ECLI:NL:RBZWB:2017:2392 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-04-2017 / C/02/317412 / FA RK 16-3774

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaak/rekestnr: C/02/317412 / FA RK 16-3774

beschikking d.d. 18 april 2017

in de zaak van

Stichting Intervence, hierna: de Stichting,

gevestigd te Middelburg,

verzoeker,

betreffende de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt:

-

[belanghebbende 1] , de moeder, wonende te [adres] ,

-

[belanghebbende 2] , de erkenner, wonende te [adres] ,

-

[belanghebbende 3] , de pleegouders van [minderjarige 1] , wonende te [adres] ,

-

[belanghebbende 4] , de pleegouders van [minderjarige 2] , wonende te [adres] ,

-

mr. V.J.C. Pieters, kantoorhoudende te Goes, in haar hoedanigheid als bijzondere curator over voornoemde minderjarigen.

alsmede in de zaak van:


[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004 en [minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , te dezen vertegenwoordigd door mr. V.J.C. Pieters in diens hoedanigheid van bijzondere curator.

Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt:

-

[belanghebbende 1] , de moeder, wonende te [adres] ,

-

[belanghebbende 2] , de erkenner, wonende te [adres] ,

-

[belanghebbende 3] , de pleegouders van [minderjarige 1] , wonende te [adres] ,

-

[belanghebbende 4] , de pleegouders van [minderjarige 2] , wonende te [adres] ,

-

De Stichting Intervence, gevestigd te 4330 AB Middelburg, Postbus 62 (hierna: de Stichting).

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in beide procedures gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de beschikking van de rechtbank d.d. 7 september 2016 en de daarin genoemde stukken;

- het op 4 oktober 2016 ingekomen F-formulier van de bijzondere curator, met bijlagen;

- het op 21 oktober 2016 ingekomen F-formulier van de bijzondere curator;

- het op 17 november 2016 ingekomen F-formulier van de bijzondere curator, met bijlagen;

- het op 27 februari 2017 ingekomen F-formulier van de bijzondere curator;

- het op 14 maart 2017 ingekomen voorwaardelijk verzoekschrift van de bijzondere curator strekkende tot vernietiging van de erkenning ex artikel 1:205, met bijlagen;

- het op 16 maart 2017 ingekomen F-formulier van de bijzondere curator.

1.2

De bovenstaande verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 27 maart 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen de heer [medewerker] namens de Stichting, de pleegouders van [minderjarige 1] , de pleegouders van [minderjarige 2] , mevrouw [medewerkster] namens de Raad alsmede de bijzondere curator. De moeder en de erkenner zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De verdere beoordeling

In de zaak van: Stichting Intervence.

2.1

De Stichting verzoekt in de hoedanigheid van voogd van de beide minderjarigen de vernietiging van de op 26 februari 2016 met toestemming van de moeder gedane erkenning van de beide minderjarigen door haar partner de heer [belanghebbende 2] . De rechtbank verwijst allereerst naar haar beschikking van 7 september 2016. Bij die beschikking is mr. V.J.C. Pieters benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen en is zij verzocht verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek tot vernietiging van de erkenning in te nemen.

2.2

Het verslag en de bevindingen en het standpunt van de bijzondere curator omtrent het verzoek is op 4 oktober 2016 ingekomen. De bijzondere curator is - voor zover van belang - van mening dat de Stichting niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek strekkende tot de vernietiging van de erkenning.

2.3

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4

Op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) wordt in zaken betreffende afstamming een minderjarig kind als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator.

2.5

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bepaling volgt dat de minderjarigen in onderhavige afstammingsprocedure uitsluitend kunnen worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De rechtbank zal de Stichting dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning.

In de zaak van: [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004 en [minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , te dezen vertegenwoordigd door mr. V.J.C. Pieters in diens hoedanigheid van bijzondere curator.

2.6

De bijzondere curator verzoekt namens de beide minderjarigen, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de Stichting niet ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek tot vernietiging van de erkenning, om die erkenning te vernietigen, als bedoeld in artikel 1:205, eerste lid, onder a, BW. Nu de Stichting niet ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek, komt het verzoek van de bijzondere curator voor inhoudelijke behandeling in aanmerking.

2.7

Op grond van artikel 1:205, eerste lid, van het BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan worden ingediend:

  1. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

  2. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

  3. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het verzoek door het kind wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

2.8

De rechtbank stelt vast dat de moeder in februari 2016 toestemming heeft gegeven aan haar partner [belanghebbende 2] , die niet de biologische vader is van de beide minderjarigen, om hen te erkennen. Het verzoek tot vernietiging van de erkenning is ingediend binnen de voornoemde in artikel 1:205 lid 4 BW gestelde termijn, zodat de bijzondere curator ontvankelijk is in haar verzoek.

2.9.

De pleegouders van de minderjarigen hebben verklaard dat het voor de minderjarigen heel verwarrend zal zijn te horen dat zij nu een juridische vader hebben die zij nog nooit hebben gezien en dat zij nu ook ineens een andere achternaam hebben. Zij hebben de minderjarigen (nog) niet geïnformeerd over de erkenning en de geslachtsnaamswijziging.

2.10

De Stichting, heeft als voogd van de minderjarigen verklaard, dat zij het standpunt van de minderjarigen, zoals verwoord door de bijzondere curator, geheel delen.

2.11

De vertegenwoordiger van de Raad heeft verklaard dat een erkenning van de minderjarigen door [belanghebbende 2] niet passend wordt geacht. Hij kent de minderjarigen niet en het is niet in het belang van de minderjarigen dat zij er nu een “vreemde” (juridische) ouder bij krijgen en daarnaast ook nog een andere achternaam.

2.12

De rechtbank stelt op grond van stukken en het verhandelde ter zitting vast dat beide minderjarigen vrijwel direct vanaf hun geboorte zijn opgevoed in de huidige perspectief biedende pleeggezinnen. Bij beschikking van de rechtbank Middelburg van 18 januari 2012 is de moeder ontheven van het gezag over de minderjarigen en is Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid benoemd tot voogd over de minderjarigen. Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 10 oktober 2012 is de voogdij overgedragen aan Bureau Jeugdzorg Zeeland, thans de Stichting.

2.13

De rechtbank stelt voorop dat de erkenning conform de huidige wettelijke regeling van afdeling 3 van titel 11 Boek 1 BW heeft plaatsgevonden. Ook de wijziging van de geslachtsnaam is conform de huidige wettelijke regeling (art. 1:5 tweede lid BW) geschied. Die huidige wettelijke regeling maakt erkenning en de wijziging van de geslachtsnaam van een kind dat de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt – zoals het geval is in deze zaak - mogelijk zonder instemming van (een bijzondere curator van) het kind en zonder dat het belang van het kind wordt getoetst. De erkenning geschiedt bij akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand of notariële akte (art. 1:203, eerste lid BW) en in beide gevallen volstaat naast de wil van de erkenner de toestemming van de moeder (art. 1:204, eerste lid sub c BW). Ook als de erkenner, zoals in het onderhavige geval, niet de biologische ouder is kan hij het kind erkennen. Voorts is voor de toestemming van de moeder niet vereist dat zij ook het gezag heeft. Ook als de moeder, zoals in casu het gezag niet (meer) heeft, en dus in het kader van de verzorging en opvoeding geen belangrijke beslissingen voor het kind (meer) kan nemen, kan ze wel toestemming geven voor wijziging van de afstamming van de kinderen die er dan een juridische ouder bijkrijgen. Dat kan ook indien de wettelijk vertegenwoordiger van het kind (in casu de Stichting) niet instemt met de erkenning. Het is evident dat een erkenning diep ingrijpt in het recht op bescherming van het privé- en familieleven van de beide minderjarigen zoals gewaarborgd in onder andere artikel 8 EVRM. In de huidige wetgeving wordt een niet gerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen minderjarigen van 12 jaar en ouder en jongere minderjarigen. Dit onderscheid is niet noodzakelijk nu ook kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar via een bijzondere curator al dan niet kunnen instemmen met een erkenning. Bovendien komt deze wetgeving in strijd met het recht van minderjarigen, ook als zij nog geen twaalf jaar zijn, op participatie en om gehoord te worden, zoals gewaarborgd artikel 12 IVRK. Het is echter aan de wetgever om wijziging aan te brengen in deze wetgeving en het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om de desbetreffende wettelijke regels om die reden in casu niet of anders toe te passen.

2.14

Vast staat dat de erkenner niet de biologische vader van de beide minderjarigen is, maar die omstandigheid op zich is niet voldoende om ook tot de verzochte vernietiging van de erkenning over te gaan. De wet zelf houdt geen expliciet toetsingscriterium in maar er dient wel een belangenafweging plaats te vinden waarbij het belang van het kind een eerste overweging dient te vormen (art. 3, eerste lid IVRK).

2.15

De rechtbank overweegt dat de moeder tot op heden geen enkele rol heeft gespeeld in het leven van de minderjarigen. Zij heeft al vele jaren geen enkel contact meer met de kinderen, pleegouders of de Stichting. De partner van de moeder, [belanghebbende 2] , die de minderjarigen met toestemming van de moeder heeft erkend, kent de minderjarigen ook niet. Niet gebleken is dat hij feitelijk inhoud wil (gaan) geven aan het juridische ouderschap. Zowel de moeder als de juridische vader zijn niet ter zitting verschenen. De enkele wens van [belanghebbende 2] als erkenner om beide minderjarigen gelijk te behandelen met zijn andere kinderen, waaronder het uit de relatie tussen hem en de moeder geboren kind, weegt niet op tegen het belang van de minderjarigen bij een onveranderde afstamming van alleen hun moeder en behoud van haar geslachtsnaam. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de wijziging in hun afstamming door de erkenning tot stand is gekomen zonder dat het belang van de minderjarigen bij deze wijziging in hun afstamming is getoetst en die erkenning en geslachtsnaamswijziging ook zonder hun instemming (gelet op hun leeftijd door vertegenwoordiging door een bijzondere curator) tot stand zijn gekomen. De minderjarigen hebben hun mening over de wijziging in hun afstamming en in hun achternaam ook niet kunnen kenbaar maken. Weliswaar heeft de moeder ingestemd met de erkenning maar zij heeft niet het gezag over de minderjarigen terwijl de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen niet instemt met de door de erkenning gewijzigde afstamming en geslachtsnaamswijziging van de kinderen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat rederlijkerwijze te voorzien is dat de minderjarigen - gelet op de omstandigheden waarin zij vrijwel vanaf hun geboorte opgroeien in de perspectief biedende pleeggezinnen – nu en in de toekomst niets te verwachten hebben van een louter juridische vader die hen niet kent en die tot op heden geen enkele invulling geeft aan het juridisch ouderschap. Weliswaar is [belanghebbende 2] de partner van hun moeder, maar die moeder kennen ze ook niet. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank het belang van de minderjarigen bij een vernietiging van de erkenning groter dan belangen van de moeder en [belanghebbende 2] bij een erkenning. Het verzoek tot vernietiging van de erkenning zal dan ook op onderstaande wijze worden toegewezen. Met de vernietiging van de erkenning is ook de toen gedane gezamenlijke verklaring van de ouders dat de kinderen de geslachtsnaam van [belanghebbende 2] zullen hebben en de daarvan opgemaakt akte van naamskeuze niet langer rechtsgeldig.

3 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de Stichting Intervence niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning;

wijst toe het verzoek van na te noemen minderjarigen, te dezen vertegenwoordigd door hun bijzondere curator;

vernietigt de erkenning van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ,

door

[belanghebbende 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. Koens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 18 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier R. de Pooter.

RdP

1

Voetnoten

1
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.