ECLI:NL:RBSHE:2010:BM1319 Rechtbank 's-Hertogenbosch , 14-04-2010 / 681466

Uitspraak

Kantonrechter te Helmond*

Zaaknummer : 681466

Rolnummer : 1145/10

Uitspraak : 14 april 2010

In de zaak van:

de besloten vennootschap A. B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: E.A.P. van Lith,

Postbus 393, 5600 AJ Eindhoven,

t e g e n :

W. ,

wonende te Helmond,

gedaagde,

niet verschenen.

1. De procedure.

Eiseres heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is niet in rechte verschenen, waarna verstek tegen haar is verleend. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevonden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als “de B.V.” en “W.”.

2. De beoordeling

1. De B.V. vordert op daartoe in de dagvaarding vermelde gronden als staat te lezen in het petitum van die dagvaarding.

2. W. heeft hiertegen geen verweer aangevoerd. Bij gebreke aan verweer dient hetgeen zijdens de B.V. is aangevoerd voor juist te worden gehouden en komt het gevorderde om die reden voor toewijzing in aanmerking, behoudens voor zover moet worden geoordeeld dat dit ongegrond of onrechtmatig is.

3. Dienaangaande merkt de kantonrechter op dat ten aanzien van de gevorderde boete in de dagvaarding niet is aangegeven waar de vordering op is gegrond. Uit de mede overgelegde producties leidt de kantonrechter af dat het hierbij gaat om een vordering die voortvloeit uit artikel 20 van de op de overeenkomst van toepassing verklaarde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte, productie 2 bij de dagvaarding.

4. De kantonrechter kan deze Algemene Bepalingen niet anders kwalificeren dan als standaardvoorwaarden. De kantonrechter heeft op grond van de Europese regelgeving en daarover gegeven jurisprudentie van het Hof van Justitie te Luxemburg – ook ambtshalve – te beoordelen of de bedingen die in dergelijke voorwaarden zijn opgenomen niet nietig zijn vanwege hun onredelijk bezwarend karakter. De Nederlandse regelgeving dient daarbij te worden uitgelegd conform (onder meer) hetgeen dienaangaande is opgenomen in de Richtlijn 93/13 van de Raad van Europa van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Voor zover deze richtlijn al niet tevens ziet op huurovereenkomsten, is de kantonrechter van oordeel dat niet valt in te zien waarom een consument in een huurovereenkomst minder bescherming zou verdienen dan in een koopovereenkomst. Nu de Richtlijn – anders dan voor vervoersovereenkomsten – geen expliciete uitzondering maakt voor huurovereenkomsten, is de kantonrechter van oordeel dat bij de beoordeling van Algemene Voorwaarden die van toepassing zijn op een huurovereenkomst als de onderhavige een als consument te kwalificeren huurder aanspraak kan maken op bescherming tegen oneerlijke bedingen tot op een niveau dat door deze Richtlijn wordt beoogd.

5. Volgens genoemde Richtlijn is een consument "elke natuurlijke persoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen." W. kan als zodanig worden beschouwd, nu de B.V. aan haar stellingname ten grondslag legt dat W. woonruimte heeft gehuurd en niet is gebleken dat deze ruimte wordt benut voor beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten.

6. Ingevolge artikel 3, lid 3 van genoemde Richtlijn, gelezen in samenhang met de daarbij behorende lijst (sub 1.e), wordt een boetebeding verondersteld oneerlijk te zijn wanneer het gaat om een beding dat beoogt "de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen". De kantonrechter is van oordeel dat artikel 20.6 van genoemde Algemene Bepalingen als zodanig kan worden gekwalificeerd, nu aan de te verbeuren boete in deze bepaling geen limiet wordt gesteld. Hierdoor kan een verbeurde boete oplopen tot een omvang die uiteindelijk in geen enkele redelijke verhouding meer staat tot de geleden schade. In het onderhavige geval doet zich dat naar het oordeel van de kantonrechter ook daadwerkelijk voor, nu de B.V. naast betaling van de huurpenningen een op 25 augustus 2008 aangezegde boete opeist die zij heeft laten oplopen tot een bedrag van € 14.000,= ten tijde van de dagvaarding, zijnde 10 maart 2010. Van enige noodzaak om van eind 2008 tot 10 maart 2010 te wachten met dagvaarden is de kantonrechter niet gebleken.

7. De kantonrechter zal onder verwijzing naar het voorgaande de gevorderde boete afwijzen, nu deze kennelijk is gegrond op een beding dat naar geldend recht als oneerlijk en daarmee onredelijk bezwarend heeft te gelden. Toewijsbaar is derhalve de huurachterstand (€ 7.954,56), vermeerderd met de vervallen rente tot de datum der dagvaarding c.q. voldoening (€ 312,47) en een bedrag van € 150,= wegens buitengerechtelijke incassokosten, zijnde in totaal € 8.417,03. Op dit bedrag kan in mindering worden gebracht een bedrag van € 7.101,30 dat na aanmaning door gedaagde is voldaan. Na aftrek van dat bedrag, dat in eerste instantie wordt toegerekend aan de rente en kosten, resteert een nog te betalen hoofdsom van € 1.315,73, welk bedrag toewijsbaar is.

8. De gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten zal de kantonrechter beperken tot een bedrag van € 150,=, zijnde het bedrag dat volgens de staffel bij het Rapport Voorwerk II redelijk is bij vorderingen tot een omvang van € 1.250,=. Bij een gebruikelijke gang van zaken zal een verhuurder van woonruimte na het ontstaan van een huurachterstand van drie maanden tot dagvaarding overgaan. Van een verhuurder mag ook worden verlangd dat zij voortvarend optreedt bij het ontstaan van achterstanden. De kantonrechter gaat daarom bij de vaststelling van een redelijke vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten uit van een vordering ter grootte van drie maanden huur. Voor zover de B.V. meer verlangt, wordt dit als kennelijk ongegrond afgewezen.

9. Het overige gevorderde komt de kantonrechter verder niet ongegrond of onrechtmatig voor en kan daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden vastgesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis. De kosten van dit geding zijn noodzakelijk geworden doordat W. in gebreke is gebleven om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Dat rechtvaardigt de beslissing om – ondanks hetgeen ambtshalve is overwogen - de proceskosten toch voor haar rekening te brengen.

3. De beslissing.

De kantonrechter:

Ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende het gehuurde gelegen aan de ………straat …. te Helmond;

Veroordeelt de gedaagde partij om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van de eisende partij te stellen;

Machtigt de eisende partij, voor het geval de gedaagde partij met voormelde ontruiming in gebreke mocht blijven, die ontruiming zelf te doen bewerkstelligen conform artikel 556, lid 1 Rv. door een deurwaarder en op kosten van gedaagde;

Veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen kwijting te betalen een bedrag van

€ 1.315,73, vermeerderd met de contractuele rente ad 1% per maand over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 10 maart 2010, tot de dag der voldoening;

Veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen kwijting te betalen een bedrag van

€ 398,67 voor elke maand of deel van een maand, dat de gedaagde partij vanaf 1 april 2010 het gehuurde niet heeft ontruimd en verlaten;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen te Helmond door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

typ: RC/Coll:

* De kantonrechter te Helmond maakt sedert 1 januari 2002 bestuurlijk onderdeel uit van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

??

??

??

??

681466 CV EXPL 1145/10 blad 2

vonnis