ECLI:NL:RVS:2017:1136 Raad van State , 26-04-2017 / 201600345/1/A3

Uitspraak

201600345/1/A3.

Datum uitspraak: 26 april 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats] ,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2015 in zaak nr. 15/4811 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2014 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om afgifte van een nationaal paspoort afgewezen.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.E. Knook, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 6 mei 2014 heeft [appellante] bij de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Londen een aanvraag ingediend voor een nieuw nationaal paspoort. Daarbij heeft [appellante] haar oude paspoort beschadigd ingeleverd. Naar aanleiding van deze beschadiging heeft de minister het paspoort laten onderzoeken door een opperwachtmeester, documentdeskundige genoemd, werkzaam bij de Brigade Recherche, Forensische Techniek, ID-desk Schiphol van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de documentdeskundige). In het op grond van dit onderzoek uitgebrachte rapport van bevindingen van 28 juni 2014 is geconcludeerd dat data van in- en uitreisstempels in het paspoort zijn verwijderd, als gevolg waarvan door bevoegde autoriteiten gestelde aantekeningen aan het oog zijn onttrokken. De minister heeft de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de RvIG) hierover geïnformeerd, waarna de persoonsgegevens van [appellante] op grond van artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet zijn opgenomen in het Register Paspoortsignalering. De ambassade heeft [appellante] bij brief van 30 juli 2014 van de signalering op de hoogte gesteld en daarbij gewezen op de mogelijkheid om met de RvIG tot overeenstemming te komen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Paspoortwet. Bij brief van 17 oktober 2014 heeft de RvIG de minister medegedeeld dat geen overeenstemming is bereikt. Vervolgens heeft de minister afgifte van het door [appellante] aangevraagde paspoort geweigerd. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat [appellante] door de weigering niet onevenredig wordt benadeeld als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat het aan [appellante] is om aannemelijk te maken dat het onderzoeksrapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Dit heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan, zodat de minister terecht heeft overwogen dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich met juistheid op het standpunt mocht stellen dat het paspoort opzettelijk is beschadigd en haar verklaring dat het paspoort is beschadigd doordat het is gewassen in de wasmachine niet aannemelijk is. Dat het laten uitvoeren van een contra-expertise door vernietiging van het paspoort niet meer mogelijk is, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid, nu er volgens haar geen concrete reden is om te twijfelen aan de resultaten van het verrichte onderzoek. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] een onevenredige benadeling niet aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het met de weigering van het paspoort gemoeide belang, zijnde het vertrouwen in reisdocumenten en het voorkomen van fraude met die documenten.

Hoger beroep

3.    [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om aan te tonen dat de beschadiging aan het paspoort is ontstaan als gevolg van het droogvegen van het paspoort nadat het in de wasmachine is meegewassen, nu haar oude paspoort is vernietigd. Zij was voornemens om Forensicon BV, een bedrijf dat forensisch onderzoek verricht, op haar kosten onderzoek naar de beschadigingen te laten uitvoeren. [appellante] voert aan dat, nu haar de mogelijkheid is ontnomen om een tegenonderzoek te laten verrichten, artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden.

    [appellante] betoogt in de tweede plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van een onevenredige benadeling. Zij heeft een groot belang bij spoedige afgifte van het paspoort omdat zij wordt beperkt in haar mogelijkheden om haar familie in het buitenland te bezoeken.

Oordeel van de Afdeling

4.    De minister heeft aan de besluitvorming het onderzoeksrapport van de documentdeskundige van de Koninklijke Marechaussee van 28 juni 2014 ten grondslag gelegd. Hierin is vermeld dat alle bladzijden in het paspoort, met uitzondering van de personaliabladzijde, zijn gekreukeld als gevolg van aanraking met een vloeistof. Voorts is daarin vermeld dat sommige in- en uitreisstempels door middel van raderen en het beschadigen van het basispapier onleesbaar zijn gemaakt. [appellante] heeft de minister reeds in de bezwaarfase verzocht om haar in de gelegenheid te stellen een tegenonderzoek te laten verrichten. Aan dit verzoek kon evenwel niet worden voldaan, omdat het beschadigde paspoort op dat moment al was vernietigd.

4.1.    Hoewel het onderzoeksrapport van 28 juni 2014 aanwijzingen bevat dat data bij stempels opzettelijk door middel van een bewerking zijn verwijderd, sluiten de bevindingen niet helemaal uit dat de door [appellante] gegeven verklaring op waarheid berust. Juist omdat de minister opzettelijke beschadiging ten grondslag heeft gelegd aan de weigering tot afgifte van een paspoort is de Afdeling van oordeel dat [appellante] in de gelegenheid had moeten worden gesteld het door haar al in de bezwaarfase verlangde tegenonderzoek te laten uitvoeren. Gelet hierop is vernietiging van het paspoort dusdanig onzorgvuldig geweest, dat de gevolgen daarvan niet voor rekening van [appellante] behoren te komen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Conclusie

5.    Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 juni 2015 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de minister te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2015 in zaak nr. 15/4811;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 2 juni 2015, kenmerk 0801/2014-NP;

V.    bepaalt dat tegen het door de minister van Buitenlandse Zaken te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Van Buuren    w.g. Binnema

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017

589.