ECLI:NL:RVS:2017:1107 Raad van State , 20-04-2017 / 201701670/2/R3

Uitspraak

201701670/2/R3.

Datum uitspraak: 20 april 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te Staphorst,

en

1.    de raad van de gemeente Staphorst,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Staphorst,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Streek, partiële herziening Rijksparallelweg 6-8 Staphorst" vastgesteld.

Bij besluit van 6 februari 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het geheel vervangen van het pand, het plaatsen van een winkelwagenstalling, het plaatsen van een reclamezuil en het aanleggen van drie in- en uitritten op het perceel Rijksparallelweg 6 te Staphorst.

Tegen de twee voornoemde besluiten heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Lidl Nederland GmbH een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 april 2017, waar zijn verschenen de raad en het college, beide vertegenwoordigd door drs. P. Nieuwenhuis. Voorts is ter zitting gehoord Lidl Nederland GmbH, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen. Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    De besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

3.    De besluiten voorzien in de sloop en nieuwbouw van de Lidl supermarkt aan de Rijksparallelweg 6-8 te Staphorst. Het huidige gebouw van Lidl heeft een brutovloeroppervlak van 2.380 m2 waarvan 935 m2 wordt gebruikt als winkelruimte. Het resterende oppervlak wordt thans gebruikt voor groothandelsactiviteiten. Het nieuw te bouwen gebouw heeft een brutovloeroppervlak van ongeveer 2.000 m2, waarvan 1.360 m2 zal worden gebruikt als winkelruimte. Met de vergroting van het winkelvloeroppervlak van 935 m2 naar 1.360 m2 beoogt Lidl een kwalitatief meer hoogwaardige en ruimere winkel aan haar klanten te kunnen presenteren.

4.    [verzoeker] woont aan de [locatie] te Staphorst grenzend aan het plangebied. Hij vreest met name een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van geluidhinder van de laad- en losactiviteiten bij de supermarkt en een toename van de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg.

5.    [verzoeker] heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, omdat volgens hem onomkeerbare gevolgen ontstaan als gebruik wordt gemaakt van de verleende omgevingsvergunning voor sloop en nieuwbouw van de supermarkt. Ter zitting is vastgesteld dat een spoedeisend belang aanwezig is, gelet op de reeds verleende omgevingsvergunning en het voornemen van Lidl zo snel mogelijk met de uitvoering van de omgevingsvergunning te beginnen. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak aan de hand van de beroepsgronden van [verzoeker] beoordelen of aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

Voorgeschiedenis

6.    [verzoeker] wijst erop dat het college reeds in 2007 een bouwaanvraag van Lidl voor de oprichting van een verkoopruimte ten behoeve van detailhandel op het perceel Rijksparallelweg 6 heeft afgewezen. In 2010 is Lidl alsnog op het perceel Rijksparallelweg 6-8 gevestigd. Volgens [verzoeker] hebben de thans bestreden besluiten alsmede het in 2013 voor onder meer het perceel van Lidl vastgestelde bestemmingsplan "De Streek" uitsluitend tot doel de detailhandelsactiviteiten van Lidl alsnog te legaliseren.

6.1.    In het besluit van het college uit 2007 tot weigering van de door Lidl gevraagde vergunning voor de bouw van een verkoopruimte ten behoeve van detailhandel op het perceel Rijksparallelweg 6 is bij de weigeringsgronden verwezen naar het destijds vigerende bestemmingsplan "Staphorst Noord, 11e herziening" uit 1997. In het besluit van het college is vermeld dat het plan uit 1997 op het perceel Rijksparallelweg 6 uitsluitend een combinatie van detailhandels- en groothandelsactiviteiten toestond. Ter zitting hebben Lidl en het college toegelicht dat gelet hierop vervolgens een nieuwe bouwvergunning is aangevraagd gebaseerd op een combinatie van detailhandel- en groothandelsactiviteiten, welke bouwvergunning in 2009 is verleend. Vervolgens is Lidl in 2010 op het perceel aan de Rijksparallelweg 6-8 gevestigd. In het nadien in 2013 vastgestelde bestemmingsplan "De Streek" is het aan Lidl vergunde gebruik als zodanig bestemd, aldus de raad. De thans bestreden besluiten voorzien dan ook niet in een legalisatie van de bestaande detailhandelsactiviteiten van Lidl, maar uitsluitend in een uitbreiding van deze detailhandelsactiviteiten waarbij de bestaande groothandelsactiviteiten worden beëindigd, aldus de raad en het college. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan de feitelijke juistheid van de door de raad en het college gegeven toelichting over de voorgeschiedenis te twijfelen. Nu met de in 2009 aan Lidl verleende bouwvergunning de feitelijke situatie is gewijzigd in vergelijking met de situatie ten tijde van de geweigerde bouwvergunning in 2007, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding de door [verzoeker] genoemde weigeringsgronden die aan het besluit van het college uit 2007 ten grondslag lagen - nog daargelaten de vraag of deze weigeringsgronden onderdeel zijn van de door [verzoeker] in deze procedure aangevoerde beroepsgronden - inhoudelijk te bespreken.

Geluidhinder

7.    [verzoeker] vreest geluidhinder als gevolg van de laad- en losactiviteiten van de vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden. Deze overlast doet zich volgens hem voornamelijk voor in de vroege ochtenduren. [verzoeker] stelt daartoe dat Lidl in de huidige situatie regelmatig vroeg in de ochtend wordt bevoorraad met als gevolg dat zijn nachtrust wordt verstoord door de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens en dichtslaande portieren. Volgens [verzoeker] wordt op de laad- en lostijden niet gehandhaafd.

7.1.    Aan de gronden in het plangebied is de bestemming "Detailhandel" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt:

"De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een supermarkt met bijbehorende voorzieningen, met dien verstande dat het winkelvloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 1.360 m2;

[…]."

    Lid 3.4.1 van de planregels luidt:

"Tot een met de bestemming strijdig gebruik [...] wordt in elk geval begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het bepaalde in lid 3.1 onder a voor zover het laden en lossen in periode van 19.00 uur tot 07.00 uur plaatsvindt."

7.2.    Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht naar de verwachte geluidbelasting bij de woning van [verzoeker]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Geprojecteerde nieuwbouw van de supermarkt van Lidl Staphorst" van Peutz van 29 maart 2016. In paragraaf 3.2 van dit onderzoek is vermeld dat ervan is uitgegaan dat Lidl met vrachtwagens in de dagperiode tussen 07.00 uur en 19.00 uur wordt bevoorraad. Daarbij is vermeld dat vanwege het tonale karakter van de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens een toeslag op het geluidvermogen van achteruitrijdende vrachtwagens is toegepast van 5 dB(A). In het akoestisch onderzoek is berekend dat in de nieuwe situatie na de uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van Lidl het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de woning van [verzoeker] als gevolg van de supermarkt ten hoogste 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode, 34 dB(A) in de avondperiode en 28 dB(A) in de nachtperiode. Volgens Peutz wordt hiermee voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) voor onder meer een supermarkt voorgeschreven geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voorts heeft Peutz berekend dat het maximale geluidniveau in de dagperiode bij de woning van [verzoeker] 70 dB(A) bedraagt afkomstig van het rijden van de vrachtwagens en 64 dB(A) in de avondperiode als gevolg van het dichtslaan van portieren. Volgens Peutz wordt op dit punt voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit voorgeschreven geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau op de gevel van gevoelige gebouwen van 70 dB(A) in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode.

    Peutz heeft in het akoestisch onderzoek van 5 april 2016 aanvullend onderzoek verricht naar de weerkaatsing van geluid ten gevolge van de laad- en losactiviteiten bij de supermarkt. In dit aanvullend akoestisch onderzoek is berekend dat de geluidbelasting bij de woning van [verzoeker] als gevolg van het rijden van de vrachtwagens en de laad- en losactiviteiten inclusief de weerkaatsing van het geluid tegen de gevel van de supermarkt en de expeditieruimte niet verschilt van de in het akoestisch onderzoek van 29 maart 2016 berekende geluidbelasting.

7.3.    [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de onderzoeken die Peutz heeft verricht. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet heeft mogen uitgaan van de door Peutz berekende geluidniveaus bij de woning van [verzoeker]. De conclusie van Peutz dat de berekende geluidniveaus bij de woning van [verzoeker] voldoen aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit voor onder meer een supermarkt voorgeschreven geluidgrenswaarden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter juist.     

    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich onder verwijzing naar de conclusie van Peutz dat bij de woning van [verzoeker] wordt voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit vermelde geluidgrenswaarden, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onevenredige geluidhinder voor [verzoeker] tot gevolg heeft. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel dat ter zitting is toegelicht dat in de huidige situatie nabij de woning van [verzoeker] reeds een bevoorradingslocatie is gesitueerd voor de huidige groothandelsactiviteiten van Lidl, welke bevoorradingslocatie als gevolg van het beëindigen van de groothandelsactiviteiten zal komen te vervallen. De stelling van Lidl dat het laten vervallen van deze bevoorradingslocatie een positief effect heeft op de geluidhinder bij de woning van [verzoeker] in vergelijking met de huidige situatie, komt de voorzieningenrechter voorshands niet onaannemelijk voor.

7.4.    Voor zover [verzoeker] vreest geluidhinder te ondervinden van laad- en losactiviteiten bij de supermarkt in de nacht en vroege ochtenduren, overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels dat het laden en lossen bij de supermarkt in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur als met het bestemmingsplan strijdig gebruik wordt aangemerkt. Indien in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur laad- en losactiviteiten plaatsvinden, kan [verzoeker] wegens strijd met het bestemmingsplan bij het college een verzoek om handhaving indienen. Kwesties van handhaving kunnen niet in deze procedure, maar in de handhavingsprocedure aan de orde worden gesteld.

Alternatieve situering laad- en losplaats

8.    [verzoeker] betoogt voorts dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve mogelijkheden voor de situering van de laad- en losplaats van de supermarkt op grotere afstand van zijn woning. Zo is het volgens [verzoeker] mogelijk om het nieuwe gebouw van Lidl en daarmee de laad- en losplaats meer zuidelijk op het perceel aan de Rijksparallelweg 6-8 te situeren. Ook bestaan volgens [verzoeker] mogelijkheden om de laad- en losplaats te verplaatsen naar de oostzijde van het perceel grenzend aan de rijksweg A28.

8.1.    Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan heeft BonoTraffics B.V. in opdracht van Lidl onderzoek verricht naar de mogelijkheden om de laad- en losplaats in de nieuwe situatie te realiseren aan de zijde van de rijksweg A28. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een memo van 11 november 2016. In deze memo staat dat het situeren van de laad- en losplaats aan de zijde van de rijksweg A28 uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is, omdat het vrachtverkeer in een dergelijke situatie de in- en uitgang van de verbinding voor langzaam verkeer onder de A28 zal kruisen. Ter zitting hebben de raad en Lidl op dit punt toegelicht dat onder de A28 een fietstunnel aanwezig is die onder meer wordt gebruikt door voetgangers en schoolgaande kinderen. Indien de laad- en losplaats van Lidl grenst aan de rijksweg A28 zal het vrachtverkeer zich mengen met de fietsers en wandelaars die gebruik maken van de tunnel onder de A28, aldus de raad en Lidl. De stelling dat dit uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is, acht de voorzieningenrechter niet onjuist.

    Wat betreft de mogelijkheden om het nieuwe gebouw van Lidl meer zuidelijk op het perceel aan de Rijksparallelweg 6-8 te realiseren, heeft Lidl ter zitting gesteld dat dit uit een oogpunt van optimale bedrijfsvoering niet wenselijk is gelet op de beperkte breedte van het zuidelijke deel van haar perceel. Volgens de raad bestond er gelet op de belangen van Lidl bij een optimale bedrijfsvoering alsmede gelet op de omstandigheid dat in de huidige situatie het gebouw van Lidl reeds aan de noordzijde van het perceel is gesitueerd en dit blijkens de akoestische onderzoeken van Peutz niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder bij de woning van [verzoeker], geen aanleiding de situering van het bouwvlak voor de nieuwe supermarkt in afwijking van de huidige situatie te verplaatsen naar het zuidelijke deel van het perceel. De voorzieningenrechter acht deze belangenafweging van de raad voorshands niet onredelijk.

Verkeersintensiteit

9.    [verzoeker] vreest dat de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg als gevolg van de voorziene uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van Lidl onaanvaardbaar zal toenemen. Hij stelt in dit verband dat plannen bestaan om de afrit nummer 23 bij Staphorst op de rijksweg A28 te laten vervallen. Het vervallen van deze afrit heeft volgens [verzoeker] eveneens tot gevolg dat de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg zal toenemen. Met deze verkeerstoename is volgens [verzoeker] bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening gehouden.

9.1.    In de voornoemde memo van BonoTraffics B.V. van 11 november 2016 is onderzoek verricht naar de toename van verkeer op de Rijksparallelweg als gevolg van de in het bestemmingsplan voorziene uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van Lidl. In de memo is vermeld dat dat de Rijksparallelweg ter hoogte van Lidl de functie heeft van erftoegangsweg waar het aantal verkeersbewegingen in principe het aantal van 6.000 mvt/etmaal niet dient te overschrijden. BonoTraffics B.V. vermeldt in haar memo dat de in het plan voorziene uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van Lidl tot gevolg heeft dat de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg in 2020 zal toenemen van 4.362 mvt/etmaal naar 4.921 mvt/etmaal en in 2030 van 4.324 mvt/etmaal naar 4.883 mvt/etmaal. Nu de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg onder de 6.000 mvt/etmaal blijft, is de toename aan verkeer ten gevolge van de uitbreiding van het winkelvloeroppervlak acceptabel, aldus BonoTraffics B.V. In de memo wordt er daarbij voorts op gewezen dat de piek in de verkeersintensiteit bij een supermarkt niet overeenkomt met de spitsuren op een weg in de ochtend- en avondspits, op welk moment een gebiedsontsluitingsweg zoals de Rijksparallelweg het zwaarst wordt belast.

9.2.    Anders dan [verzoeker] betoogt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderzoek van BonoTraffics B.V. rekening had moeten worden gehouden met de verkeerseffecten van het vervallen van de afrit 23 bij Staphorst op de rijksweg A28. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de plannen voor het laten vervallen van deze afrit zich nog slechts in een verkennende fase bevinden en dat op dit punt nog geen besluitvorming is genomen. Met de raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij de planvaststelling geen rekening hoeft te worden gehouden met de verkeerseffecten van een onzekere toekomstige gebeurtenis.

9.3.    [verzoeker] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van het onderzoek van BonoTraffics B.V. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het bestemmingsplan geboden mogelijkheden voor uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van de supermarkt geen onaanvaardbare verkeerstoename op de Rijksparallelweg tot gevolg hebben.

Beplanting en verkeersveiligheid

10.    [verzoeker] betoogt tot slot dat de beplanting die is opgenomen in het bij het bestemmingsplan gevoegde Groenplan tot gevolg heeft dat het uitzicht op de Rijksparallelweg bij het verlaten van zijn perceel zal worden verminderd. Volgens hem leidt dit tot verkeersonveilige situaties.

10.1.    Als bijlage 1 bij de planregels is een Groenplan gevoegd. De uitvoering van dit Groenplan is verzekerd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. In het Groenplan zijn op het perceel van Lidl grenzend aan de Rijksparallelweg nieuwe bomen getekend. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de realisatie van deze bomen niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie. Daartoe heeft de raad gesteld dat de afstand tussen de uitrit van het perceel van [verzoeker] en het perceel van Lidl meer dan 60 meter bedraagt. Dit is volgens de raad ruim voldoende om ook na het planten van de in het Groenplan voorziene bomen zicht te houden op de Rijksparallelweg. Daarbij heeft de raad gesteld dat nabij de woning van [verzoeker] de Rijkparallelweg een flauwe bocht maakt, waardoor het zicht op het verkeer vanaf het perceel van [verzoeker] in de huidige situatie reeds enigszins is beperkt. De voorzieningenrechter ziet gelet op voorgaande door de raad gegeven toelichting voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitvoering van het bij de planregels gevoegde Groenplan niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties bij de woning van [verzoeker].

Conclusie

11.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan en de op grond daarvan verleende omgevingsvergunning in de bodemprocedure geen stand zullen houden. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Koeman    w.g. Van Zuijlen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2017

810.