ECLI:NL:RBZWB:2017:3017 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-05-2017 / AWB 16_440

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/440 WMO

uitspraak van 3 mei 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (college), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 december 2015 (bestreden besluit) van het college inzake haar voorziening huishoudelijke hulp ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 11 november 2016. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar begeleidster [naam begeleidster]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A.A.M. de Kort.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting bij beslissing van 5 december 2016 heropend en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer. Tevens zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen. Van die gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 maart 2017. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar begeleidster [naam begeleidster]. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 6 november 2013 is aan eiseres een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor vier uur huishoudelijke hulp per week tot en met 6 november 2014. Het pgb bedraagt € 3.348,84 op jaarbasis. Bij besluit van 31 oktober 2014 is deze indicatie verlengd tot en met 6 november 2015.

Naar aanleiding van de brief van 9 december 2014 van het college, heeft eiseres verantwoording afgelegd over de besteding van haar pgb voor huishoudelijke hulp in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

Bij besluit van 20 mei 2015 (primair besluit) heeft het college het recht op pgb van eiseres voor een bedrag van € 477,73 ingetrokken en teruggevorderd, omdat zij het niet (volledig) in overeenstemming met het doel heeft besteed en/of niet (volledig) heeft verantwoord.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe aan dat het college een uurtarief voor huishoudelijke hulp hanteert van € 16,10 dat nergens is terug te vinden. Omdat haar zorgaanbieder € 19,- per uur rekent, ontvangt eiseres in plaats van vier uur slechts 3,5 uur per week huishoudelijke hulp. Dit is in samenspraak met onder andere MEE akkoord bevonden en dus is eiseres ervan uitgegaan dat het goed geregeld zou zijn. Bovendien is het tarief van € 19,- per uur in de gemeente Hulst wel toegestaan.

3. Artikel 5, eerste lid, van de Wmo, zoals dat artikel in 2014 luidde, bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels stelt over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 1, zeventiende lid, van de Verordening Wmo Terneuzen (Verordening) bepaalt dat onder persoonsgebonden budget wordt verstaan een geldbedrag om te gebruiken voor het te bereiken resultaat, als alternatief voor een voorziening in natura.

Artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat een van de op basis van artikel 4, lid 1, van de wet via compenserende maatregelen te bereiken resultaten een schoon en leefbaar huis is.

Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk kan intrekken indien niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Terneuzen 2014 (Besluit) bepaalt dat het bedrag voor de berekening van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden € 16,10 per uur bedraagt.

4. Het college heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een pgb verstrekt van € 3.348,84 voor vier uur huishoudelijk hulp per week. Van dat bedrag heeft eiseres blijkens het door haar ingediende verantwoordingsformulier een bedrag van € 3.152,40 aan haar zorgverleners uitbetaald. Dat betekent dat zij van het aan haar verstrekte pgb € 196,44 niet heeft besteed. Daarnaast heeft eiseres haar zorgverleners in een gedeelte van het jaar vanuit het pgb € 19,- per uur betaald, terwijl dat volgens het college maximaal € 16,10 per uur mag zijn. Voor de 97 uren dat dat het geval was, heeft eiseres volgens het college dus een bedrag van € 281,29 teveel uitbetaald. Gelet daarop heeft het college het recht op pgb van eiseres ingetrokken en teruggevorderd voor een bedrag van (€ 196,44 + € 281,29) € 477,73. Nu eiseres in beroep enkel opkomt tegen het door het college gehanteerde maximumuurtarief, ziet de rechtbank zich enkel voor de vraag gesteld of het college het recht op pgb van eiseres in redelijkheid heeft kunnen intrekken en terugvorderen voor zover dit het bedrag van € 281,29 betreft.

5. In onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK2502) is onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Wmo overwogen dat een pgb een geldbedrag betreft dat naar eigen keuze van de budgethouder is te besteden voor een vooraf bepaald doel of activiteit. In overeenstemming met die wetsgeschiedenis heeft het college in artikel 1, zeventiende lid, van de Verordening een pgb gedefinieerd als een geldbedrag om te gebruiken voor het te bereiken resultaat. De resultaten waarvoor het college een pgb verstrekt, zijn neergelegd in artikel 2 van de Verordening, waaronder het resultaat van een schoon en leefbaar huis. In het besluit tot verlening van het pgb van 6 november 2013 heeft het college opgenomen dat eiseres haar pgb enkel mag besteden aan hulp bij het huishouden. Als het pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling is aangewend voor de bekostiging van dat resultaat, kan het college het besluit tot verlening van het pgb op grond van artikel 27, tweede lid, van de Verordening intrekken.

6. Het college heeft van die intrekkingsbevoegdheid gebruik gemaakt, omdat eiseres het bedrag van € 281,29 niet zou hebben besteed in overeenstemming met het doel waarvoor het pgb aan haar verleend is. Eiseres heeft vanuit haar pgb voor een deel van de door haar ingekochte hulp bij het huishouden namelijk € 19,- per uur betaald aan haar zorgverleners, terwijl dat volgens het college, onder verwijzing naar artikel 2, eerste lid, van het Besluit, maximaal € 16,10 per uur had mogen zijn. De rechtbank begrijpt dat artikel echter zo dat het college het uurtarief van € 16,10 dient te gebruiken voor de berekening van het te verstrekken pgb en niet dat dat het maximumuurtarief is dat de budgethouder vanuit het pgb mag betalen voor huishoudelijke hulp. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen en de tekst en strekking van artikel 27, tweede lid, van de Verordening geen aanwijzingen bevatten dat het aantal ingekochte uren hulp bij het huishouden en het door het college gehanteerde maximumuurtarief op zichzelf een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het pgb is aangewend voor de bekostiging van het resultaat. Niet kan dan ook worden gezegd dat eiseres dat resultaat niet bereikt als zij bij gebruikmaking van haar pgb niet het volledige aantal geïndiceerde uren afneemt tegen maximaal € 16,10 per uur.

7. Ondanks dat eiseres ervoor heeft gekozen om in een deel van 2014 met haar pgb 3,5 uur hulp bij het huishouden per week in te kopen tegen een tarief van € 19,- per uur, is tussen partijen niet in geschil dat eiseres haar pgb slechts heeft besteed aan hulp bij het huishouden. Ook is niet in geschil dat het resultaat waarvoor het pgb aan eiseres is verleend, is bereikt. De rechtbank kan zich voorstellen dat dat wel in geschil zou kunnen zijn geweest als er bijvoorbeeld slechts één uur huishoudelijke hulp per week zou zijn ingekocht tegen een veel hoger uurtarief. Gelet daarop, en omdat het college het pgb op grond van artikel 27, tweede lid, van de Verordening slechts kan intrekken als het niet is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor het is verleend, heeft het college het pgb van eiseres voor wat betreft het bedrag van € 281,29 in redelijkheid niet kunnen intrekken en daarmee dus ook niet kunnen terugvorderen. Dat betekent dat het beroep gegrond zal worden verklaard en het bestreden besluit in zoverre zal worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van het bedrag van € 281,29.

8. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het college het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

9. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op de door eiseres gevraagde reiskosten met betrekking tot het bijwonen van de zitting in Middelburg. Gelet op de beperkte mogelijkheden van het reizen per openbaar vervoer tussen Koewacht en Middelburg, zal de rechtbank deze reiskosten bepalen op een kilometervergoeding voor de door eiseres aangegeven 70 kilometer (70 x € 0,28) en de tolheffing van de Westerscheldetunnel (2 x € 5,-). De proceskosten worden daarmee in totaal vastgesteld op € 29,60.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van het bedrag van € 281,29;

-

herroept het primaire besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van het bedrag van € 281,29;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

-

draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 29,60.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.