ECLI:NL:RBZWB:2017:2606 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-04-2017 / AWB 16_7720

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/7720 AW

uitspraak van 21 april 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres] , [woonplaats] , eiseres,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 augustus 2016 (bestreden besluit) van de korpschef inzake de afwijzing van het verzoek om eiseres in te schalen in functieschaal 10 en een nieuw besluit uitgangspositie LFNP (Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie) te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 maart 2017. Eiseres is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.H. Ermans.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is overeengekomen dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden, het LFNP. De functie die op 31 december 2009 door een individuele ambtenaar werd vervuld (oud), wordt omgezet naar een LFNP-functie (nieuw). Dit proces herhaalt zich vervolgens voor iedere functie die de ambtenaar daarna is gaan vervullen tot en met 31 december 2011. Dit wordt ‘matching’ genoemd. De functie die de ambtenaar op 31 maart 2011 vervult, is in principe de uitgangspositie voor de toekomstige functie. De meest actuele functie op 31 december 2011 wordt uiteindelijk gematcht en is de nieuwe LFNP-functie.

Voor eiseres geldt een vastgestelde uitgangspositie van ‘ [toekomstige functie] ’. Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef aan eiseres over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 de LFNP-functie ‘[functie]’ (schaal 9) toegekend. Daarnaast heeft de korpschef bepaald dat eiseres met ingang van 1 januari 2012 overgaat naar deze LFNP-functie. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 23 juli 2014 heeft de korpschef de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juli 2014.

In december 2015 heeft een collega van eiseres ( [naam collega] ) een brief van de korpschef ontvangen. In deze brief staat dat de korpschef van plan is om aan de functie van ‘ [toekomstige functie] ’ de salarisschaal 10 te verbinden. Bij besluit van 8 februari 2016 heeft de korpschef aan [naam collega] over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 de LFNP-functie ‘[functie twee]’ (schaal 10) toegekend. Daarnaast heeft de korpschef bepaald dat [naam collega] met ingang van 1 januari 2012 overgaat naar deze LFNP-functie.

In januari 2016 heeft eiseres aan de korpschef gevraagd om haar in rechtspositioneel opzicht gelijk te stellen met [naam collega] . Volgens eiseres vervult zij in Breda dezelfde functie als [naam collega] in Tilburg. De korpschef heeft dit opgevat als een verzoek om (1) eiseres in te schalen in functieschaal 10 en (2) een nieuw besluit uitgangspositie LFNP te nemen.

Bij besluit van 7 maart 2016 (primair besluit) heeft de korpschef het verzoek van eiseres afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft de korpschef de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. De korpschef stelt zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt. In het besluit van 16 december 2013 is de LFNP-functie van eiseres vastgelegd, namelijk ‘[functie]’ met het werkterrein Jeugd. Deze functie is gewaardeerd op schaal 9. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 23 juli 2014. Dat besluit staat daardoor in rechte vast. Er zijn geen redenen om het besluit van 23 juli 2014 te herzien. De functiebeschrijving van [naam collega] is aangepast na een door haar gevolgde beroepsprocedure. Hierdoor heeft zij een andere functiebeschrijving gekregen en is haar uitgangspositie in het kader van het LFNP gewijzigd. Deze wijziging heeft geleid tot een andere LFNP-functie voor [naam collega] . Dit maakt dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel en artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slaagt dan ook niet, aldus de korpschef.

3. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Eiseres heeft samen met [naam collega] een aantal procedures doorlopen, onder meer om een passende functiebeschrijving te krijgen. Dit heeft geleid tot een nieuwe functiebeschrijving ‘ [toekomstige functie] ’. Op een gegeven moment is [naam collega] alleen verder gegaan met het voeren van procedures. Eiseres is hiermee gestopt vanwege privéomstandigheden. [naam collega] heeft door het voeren van die procedures per 1 januari 2010 een nieuwe uitgangspositie gekregen, namelijk ‘[functie twee]’. Eiseres is ervan overtuigd dat – als zij de procedures ook verder had doorlopen – zij in dezelfde positie was gekomen als [naam collega] . Nu is de salariëring van [naam collega] in de periode van januari 2010 tot heden in een onevenredige verhouding tot die van eiseres komen te staan. Zij doet hetzelfde werk als [naam collega] . Eiseres doet in dit kader een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4. Eiseres wil met haar verzoek om herziening bereiken dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 de LFNP-functie ‘[functie twee]’ (schaal 10) op haar van toepassing wordt verklaard. Dit is een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit, namelijk het besluit van 23 juli 2014. Nu de korpschef zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of de korpschef zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op dat standpunt heeft gesteld én of wat is aangevoerd leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5. De korpschef ter onderbouwing van zijn standpunt op gewezen dat jurisprudentie (in dit geval rechterlijke uitspraken ten aanzien van [naam collega] ) geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden oplevert.

6. De rechtbank overweegt dat de functiebeschrijving van [naam collega] na 23 juli 2014 is aangepast. Naar aanleiding van die aangepaste functiebeschrijving heeft [naam collega] vanaf 1 januari 2010 een nieuwe uitgangspositie gekregen, waardoor zij per 1 januari 2010 in een hogere schaal is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is de nieuwe functiebeschrijving van [naam collega] een nieuw feit zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

De korpschef heeft dit niet onderkend. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of zij in het kader van finale geschilbeslechting zelf in de zaak kan voorzien.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat zij en [naam collega] dezelfde functie uitoefenen, maar dan op verschillende locaties. De rechtbank stelt vast dat eiseres en [naam collega] samen een bezwaarprocedure hebben doorlopen in verband met een verzoek om functieonderhoud, wat heeft geleid tot een functiebeschrijving ‘ [toekomstige functie] ’ die op hen beide van toepassing is verklaard. Verder heeft de gemachtigde van de korpschef ter zitting erkend dat eiseres en [naam collega] (nog steeds) grotendeels dezelfde werkzaamheden verrichten. Eiseres dient dan ook te worden gevolgd in haar beroep op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het verzoek om herziening van het besluit van 23 juli 2014 wordt gehonoreerd en dat aan eiseres over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 de LFNP-functie ‘[functie twee]’ (schaal 10) wordt toegekend. Daarnaast zal worden bepaald dat eiseres met ingang van 1 januari 2012 overgaat naar deze LFNP-functie.

8. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

9. De rechtbank zal de korpschef veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in de bezwaarfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

herroept het primaire besluit;

-

wijst het verzoek om herziening van het besluit van 23 juli 2014 toe en bepaalt dat aan eiseres over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 de LFNP-functie ‘[functie twee]’ (schaal 10) wordt toegekend;

-

bepaalt dat eiseres met ingang van 1 januari 2012 overgaat naar deze LFNP-functie;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-

draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. W. Toekoen en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.