerking van het boeteregime in bijstandszaken.

4.6

De rechtbank ziet geen grond om uit te gaan van opzet of grove schuld en evenmin om uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid. Uitgaande van ‘normale’ verwijtbaarheid bepaalt de rechtbank de boete op een bedrag van € 1.330,-, te weten: 12 maal 10% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden ten tijde van deze uitspraak (€ 1.108,48), naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen primair besluit II en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met betrekking tot dat bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). Ten aanzien van de door eiser vermelde verletkosten voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis, overweegt de rechtbank dat eiser uitgaat van een uurtarief van € 55,- terwijl hij dit uurtarief niet heeft onderbouwd of gespecificeerd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9511) bepaald dat in dat geval het minimumtarief wordt gehanteerd. De rechtbank begroot daarom de verletkosten op 49,- (7 uur à het minimumtarief van € 7,-). De reiskosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb stelt de rechtbank vast op € 53,76 zijnde het tarief openbaar vervoer tweede klasse vanaf het woonadres van eiser naar de rechtbank en weer terug.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond voor zover het de hoogte van de boete betreft;

-

vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

-

legt aan eiser een boete van € 1.330,- op;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

-

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.082,76,

waarvan € 1.980,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.