ECLI:NL:RBZWB:2017:2698 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-05-2017 / AWB - 16 _ 2945

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/2945

uitspraak van 3 mei 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen


[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 12 april 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem bij beschikking van 12 februari 2016 in rekening gebrachte invorderingsrente tot een bedrag van € 482.

Zitting

Het onderzoek ter zitting is, met toestemming van partijen, achterwege gebleven.

1 Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten;

-

verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de beschikking invorderingsrente;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar en de beschikking invorderingsrente;

-

gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Vooraf

2.0.

Bij brief van 1 september 2016 heeft de rechtbank beide partijen bericht dat beiden toestemming hebben gegeven om de zaak zonder mondelinge behandeling af te handelen. Door omstandigheden heeft het vervolgens helaas nog ruim een half jaar geduurd voordat de zaak hierbij beoordeeld is. De rechtbank betreurt het dat dit zo lang heeft geduurd.

Ten aanzien van de invorderingsrente

2.1.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 12 juni 2015, een tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2014 (hierna: de aanslag) opgelegd.

2.2.

Toen betaling van de aanslag uitbleef, is aan belanghebbende, met dagtekening 26 januari 2016, een betalingsherinnering gestuurd. Daarop heeft belanghebbende de aanslag voldaan op 3 februari 2016.

2.3.

Vervolgens is ter zake van de aanslag, met dagtekening 12 februari 2016, bij beschikking invorderingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

2.4.

Belanghebbende betwist invorderingsrente verschuldigd te zijn. Hij stelt daartoe dat hij de aanslag nooit heeft ontvangen. Voorts voert hij aan dat doordat pas op 12 februari 2016 een aanmaning is verstuurd, onnodig invorderingsrente is belopen. Dit terwijl op basis van een besluit van de staatssecretaris van Financiën vier maanden uitstel van betaling is verleend voor aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2014.

Is de (niet-)ontvangst relevant?

2.5.

Het verweer van belanghebbende doet allereerst de vraag rijzen of het relevant is of de aanslag al dan niet ontvangen is. Die vraag rijst omdat de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) de ontvangst niet expliciet als voorwaarde stelt om invorderingsrente in rekening te kunnen brengen.

2.6.

De relevante bepalingen uit de Wet luiden als volgt:

“Artikel 1

1 Deze wet geldt bij de invordering van rijksbelastingen.

2 Op deze wet zijn artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

(…)

Artikel 8

1 De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.

(…)

Artikel 9

1 Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.

(…)

Artikel 28

1 Bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn wordt aan de belastingschuldige rente – invorderingsrente – in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag (…).

2 De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling. (…).”

2.7.

Gelet op deze bepalingen wordt invorderingsrente belopen bij overschrijding van de betalingstermijn, dat wil – in dit geval – zeggen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Hoewel artikel 3:40 van de Awb niet van toepassing is en het belopen van invorderingsrente niet aansluit bij een termijn die gekoppeld is aan de dag van de bekendmaking (maar bij een termijn die gekoppeld is aan de dagtekening van het aanslagbiljet), ligt het in de rede dat indien de belastingaanslag niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, de betalingstermijn in beginsel niet is aangevangen althans dat geen invorderingsrente wordt belopen.

2.8.

In dit geval is niet betwist – en staat daarmee vast – dat de aanslag naar het juiste adres is verzonden op of voor 12 juni 2015. Alleen de ontvangst staat ter discussie.

De rechtbank leidt uit de jurisprudentie over gevallen waarin aan de orde is of de bezwaar- of beroepstermijn is overschreden en waarbij de desbetreffende belanghebbende aanvoert dat hij het desbetreffende besluit niet heeft ontvangen, het volgende af:

(i) voor de bepaling of het bestreden besluit (op de voorgeschreven wijze) is bekendgemaakt (in het kader van de bepaling van de aanvang van de bezwaar/beroepstermijn), staat de verzending centraal,

(ii) de niet-ontvangst is niet relevant voor de bepaling of het besluit (op de voorgeschreven wijze) is bekendgemaakt, en

(ii) de kwestie of het besluit al dan niet ontvangen is, moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb (vgl. HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5917, BNB 2006/109, zie ook recent met vele verwijzingen Rechtbank Rotterdam 1 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8295).

Er is geen aanleiding om voor de bepaling of sprake is van bekendmaking in de zin van artikel 8 van de Wet van een andere opvatting uit te gaan. Nu in dit geval de verzending vaststaat, is de voorlopige aanslag bekendgemaakt en eindigde de betalingstermijn binnen zes weken na 12 juni 2015.

2.9.

De Wet kent niet expliciet een regeling die vergelijkbaar is met de ‘verschoonbaarheidsregeling’ van het eerdergenoemde artikel 6:11 van de Awb voor de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat de niet-ontvangst van een belastingaanslag in het geheel niet relevant is voor het belopen van invorderingsrente.

2.10.

De algemene regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden in de Awb – opgenomen in titel 4.4 van de Awb – kent een regeling voor het berekenen van wettelijke rente die wat betreft systematiek in hoofdlijnen vergelijkbaar is met de regeling van de invorderingsrente. Hoewel de bepalingen in titel 4.4 van de Awb met betrekking tot wettelijke rente niet voor de invorderingsrente gelden (vgl. artikel 4:103 van de Awb), ziet de rechtbank – gelet op voornoemde vergelijkbare systematiek – aanleiding om te onderzoeken of volgens de Awb in een vergelijkbaar geval als hier betekenis toekomt aan de ontvangst van het besluit. De rechtbank merkt daarbij op dat in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van titel 4.4 van de Awb weliswaar verschillen zijn benoemd tussen de invorderingsrenteregeling en de (voorgestelde) wettelijkerenteregeling in de Awb (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 52), maar dat die verschillen niet zien op het punt dat hier aan de orde is (zie ook 2.12 hierna).

2.11.

De relevante bepalingen in titel 4.4 van de Awb luiden als volgt:

“Artikel 4:85

1 Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit:

a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of

b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.

(…)

Artikel 4:86

1 De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.

2 De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. de te betalen geldsom;

b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

Artikel 4:87

1 De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

(…)

Artikel 4:97

De schuldenaar is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.

Artikel 4:98

1 Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

(…)”

2.12.

Anders dan de Wet met betrekking tot de invorderingsrente koppelt de Awb – in artikel 4:98 – de verschuldigdheid van wettelijke rente aan het begrip ‘verzuim’. Juridisch is er evenwel niet een wezenlijk verschil omdat het begrip ‘in verzuim’ in artikel 4:97 van de Awb wordt gedefinieerd als niet-betaling binnen de voorgeschreven termijn. Waar de Wet voor de invorderingsrente aanknoopt bij ‘een overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende betalingstermijn’, knoopt de Awb voor de wettelijke rente dus aan bij niet-betaling binnen de voorgeschreven termijn. De systematiek is dus op dit punt in de kern hetzelfde.

2.13.

Net zoals voor de Wet geldt (zie 2.9) kent de Awb niet expliciet een ‘verschoonbaarheidsregeling’. In de toelichting bij het in 2.10 vermelde wetsvoorstel is evenwel het volgende opgemerkt met betrekking tot artikel 4:86, tweede lid, van de Awb (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 33):

“Het is wenselijk om de betrokkene duidelijk te informeren over de betalingstermijn die in dat concrete geval geldt. Wanneer de betalingstermijn niet is vermeld, kan dat reden zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Voorzover dat laatste het geval is, is de betrokkene niet in verzuim.”

Hoewel de Awb aldus niet expliciet voorziet in een ‘verschoonbaarheidsregeling’ en de Awb ogenschijnlijk in artikel 4:96 van de Awb dwingendrechtelijk voorschrijft wanneer de schuldenaar in verzuim is, heeft de wetgever kennelijk wel voor ogen gehad dat onder omstandigheden een overschrijding van een betalingstermijn verschoonbaar moet kunnen zijn.

De rechtbank overweegt voorts dat indien de niet-vermelding van een betalingstermijn bij de beschikking de overschrijding van de betalingstermijn verschoonbaar kan maken, het in de rede ligt dat de niet-ontvangst van de beschikking (te meer) reden kan zijn de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Nu bij een dergelijke verschoonbaarheid de schuldenaar niet in verzuim is, is – gelet op artikel 4:98 van de Awb – ook geen wettelijke rente verschuldigd.

2.14.

Gelet op de in de kern vergelijkbare systematiek (zie 2.12) en dat er geen goede reden is voor een verschil in uitleg op dit punt, is de rechtbank van oordeel dat ook voor de invorderingsrenteregeling geldt dat de omstandigheid dat het besluit niet is ontvangen, de overschrijding van de betalingstermijn verschoonbaar kan maken en daarmee in de weg kan staan aan het in rekening brengen van rente. De rechtbank merkt daarbij op dat deze uitleg ook voorkomt dat – in afwijking van het gemene recht – het risico van niet-ontvangst komt te liggen bij de geadresseerde in plaats van bij de verzender.

Is hier sprake van niet-ontvangst?

2.15.

Als beoordelingskader heeft het volgende te gelden. De ABRvS 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617, AB 2011/159 heeft overwogen:

“2.3. De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt (...) dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 15 december 2006, nr. 41882, LJN AZ 4416, BNB 2007/112 en HR 10 juli 2009, nr. 08/01578, LJN BG4156, BNB 2009/246) en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht.”

In het genoemde arrest BNB 2007/112, dat gaat over de ontvangst van een aanmaning, is wat betreft het ontzenuwen door de geadresseerde (belastingplichtige) overwogen:

“Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (…). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.”

2.16.

Aangezien hier de verzending van de aanslag vaststaat, geldt het vermoeden van ontvangst door belanghebbende van de aanslag. Belanghebbende heeft die ontvangst ontkend. De rechtbank heeft geen aanleiding, en ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in het dossier, om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van die ontkenning. Ook de ontvanger heeft daarvoor geen aanknopingspunten aangedragen. De ontvanger heeft er wel op gewezen dat de aanmaning wel ontvangen is en dat er eerder geen problemen zijn geweest met ontvangst van aanslagen, maar dit zegt niets over de ontvangst van deze aanslag. Nu de rechtbank de ontkenning geloofwaardig acht, is het voornoemde vermoeden ontzenuwd en is het aan de ontvanger om nader bewijs te leveren van de ontvangst. Aangezien de ontvanger geen andere bewijsmiddelen heeft aangedragen dan het feit van verzending, is dat bewijs niet geleverd.

2.17.

Gelet op wat in 2.14 en 2.16 is overwogen en het feit dat belanghebbende kort na de betalingsherinnering de aanslag heeft voldaan, is ten onrechte invorderingsrente in rekening gebracht. Het beroep is in zoverre gegrond verklaard.

Ten aanzien van de aanmaningskosten

2.18.

Bij brief van 16 februari 2016 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking invorderingsrente. Op 1 maart 2016 heeft de ontvanger belanghebbende een aanmaning gestuurd voor het onbetaald blijven van de invorderingsrente. Daarbij is € 15 aanmaningskosten in rekening gebracht (hierna: de aanmaningskosten).

2.19.

Voor zover belanghebbendes beroep mede is gericht tegen de aanmaningskosten, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Alvorens beroep kan worden ingesteld, dient tegen een besluit namelijk eerst bezwaar te worden gemaakt (artikel 7:1 van de Awb, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid van de Awb). Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten. De rechtbank moet het beroepschrift dan, als bezwaarschrift, doorsturen naar de ontvanger (artikel 6:15 van de Awb). Nu betreffend stuk reeds in handen van de ontvanger is, zal de rechtbank volstaan met de opdracht aan de ontvanger om het geschift als bezwaar in behandeling te nemen.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

2.20.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling, nu niet gesteld of gebleken is dat proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 3 mei 2017 door M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.